Tegen half één kwam Kate David halen toen hij net weer een patiënt uitliet.

"Kom je eten?"

Hij keek haar ernstig aan. "Ik geloof niet dat ik een hap door mijn keel zou kunnen krijgen."

Kate zuchtte en trok de deur achter zich dicht. "Ja, ik weet het. Maar je moet de hele middag nog, en dat gaat niet op een lege maag. Hoe laat heb je vanochtend ontbeten?"

"Een uur of vijf."

"Dat houd je dus nooit vol tot vanavond. Kom mee. Anders val je straks flauw van de honger, en dat kunnen we niet gebruiken."

David slaakte een zucht en keek naar het kale plafond. "Als jij gezien had wat ik heb moeten zien vanmorgen, was jouw eetlust ook bedorven. Eerlijk gezegd voel ik me wat onpasselijk."

Kate kwam op hem toe. "David, ik heb genoeg gezien hier om daar het volste begrip voor te hebben. Maar je moet wat eten, anders houd je het niet vol."

David zweeg en keek naar de vloer. Maar uiteindelijk hief hij zijn hoofd op en gaf toe. "Okay, ik kom. Alleen even opruimen."

Samen met Debbie liepen ze even later naar het hoofdgebouw. Dat bleek ook een soort restaurant te huisvesten, dat bedoeld was voor zowel medewerkers als asielzoekers. Ze kregen een kwak aardappelpuree, een portie smakeloze worteltjes en een lapje taai vlees.

Met z´n drieën schoven ze ergens aan, en knikten naar hun Arabisch uitziende tafelgenoten. Debbie en Kate praatten samen, maar David wurgde slechts tegen heug en meug zijn portie naar binnen. Als hij zich nog niet onpasselijk voelde, was dat nu wel gekomen. Met grote slokken water spoelde hij de brei weg.

"Hoe laat beginnen we weer?" vroeg hij Kate.

"Met een kwartiertje ongeveer," was het antwoord.

Hij knikte. "Ik ga even naar buiten. Even een luchtje scheppen."

Ze knikte hem toe, en hij liep weg om zijn blad, bord en bestek in te leveren.

Even later slenterde hij over het stoffige plein. De zon brandde. Het was vrij stil; de meeste mensen waren waarschijnlijk in de eetzaal. Een paar kinderen waren blijkbaar ook al klaar met eten, en speelden een gepassioneerd partijtje voetbal. David glimlachte bitter. Hoe deprimerend de omstandigheden ook waren, kinderen vonden altijd wel mogelijkheden om te spelen. Een beeld van hoop eigenlijk. Hoop voor de toekomst. Of zouden ze dezelfde fouten maken als hun voorgangers als ze straks volwassen zouden zijn? De geschiedenis leek dat wel aan te geven...

Hij zuchtte. Zelfs hoop was hier niet puur. Of toch? Daar bij de school stond een donker meisje bellen te blazen. Ze was alleen, maar haar mimiek toonde duidelijk haar plezier en verwondering over al die mooie zeepbellen.

Hij liep langzaam naar haar toe, en bleef op een afstandje staan kijken. Dit kind leek nog onbezorgd geluk te kennen. Hoe oud zou ze helemaal zijn... zes misschien?

Plotseling keek het meisje zijn kant op, en toonde een stralende tandenloze lach. "Wil jij ook een keer?"

Hij glimlachte naar haar; nu echt. "Graag. Als het mag?"

Als antwoord stak ze hem het bekertje toe. Hij liet zich op een knie zakken zodat hij op ongeveer gelijke hoogte met haar was, en blies toen een hele rits kleine belletjes. Het meisje danste en klapte in haar handen. "Nog een keer!"

Hij glimlachte en deed wat ze vroeg. Maar daarna begon hij voorzichtiger te blazen, zodat er een groeiende groep belletjes aan het stokje bleef hangen.

Het meisje zoog haar adem in. "Oh, wat mooi!"

"Kun je ook hele grote?" vroeg ze toen.

"Ik kan het proberen." Hij doopte het stokje weer in het sop en blies er heel langzaam op. Een grote zeepbel begon beetje bij beetje vorm aan te nemen. Hij groeide en groeide, en het meisje stond gespannen toe te kijken. Maar tenslotte kwam de bel toch los van het stokje, en samen keken ze hem na, hoe hij wegzweefde richting de muur. Een lichte windvlaag droeg de reuzenzeepbel omhoog, en hij verdween uit het zicht. Over de muur.

"Hoezo symbolisch," filosofeerde David bij zichzelf.

Maar het meisje vroeg zijn aandacht weer. "Hoe heet jij?"

"Ik heet David." Hij gaf haar de bellenblaas terug. "En jij?"

"Rani. Ik woon hier. Jij ook?"

David schudde zijn hoofd.

"Kom maar mee. Dan zal ik je laten zien waar ik woon."

Ze pakte vol vertrouwen zijn hand en trok hem mee naar één van de containerrijen. David zag nauwelijks verschil tussen de ene container en de andere, maar Rani scheen precies te weten waar ze wezen moest.

"Hier woon ik," wees ze, en ging hem voor naar binnen. Het was er benauwd en donker. De gesloten jaloezieën hielden wel de zon buiten, maar niet de warmte.

"Kijk. Hier slaap ik met Matu. Dat is mijn zusje. En onder ons slaapt mamma."

David knikte begrijpend en keek eens rond. Drie benauwend lage stapelbedden stonden in de kleine ruimte. Verder een wankel tafeltje en een paar stoelen. Alles was keurig schoon en opgeruimd, dat wel. En er hingen mooie plaatjes uit tijdschriften aan de wand, opgeprikt met punaises. Rani´s moeder had de hoop duidelijk nog niet laten varen.

"En wie slapen er dan in die andere bedden?" vroeg hij.

"Twee grote jongens," vertelde Rani. "Farid en Ahmed. En hun pappa en mamma. Maar ik vind ze niet zo aardig." Een schaduw vloog over haar gezichtje. "Eerst woonden hier een andere pappa en mamma. Met twee meisjes: Hanna en Samira. Maar die moesten alles inpakken en toen zijn ze weggebracht..."

David knikte. Die waren dan waarschijnlijk naar hun land teruggestuurd...

"Kom jij ook hier wonen?"

Hij schudde zijn hoofd. "Ik woon al ergens anders. Ik ben een dokter, dus ik moet dicht bij het ziekenhuis wonen."

Rani knikte bedachtzaam. "Het is ver weg, hè? Het ziekenhuis."

David knikte.

"Dat zegt mamma. Mamma ging ook dokter worden. Maar toen kwamen de soldaten en namen haar mee. En toen kwam ik en toen Matu, en toen gingen we stiekem weg. Met het vliegtuig."

Hij knikte nog maar eens, en blikte toen op zijn horloge. Tijd om te beginnen.

"Dank je wel voor wat je allemaal hebt laten zien," zei hij met een lastige brok in zijn keel. "En ook bedankt dat ik met je bellenblaas mocht. Maar ik moet nu weer terug. De zieke mensen helpen."

Rani knikte. "Dat doen dokters. Mensen beter maken."

Hij streek over haar keurig gevlochten kroeshaar en ging weer naar buiten, waar het helle zonlicht hem even verblindde.

Rani dook direct naast hem op. "Wacht. Ik loop nog even met je mee, goed?"

Vertrouwelijk legde ze haar hand weer in de zijne en huppelde vrolijk naast hem voort.

"Later word ik ook dokter," vertrouwde ze hem toe toen ze bij het geïmproviseerde kliniekje kwamen. Er stonden alweer tientallen mensen te wachten. "En dan ga ik ook alle mensen beter maken. Net als jij." Ze lachte naar hem op. "Dag!"

Ze trok haar hand uit de zijne, zwaaide vrolijk en rende terug naar het zandplein. David keek haar na. "Lichtje in de duisternis," mompelde hij. "Bedankt, Rani. Dankzij jou kan ik weer verder vanmiddag."

"Zo doc, een verovering gemaakt?" plaagde Debbie toen hij naar binnen stapte.

"Eerder andersom: zeg liever dat zij mij veroverd heeft!" Hij lachte en ging zijn spreekkamer weer in. Ook daar was het nu drukkend warm door de brandende zon op het platte dak. Maar de gedachte aan Rani maakte dat hij er weer even tegen kon.

xxxxx

Even, ja. Want de middag was zo vol van gruwelijke verhalen en de meest uiteenlopende ziektebeelden dat hij op het laatst het gevoel had murw te zijn. Hij kon eigenlijk niets meer opnemen. Een jongetje met een enorm abces, een hand met misvormde, gemartelde vingers, een afgehakt oor, een gefingeerde blindedarmontsteking, verhalen in stenogramstijl, maar daarom niet minder aangrijpend, waarbij de machteloze wanhoop van de kampmedewerkers nauwelijks onderdeed voor de geschiedenissen van de asielzoekers...

"Je laatste patiënt, doc!" kondigde Debbie aan, en liet een hinkende jongeman binnen. David liep op hem toe en hielp hem op het bed te gaan liggen.

"Enkel! Gebroken!" bracht de man uit.

David fronste. Het zag er niet echt gebroken uit, maar... Voorzichtig liet hij zijn vingers over het gewricht gaan, over scheen- en kuitbeen, over de voetbeentjes...

Hij schudde zijn hoofd. "Kun je je tenen bewegen?"

De man spande zich in, maar er gebeurde niets. Toch vertrouwde David het zaakje niet; hij kon niet zeggen waarom. Hij boog de tenen zelf heen en weer; de man kreunde hartverscheurend.

"´t Is niet gebroken volgens mij," waagde David toch. "Probeer eens of je er op kunt staan?"

Hij wilde de jongeman overeind helpen, maar die maakte dat zo moeilijk mogelijk. "Dokter! Gebroken!"

"Kom eens overeind," herhaalde David. "Het ziet er niet bepaald gebroken uit. Hooguit verstuikt. Kunt u op het been staan?"

In een tel stond de man op zijn benen en greep hem bij zijn overhemd. "Gebroken, begrepen? Ziekenhuis!"

Op dat moment ging de deur open en Kate keek om de hoek. Met een geschrokken, verslagen blik liet de man hem los en hinkte langs haar heen naar buiten.

David haalde verlicht adem. "Dat was net op tijd, geloof ik..."

Ze knikte. "Wel, dat was het. Zal ik even helpen met opruimen? Als het een beetje meezit, zijn we nog voor half tien in de Crossing terug."

David knikte tam. Samen ruimden ze de spullen op en deden ze in de bestemde koffers en koelboxen.

Toen ze buiten kwamen stonden Maureen en Debbie al bij de jeep te wachten. David en Kate zetten de laatste dingen achterin, en toen werd het tijd om te vertrekken. Maar over de kale vlakte kwam nog een klein donker figuurtje aanrennen. "David! David! Wacht!"

Ze keken allemaal om. Daar kwam Rani aangehold.

"Voor jou," hijgde ze, en duwde hem een tekening in de handen. Een tekening van een gebouw met heel veel ramen, en achter elk raam een gezicht. Vier mensen stonden ervoor: één met een wit gezicht en drie zwarte gezichten.

"Dat ben jij," wees Rani. "En mamma en ik en Matu. En we zijn allemaal dokters. En dan gaan we de mensen in het ziekenhuis beter maken. En alle zieke mensen hebben bellenblaas. Dat is zo mooi om naar te kijken, hè?"

Verwachtingsvol keek ze naar hem op. David stond ontroerd naar de tekening te kijken, en Debbie keek met hem mee. Plotseling liet hij zich op zijn knieën vallen en trok Rani in zijn armen. "Heel erg bedankt, Rani. Ik vind het een prachtige tekening," zei hij schor.

Ze straalde. "Hang je hem dan op in je dokterskantoor?"

"Dat zal ik doen," beloofde hij. "Zul jij dan goed op jezelf passen?"

Ze knikte. "Tot de volgende keer!"

"Tot de volgende keer!" wensten ze alledrie, en toen stapten ze toch maar in. De poort begon al open te gaan, en Rani zwaaide hen met beide handen na tot de deuren achter hen dicht vielen.