Het begon al te schemeren toen ze opstegen van Glendorah. David had zijn geliefde plekje op de copilootplaats aan Kate gelaten, en was achterin de Nomad gaan zitten. Hij keek naar buiten. Hoe weids was toch de Australische Outback... Hoeveel ruimte, hoeveel duizenden, miljoenen, misschien wel miljarden hectare? Mijl na mijl geen huis te zien. Niemandsland. En toch was er geen plek voor mensen die elk hun eigen hel ontvlucht waren. Opgesloten in een kamp, met z´n zessen of zevenen op misschien tien vierkante meter. Wachtend op transport terug naar de hel, maar tegen beter weten in hopend op clementie. Op een beetje menselijkheid. En waarom? Waarom? Er was toch zeker plek genoeg!? Hadden die mensen soms minder recht op een leven dan hijzelf, geboren en getogen Australiër? Hij was toch niets beter dan zij?

Kate klom uit de cockpit en kwam naar hem toe. Haar gezicht stond bezorgd.

"David, heb je behoefte aan praten?"

Hij bleef naar buiten kijken, naar dat ruime, lege land, en schudde zijn hoofd. Nu niet. Nog niet.

Kate bleef hem even aankijken. "Als je wilt, dan kom je maar, okay?"

Hij knikte vaag. Kate ging terug naar Debbie. En hij keek. Naar dat uitgestrekte land, dat in al zijn leegheid een aanklacht was tegen dat wat hij vandaag gezien had. En hij vroeg zich af of hij ooit weer zo zuiver van zijn land zou kunnen houden. Mooi land, dat zeker.

"Maar voor de mensen die we als onze leiders gekozen hebben is een asielzoeker, een mens in nood, niet meer dan een... een lastige vlieg. Die wil je ook zo gauw mogelijk je huis uit hebben," schamperde hij in gedachten. Was dat de zo hoogstaande westerse beschaving? Dan schaamde hij zich diep dat hij daar deel van uitmaakte...

Het was laat toen ze in Coopers Crossing terug kwamen. David had de hele vlucht geen woord gezegd, maar nu laadden ze alledrie zwijgend de spullen in de auto. Ze waren allemaal moe, en in meer of mindere mate geschokt door wat ze die dag hadden meegemaakt.

Kate reed hen naar de basis. Daar laadden ze alle koffers en koelboxen uit en brachten die naar binnen alvorens op huis aan te gaan.

Geoff kwam hen al tegemoet zodra ze binnen kwamen.

"Hoe was het?" vroeg hij in het algemeen, maar zijn ogen zochten David.

"Verbijsterend en onmenselijk," antwoordde die kort.

Geoff knikte bedachtzaam. "Het spijt me, David. Ik had je hier niet zo onvoorbereid naar toe mogen sturen. Het is mijn fout; ik dacht er niet bij na gisteravond."

David keek hem aan, maar gaf geen antwoord.

"Ik weet het, David," vervolgde hij zacht. "Ik ben er ook geweest; ik heb Chris´ en Kates verhalen gehoord... Het is mensonwaardig wat daar gebeurt, maar..."

"Maar waarom doen we daar dan niets aan, verdorie!" viel David plotseling woedend tegen hem uit.

"We doen wat we kunnen, David," zei Kate. "Meer kunnen we niet."

"Maak dat de kat wijs!" mompelde David opstandig. "Dat is puur laksheid. Als je iets wìlt doen, dan kun je het ook."

"Behalve als je het niet mag," voegde Geoff er nadrukkelijk aan toe. "Wij hebben stricte orders inzake de service aan deze mensen. Die interpreteren we al zo ruim mogelijk om hen toch zo goed mogelijk te kunnen geven wat ze nodig hebben. Meer kunnen we niet, David! Wij kunnen op ons eentje niet de wereld veranderen, hoe graag we dat ook zouden willen."

"Daarover verschillen we dan van mening," meende David kortaf.

Geoff legde een hand op zijn schouder. "David, je bent afgedraaid. Ga naar huis en zorg dat je wat rust krijgt. Morgen praten we verder. Maar laat het eerst even bezinken."

David zuchtte gelaten. "Is Chris er morgen? Er zijn een aantal patiënten die ik graag even met haar door zou nemen."

Geoff knikte. "Chris neemt jouw spreekuur waar morgenochtend. Als compensatie voor de lange dag vandaag hoeven jullie pas om één uur te beginnen."

David knikte. "Welterusten dan." En hij liep naar buiten de donkere avond in, en gooide de deur achter zich dicht.

Ze keken hem na.

"Ik denk niet dat die een erg goede nachtrust zal hebben," zei Debbie droog. "Nou, ik ga ook maar eens. Sluiten jullie af?"

Geoff knikte. "Welterusten."

Toen Debbie weg was sloeg Kate haar armen om Geoffs hals. Hij trok haar troostend tegen zich aan. Een tijd lang zeiden ze niets. Geoff wist onderhand dat de aanblik van een zo groot gemis aan geborgenheid Kates eigen behoefte daaraan plotseling verveelvoudigde.

"Ik maak me zorgen over David," begon Kate uiteindelijk te vertellen. "Hij is diep geschokt door wat hij vandaag gezien heeft, maar erover praten wil hij niet."

"Laat hem maar even," antwoordde Geoff, en hij ging met zijn hand door haar haren. "Hij zal toch met zichzelf in het reine moeten komen, en hij is van nature al meer een binnenvetter dan jij bijvoorbeeld. Je kunt hem niet tot praten dwingen als hij niet wil." Hij kuste haar voorhoofd. "Je kent David. Hij is jong en idealistisch, dat weet je. Het onrecht dat hij nu gezien heeft maakt hem opstandig, en dat is logisch. Misschien is het maar goed ook, anders zou er in de wereld nooit meer iets ten goede veranderen. Maar hij moet nog leren dat je niet alles naar je hand kunt zetten; hoe graag je dat ook zou willen. Als hij behoefte voelt om erover te praten, komt hij heus wel."

"Misschien heeft hij gelijk. Misschien moeten we er inderdaad wat aan doen," was Kates zachte weerwoord.

Geoff knikte. "Misschien wel. Maar niet vanavond nog. Wij gaan naar huis, want jij bent ook afgedraaid zo te zien."

xxxxx

David liep door de avondkoelte langs de donkere, stille hoofdstraat. Alleen uit de richting van de pub kwamen geluiden van menselijk leven; de rest van Coopers Crossing scheen uitgestorven. Maar naar de pub wilde hij niet. Voor biertjes en borrelpraat was hij bepaald niet in de stemming.

Hij schopte tegen een steentje en huiverde. Die mensen in de pub, de mensen in Coopers Crossing... wat wisten zij eigenlijk van de onmenselijke wreedheid die hun eigen regering beging tegenover weerloze medemensen? Of kon het ze gewoon niet schelen?

Hij stond stil en dacht er even over na. En kwam tot de slotsom dat ze het waarschijnlijk niet wisten. Net als hij, tot vandaag. Zou hij het ze kunnen vertellen? Zouden ze er samen niet iets aan kunnen veranderen? Want wat dat betreft had Geoff wel gelijk, hoezeer diens ´meer kunnen we niet´ hem ook tegenviel: in zijn eentje zou hij weinig kunnen uitrichten. Maar als bekend zou worden hoe de regering met die mensen omging, dan zou het hele volk daar toch wel tegen in opstand komen! Zo onverschillig konden de mensen toch niet zijn, dat ze dat gewoon maar accepteerden? Of zou men onder invloed van de publieke opinie vinden dat die asielzoekers - bedelaars, misdadigers en gelukzoekers - hun verdiende loon kregen?

Bedelaars, misdadigers en gelukzoekers... Dat laatste misschien. Hij dacht aan Rani, aan Django, aan Azima, aan al die anderen die hij vandaag ontmoet had. Bedelaars? Misdadigers? Nee! Mensen die het gewaagd hadden alles achter zich te laten, om een nieuw en beter leven op te bouwen in een land waar vrede heerste. Ver van oorlog en vervolging en mishandeling en wat hem nog meer ter ore gekomen was vandaag. Wie had het recht hen dat te misgunnen? Niemand toch zeker!

Zijn gedachten vlogen terug naar die vrouw. Haar naam wist hij niet eens. Ze was huilend binnen gekomen, en had hem haar zoontje in de armen geduwd. Hij had gedacht dat er iets met het jochie was, maar dat was niet zo. Wanhopig had de vrouw hem duidelijk gemaakt dat ze morgen onder escort teruggestuurd zou worden naar haar land. En dat ze het haar zoontje wilde besparen om op te groeien in een schuilkelder, wachtend op verraad om te eindigen voor het vuurpeloton. Voor zichzelf zag ze geen hoop meer, maar als hij haar zoontje het kamp uit zou smokkelen en in een pleeggezin zou kunnen onderbrengen, dan zou het kind in ieder geval in vrede kunnen opgroeien...

Hij sloot zijn ogen. Hij beschuldigde Geoff wel van laksheid, maar was hij zelf zoveel beter? Hij had het niet aangedurfd, hij had geprobeerd te troosten, maar het jongetje had hij niet mee willen nemen. Bijna apathisch had de moeder haar kind weer meegenomen toen haar duidelijk werd dat hij haar niet kon of wilde helpen haar kind te redden. Hij zag nog haar ogen voor zich. Zou hij die ooit kunnen vergeten? Als dat jochie straks voor het vuurpeloton zou komen te staan, was dat in zekere zin zijn schuld...

Hij huiverde.

"Hallo David," klonk het ineens.

Hij schrok op, en zag dat hij tegenover Annika stond. Ze nam hem aandachtig op.

"Zware dag gehad?"

Hij knikte, slikte toen. "Annika, zijn er in Nederland ook asielzoekers?"

"Massa´s," antwoordde ze. "Zeker tien- à twintigduizend per jaar."

"En..." Hij slikte moeilijk. "Hoe worden die behandeld? Als mensen die een leven in vrede zoeken? Of...?"

"Niet zo best, voor zover ik weet. Jarenlange wachttijden, beroerde huisvesting, een verbod om te werken..." Weer die oplettende blik. "Hoezo? Heb je met asielzoekers te maken gehad vandaag?"

Maar David voelde plotseling de tranen over zijn wangen stromen, en hij draaide zich om.
O God, laat dit een boze droom zijn, een nachtmerrie... Zo gáán mensen niet met elkaar om!

Hij veegde de tranen weg, haalde zijn hand door zijn haar... Zijn schouders schokten van het ingehouden snikken.

Een zachte aanraking van zijn arm. Daar stond Annika. Met iets van begrip en van medeleven, en... Hij klemde zich aan haar vast, huilde geluidloos op haar schouder. Ze zei niets; ze hield hem alleen maar vast.

Na een paar minuten liet hij haar los en veegde de tranen uit zijn gezicht. "Sorry."

"Het geeft niet," zei ze rustig. "Een vriendin van me heeft een paar jaar op een school voor kinderen van asielzoekers gewerkt. Ze heeft er uiteindelijk mee moeten stoppen omdat ze het niet meer aan kon zien hoe die mensen de vernieling ingejaagd werden. Dus dankzij haar verhalen kan ik me een beetje indenken hoe je je voelt."

Ze zwegen even.

"Annika," kwam David toen aarzelend, "zou je wat voor me willen doen?"

Ze knikte. "Altijd."

"Zou je... zou je een uurtje met mij mee naar huis willen komen? Dat ik het even een beetje van me af kan praten? Ik bedoel: Kate heeft Geoff, en Debbie woont bij Chris in huis, maar ik heb niemand..."

xxxxx

Even later zaten ze dus bij David thuis in de keuken. David had koffie gezet, en toen Annika hoorde dat hij nog amper gegeten had die avond smeerde ze uit eigen beweging maar een paar boterhammen voor hem. Nu zaten ze zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel.

Annika wachtte af. Maar David, die ineens ontdekt had dat zijn maag rammelde, deed zich vooralsnog tegoed aan de boterhammen en leek het hele doel van haar aanwezigheid vergeten te zijn. Maar toen hij zijn lege bord in de gootsteen zette, stond hem ineens het beeld van het restaurant waar ze die middag gegeten hadden weer voor de geest, en met een klap was hij weer terug in Yara Yara.

"Goeie genade, hier zit ik te schransen, terwijl ze daar..."

Hij liet zich weer op zijn stoel zakken en steunde zijn hoofd in zijn handen.

"Vertel maar," moedigde Annika hem zachtjes aan.

Maar hij schudde zijn hoofd. "Ik geloof niet dat ik het duidelijk kan maken. Als je dit niet zelf gezien hebt..."

"Probeer het toch maar; daar ben ik tenslotte voor gekomen," antwoordde ze, en hij keek op, recht in haar ernstige gezicht.

"Dat kamp, dat is een hel op aarde," begon hij geëmotioneerd. "Ik had nooit gedacht dat mensen - westerse, zogenaamd beschaafde en ontwikkelde mensen - een ander zo konden behandelen! Zonder blikken of blozen! Je zou de hele regering en die hele Immigratiedienst daar eens een tijdje moeten onderbrengen, dan piepten ze wel anders!"

En toen volgde een chaotisch verslag van alles wat hem aangegrepen had die dag. De berusting van Django, maar ook het afgebrokkelde vingerkootje. De vrouw die morgen het land uitgezet zou worden en haar zoontje aan hem had willen toevertrouwen. En hij die dat geweigerd had. Over Azima die blind zou worden als ze niet gauw geopereerd werd. Maar opereren was verboden. Over de kille impertinentie van die Mrs. Thurlings van de Immigratiedienst. Over de blijheid die de kleine Rani nog kende. Over de slopende machteloosheid van de kampwerkers. Over de familie die jarenlang van hot naar her had moeten vluchten in hun land, en die gehoopt hadden in Australië een normaal leven op te bouwen. Maar ze hadden inmiddels te horen gekregen dat de Immigratiedienst geen reden zag om hen asiel te verlenen. Over hoe Madilena in een paar halve gebrekkige zinnen een wereld van leed voor hem had geschilderd. Over de jonge pacifist die geweigerd had in het leger te gaan en toen voor zijn leven had moeten vluchten. Over het meisje Esther, dat haar ouders en haar beide broertjes voor haar ogen had zien neerschieten. Nu was ze met haar oma naar Australië gekomen, maar of ze hier in alle rust mochten blijven was uiterst twijfelachtig. Over de jonge Afrikaanse arts, die op het nippertje aan de uitmoording van zijn dorp was ontkomen. Maar hij had zijn hele familie verloren. En over het wanbegrip van al deze mensen, dat er in zo´n groot, rijk en dunbevolkt land als dit geen plaats voor hen was.

"Zo groot is dit land, zo uitgestrekt, zo léég!" betoogde hij. "Waarom kunnen die mensen hier niet blijven? Plek zat, ze zitten niemand in de weg! Maar nee: met al die ontwikkelde beschaving van ons zijn we bang onze welvaart te moeten delen! Stel je toch voor dat je een paar dollar minder krijgt! Stel je toch eens voor dat er nog meer buitenlanders komen! Alsof niet de hele blanke bevolking hier uit immigrantenafstammelingen bestaat!" Het sarcasme droop van zijn woorden. "Maar nee: we zijn bang om een beetje macht en invloed en welvaart te verliezen. En daarom sluiten we nieuwkomers maar op in iets dat aan concentratiekampen doet denken, en we weigeren hen het basisrecht van alle mensen: om ergens in vrede en veiligheid te kunnen leven. Laat die buitenlanders maar kreperen in hun eigen land, als wij er maar geen last van hebben..."

Hij zweeg bitter, en staarde op het gladde tafelblad. "En dan te weten dat ik daar al die jaren gewoon aan voorbij geleefd ben," vervolgde hij gekweld. "Dat ik dat niet heb geweten? Hoeveel mensen zijn er eigenlijk op de hoogte van die... die wantoestanden? Ik kan ze toch niet aan hun lot overlaten nu ik het weet?! Ik moet wat doen, wat dan ook! Ik moet wat doen, want dit kan niet, dit màg niet gebeuren!"

Het was even stil.

"David, je kunt niet alles weten," zei Annika toen zacht. "Je weet het nu, en dat is blijkbaar vroeg genoeg. Je bent nu wellicht in een positie dat je inderdaad iets voor die mensen kunt betekenen. Concentreer je dus daarop, en maak jezelf geen verwijten die in wezen kant noch wal raken. Daar schiet je niets mee op."

Hij keek haar aan. "Maar dat jochie dan? Ik had hem wellicht toch mee moeten nemen op de één of andere manier! Nu wordt hij morgen het land uitgezet en de hemel mag weten hoe het met hem afloopt!"

Maar Annika zei rustig: "David, je kunt niet alles. Je kwam - als ik het goed begrijp - vrijwel onvoorbereid in een heel moeilijke situatie. Je hebt voor die mensen gedaan wat je op dat moment mogelijk was. Ik denk niet dat je jezelf iets mag verwijten. Die noodkreet van die moeder zul je waarschijnlijk je leven lang niet meer vergeten, maar op dat moment kon je niet anders handelen. Je moest op dat moment beslissen. Ik zou zeggen: praat er eens over met je collega´s, of zij ook zulk soort dingen meegemaakt hebben. Jij bent toch niet degene die dit spreekuur doorgaans doet, begreep ik?"

"Nee, meestal doet Chris die clinic. Soms Geoff, geloof ik. Maar ze hebben nooit verteld wat... hoe het was."

"Ze vonden het misschien moeilijk om erover te praten," opperde Annika, en dat had hij zelf ook al bedacht. "Maar als het eigenlijk Chris´ clinic is, ga dan eens met haar praten morgen. Horen hoe zij zulke problemen hanteert."

"En hoe ze die Mrs. Thurlings hanteert," zuchtte David.

"En hoe ze die Mrs. Thurlings hanteert," knikte ze. "Maar neem nu niet teveel hooi ineens op je vork. In je eentje kun je de wereld niet hervormen. Je pakt gewoon aan wat er op je weg komt. Klein beginnen, zeg maar. Als het jouw taak is om dit op regeringsniveau aan te kaarten, dan vind je daar tezijnertijd heus nog wel gelegenheid voor."

Hij knikte langzaam, en keek haar aan. "Je bent een verstandige vrouw."

Ze glimlachte. "Ik maak je gewoon deelgenoot van mijn eigen ervaringen. Ook ik heb in mijn enthousiasme en verontwaardiging al verschillende keren mijn neus gestoten."

Hij glimlachte en begreep. Hier tegenover hem zat ook een idealist.

"Zou je bij me willen blijven vannacht?" vroeg hij toen ineens in een opwelling. Het idee om in zijn eentje die hele - naar alle waarschijnlijkheid slapeloze - nacht door te moeten, schrok hem ineens af.

Ze bleef hem aankijken. Ernstig, met iets van medeleven en iets van spijt. Maar ze zei niets, zodat hij tenslotte zelf zijn ogen neersloeg en mompelde: "Ach nee, natuurlijk niet. Vergeef me."

Ze knikte bijna onmerkbaar. "Ik mag je werkelijk heel graag, David. Maar dat gaat me vooralsnog wat te ver."

Hij zuchtte en keek op de klok. Bij enen was het. Hij stond op. "Ik zal je nog even wegbrengen. Niet dat de straten van Coopers Crossing nu zo gevaarlijk zijn, maar..."

Annika keek ook op de klok. "Oei, ik hoop dat ik het hotel nog in kan!"

Maar David stelde haar gerust. "Vic en Nancy laten de zijdeur altijd open. Voor laatkomers. Dus maak je daar maar geen zorgen over."

Hij spoelde nog even vlug de koffiebekers om, en even later liepen ze door de stille straten van het slapende Outbackstadje. Hun voetstappen weerkaatsten hol tegen de gevels van de hoofdstraat. Ergens blafte een hond.

"Hier is het," wees David, en voerde haar mee een pad in dat langs de zijkant van de pub liep. Er brandde een lamp naast een donkere nis in de muur. Hij voelde aan de klink, en de deur week zacht piepend open. "Zie je wel? Maar dat Vic en Nancy je dat niet gewezen hebben!"

Annika haalde haar schouders op. "Ik heb er ook niet naar gevraagd. Dit is niet mijn normale tijd van thuiskomen."

Ze draaide zich naar hem om. Plotseling waren hun gezichten vlak bij elkaar. Ze hield haar adem in. Wat tsjirpten die krekels oorverdovend! David nam haar gezicht in zijn handen en boog zich langzaam naar haar toe. Zijn donkere ogen lieten haar niet los, maar zodra ze zijn lippen voelde sloot ze haar ogen en gaf zich helemaal aan hem over.

Een kus vol verlangen was het. Ze sloeg haar armen om hem heen; vaag voelde ze het opgewonden ritme van zijn hart. Of was het haar eigen? Hij kuste haar, begerig maar teder. Ze voelde zijn hand langs haar wang, de andere woelend door haar haren.

Plotseling besefte Annika waar ze mee bezig waren. Bevend maar beslist verbrak ze hun kus, en duwde hem terug. Hijgend stonden ze tegenover elkaar, geen van beiden wetend wat te zeggen.

"Het... het spijt me, David. Maar dit gaat me te vlug," wist ze uiteindelijk uit te brengen.

Hij keek haar aan en keek weer van haar weg. Zijn ogen leken zwart in het vage licht van de lantaarn. Hij wreef over zijn gezicht, keek haar aan, keek prompt weer van haar weg...

"Het spijt mij ook," zei hij toen zacht. "Je had al duidelijk gemaakt dat je dit niet wilde, dus..."

Ze schudde haar hoofd. "Niet zo. Niet na een vriendschap van twee dagen. Als ik me aan iemand geef, dan... dan wil ik dat het voor altijd is."

Ernstig keek hij haar aan, en knikte toen langzaam. "Je hebt nog gelijk ook. Dan zal ik geduld hebben."

Hij kwam weer op haar toe, nam haar gezicht in zijn handen en drukte een zachte kus op haar voorhoofd. En toen nog één, voorzichtig, op haar lippen.

"Je bent lief, Annika. Slaap lekker. En bedankt voor vanavond."

Hij liet haar los en het volgende ogenblik was hij al door het duister opgeslokt.

Verbijsterd leunde Annika tegen de muur. Die kus... Wàt had hij gezegd? `Dan zal ik geduld hebben´?! Bedoelde hij... Ze voelde zich licht in haar hoofd worden. Zou David...? Maar dat kon toch niet, na twee dagen! Maar waarom voelde ze zichzelf zo licht en blij van binnen dan? Het kon toch niet dat...?

Ze haalde eens diep adem en legde haar handen tegen haar gloeiende wangen.

"Stel je niet aan," mompelde ze. "Wat ken je die jongen nou helemaal, en hij jou? Het zal wel aan de omstandigheden te wijten zijn dat we onszelf zo vergaten."

Ze zuchtte, draaide zich om, en ging naar binnen. Maar helemaal tevreden met die verklaring was ze toch niet...

(wordt vervolgd)