Terug in Coopers Crossing voelde David direct weer de beklemming van Annika´s verdwijning op zich vallen. Of zou ze al terecht zijn? Maar hij moest zich nu eerst concentreren op zijn patiënt, hoe moeilijk dat ineens ook weer was.
Ze reden met de ambulance naar het ziekenhuis, waar Chris hen al opwachtte. Hij had Gregory´s kwetsuren over de radio al met haar doorgesproken, dus de jongen kon meteen doorgereden worden naar de röntgenkamer.
"Gaan jullie me nou helemaal fotograferen?" vroeg hij. Hij begon duidelijk weer wat helderder te worden.
Chris knikte. "Gewoon even voor de zekerheid. We hebben nu eenmaal geen röntgenogen waarmee we de botten dwars door je huid kunnen zien."
De jongen onderging het gelaten. "Het begint weer meer pijn te doen," meldde hij zacht.
"Ja, die pijnstiller zal wel ongeveer uitgewerkt zijn," knikte David. "Wat doen we, Chris: mag hij er nog één, of...?"
Chris schudde haar hoofd. "Beter van niet, met de operatie zo dadelijk. Gregory," wendde ze zich nu tot de jongen, "ik moet je dadelijk in ieder geval aan je been opereren. Je botten moeten goed tegen elkaar gezet worden, maar omdat je been op meerdere plaatsen gebroken is, zal ik het bot vast moeten zetten. Begrijp je?"
Gregory knikte. "Ik krijg toch wel narcose, hè?"
"Natuurlijk, wat dacht je dan!? Je merkt er niks van: je valt gewoon in slaap en als je wakker wordt zit je been keurig in het gips!"
"Moet ik in het ziekenhuis blijven?"
Chris knikte. "Het ziet er naar uit dat je hier de eerste weken nog niet weg bent."
Gregory zuchtte voorzichtig. "Mooi. Voorlopig even geen school dus."
En daar moest Chris hartelijk om lachen: "Dat is de spirit: altijd de positieve kanten zoeken!"
Even later stonden David en zij samen in de fotokamer.
"Het ziet er naar uit dat ´ie heel veel geluk gehad heeft," zei Chris zacht. "Dat been is hij wel even mooi mee, maar de wervelkolom is helemaal intact." Ze zuchtte. "Eerst maar even naar zijn ouders; daarna zal ik hem opereren."
David liep met haar mee naar de wachtruimte waar de familie Jaspers zat. Vader Jaspers sprong meteen overeind toen hij hen zag. "En?"
"Het valt allemaal reuze mee," stelde Chris hen direct gerust. "De wervelkolom is helemaal intact, dus Gregory is er heel goed afgekomen. Hij heeft natuurlijk wel die gecompliceerde beenbreuk, drie gekneusde ribben en een scheurtje in het rechtersleutelbeen, maar normaliter zou dat zonder problemen moeten genezen. Dat been moet ik hem dadelijk wel aan opereren om de beenderen vast te zetten, maar dat is niets om u zorgen over te maken. De prognose is volledig herstel."
"Dank u, dr. Randall," verzuchtte Gregory´s moeder. "En u natuurlijk ook, dr. Ratcliffe."
"Mogen we hier blijven om de operatie af te wachten?" vroeg Mark Jaspers.
"Natuurlijk. Ik zal u straks direct laten weten hoe het gegaan is," beloofde Chris.
Ze liepen met z´n tweeën naar de receptie, en Chris merkte op: "Je ziet er moe uit, David. Ga naar huis, zou ik zeggen! Je dienst zit erop; Kate en ik kunnen dit verder wel afhandelen."
Hij zuchtte. "Ja. Dan kan ik eindelijk eens serieus op zoek naar Annika..."
"Annika?" reageerde Chris verbaasd. "Wie is dat?"
"Onze Flying Doctors-toeriste," verduidelijkte David. "Heb je haar nog niet ontmoet?"
Ze schudde haar hoofd.
"Ik heb haar vanochtend nog gesproken voor ik naar jou toe ging. Maar sindsdien is ze spoorloos verdwenen. Of misschien is ze inmiddels alweer opgedoken. Laten we het hopen... Jack schijnt te denken dat ze iets met die inbraak bij Toni Patterson te maken heeft."
"´t Klinkt avontuurlijk," moest Chris toegeven. "Dan hoop ik maar voor je dat ze weer opgedoken is."
Hij zuchtte en hing zijn witte jas weg. "Dat hoop ik ook. Nou, tot morgen."
Hij stapte naar buiten en liep regelrecht naar de pub. Het begon al donker te worden. Hij spande zijn kaken. Als ze nog niet terecht was, dan...
Hij ging de pub binnen en zag tot zijn verrassing Jack aan de bar zitten met een broccolipie voor zich. Hij schoof naast hem aan. "Hoi Jack. Hoe gaat het met je onderzoek? En is Annika alweer terecht?"
Jack schudde zijn hoofd, en David voelde zich verkillen. "Het spijt me, David, voor jou en voor mij, maar ik heb haar nog niet gevonden."
Nancy, die achter de bar glazen stond om te spoelen, keek bevreemd op. "Annika? Is die zoek dan?"
David vertelde wat hij wist.
"Dat is inderdaad vreemd," zei Nancy peinzend. "Nee, ik heb haar ook niet meer gezien sinds ze vanmorgen de straat uit rende."
David en Jack staarden haar aan.
"Hoe laat was dat?" wilde Jack weten.
"Ja, ik weet niet. Half tien ongeveer, denk ik."
"Waar ging ze heen?" vroeg David gespannen.
"De hoofdstraat af, die kant op. Maar ik heb er niet op gelet waar ze heen ging. Maar haast had ze wel."
David sloeg met vlakke hand op de bar. "Zie je nou wel!"
Maar Jack legde een hand op zijn arm. "Kalm aan, jij! Nancy, vertel eens precies wat je gezien hebt. Denk goed na; elk detail kan belangrijk zijn."
Nancy keek van de één naar de ander. "Nou, eh... Ze heeft eerst een hele tijd in het theekoepeltje gezeten. Eerst alleen, later met jou samen," knikte ze naar David. "Maar toen ik buiten kwam om de veranda te vegen was er niemand meer. Zo leek het ten minste. Maar even later zag ik haar plotseling het koepeltje uitspringen en er vandoor gaan. Ze moet zich er haast verstopt hebben, anders had ik haar toch moeten zien zitten... Ik groette haar toen ze wegliep, maar ik geloof niet dat ze het hoorde."
"En ze ging die kant uit langs de hoofdstraat," wees Jack.
"Ja. En een haast dat ze had! Het was nog net geen rennen wat ze deed, maar het scheelde niet veel."
"Nancy, denk goed na," zei Jack nu. "Heb je toen je de veranda aan het vegen was ook een brommer gehoord misschien? Ongeveer dezelfde tijd dat Annika uit dat theekoepeltje wegrende?"
Nancy dacht na, maar schudde uiteindelijk haar hoofd. "Het spijt me, Jack. Dat zou ik werkelijk niet meer weten."
"Bedankt, Nance. Die pie eet ik straks wel verder op!"
Jack liet zich van zijn kruk glijden, zette zijn pet op en trok David met zich mee. "Jammer dat ik dit verhaal nu pas hoor," zei hij terwijl ze naar de politiepost holden. "Maar het is de moeite waard om nog even te gaan kijken."
Ze sprongen in de politiejeep en Jack scheurde de hoofdstraat door. Even buiten het dorp zette hij de wagen aan de kant van de weg en greep twee sterke zaklantaarns van de achterbank.
"Hier ongeveer leidt een gemaskeerd brommerspoor door het kreupelhout naar de kreek," vertelde hij David. "Bij de kreek splitst het spoor zich, en één spoor lijkt met opzet zogenaamd uitgewist te zijn. Er lopen daar verschillende sporen, en bij één daarvan vond ik bloedvlekken. En nog niet zulke oude bloedvlekken."
David klemde zijn tanden op elkaar. "Denk je...?"
"Het is mogelijk," bevestigde Jack zijn onuitgesproken gedachten. "Maar de vraag is: waar hebben ze haar dan gelaten?"
David huiverde.
"Als we die plaats met de bloedvlekken als uitgangspunt nemen en die sporen nòg eens onderzoeken...?" stelde Jack voor. "We hebben nu redelijke aanwijzingen dat Annika ergens achteraan is gegaan." Hij zuchtte. "Altijd die mensen die op eigen houtje detectiveje willen spelen..."
"Ze wist misschien niet eens dat er politie was in Coopers Crossing," verdedigde David haar.
"Nou ja, maar... Nee, kom eerst mee. We verdoen hier onze tijd."
Ze stapten uit en Jack liet zijn lantaarn over de berm spelen. Het duurde even voor hij het spoor terugvond, maar daarna haastten ze zich met z´n tweeën over de kleine vlakte en daarna door het kreupelhout.
"Kijk," wees Jack toen ze op de oever stonden. "Daar gaan verse sporen, maar stroomopwaarts is er duidelijk geprobeerd een spoor uit te wissen. Die kant moeten we op."
Hij ging zelf voorop. Jack vond zonder moeite de plek met de bloedvlekken terug. In het lantaarnlicht leken ze zwart.
David slikte en kwam overeind. "Annika?!" Zijn stem klonk schril in de avondlijke stilte. Maar er kwam geen reactie. Paniekerig keek hij om zich heen. "Wat hebben ze met haar gedáán, Jack?"
Jack kwam ook overeind. "Dat gaan we juist uitzoeken. Ik stel voor dat we eerst hier de boel uitkammen. Een stuk in elk geval. Blijf dicht bij me, dat we elkaar niet kwijtraken."
Ze begonnen in steeds grotere cirkels de bosjes rond de plek met de bloedvlekken af te zoeken, maar het resultaat was nihil.
"En die andere sporen? Waar gaan die heen?" vroeg David toen ze weer op hun uitgangspunt terug waren.
"Het ene spoor gaat een eindje verderop het kreupelhout in. Het andere loopt dood op een rotsig deel van de oever," vertelde Jack.
"Laten we dat dan eerst maar eens bekijken," zei David strak, en hij liep terug naar de oever.
De maan was opgekomen en zette de omgeving in een sprookjesachtig licht. Maar David en Jack letten er niet op; ze haastten zich verder.
"Annika!" riep David nog eens, maar het enige antwoord kwam van een droevige uil.
"Kijk," wees Jack. "Hier buigt een spoor af naar de bosjes. Dit spoor langs de oever loopt na een meter of dertig dood op de rotsgrond. Ik heb er nergens een voortzetting van kunnen vinden vanmiddag."
David tuurde over het maanlichte water. "Misschien zijn ze de kreek overgestoken?"
"Dat is mogelijk," gaf Jack toe. "Maar waar is die brommer dan? De kreek is te diep momenteel om die met een brommer over te steken."
David beet op zijn lip. Het zag er betrekkelijk hopeloos uit, maar hij wilde niet opgeven.
"Ga jij die kant op dan, dan volg ik de kreek verder," stelde hij voor.
Jack ging ermee akkoord, en zo kwam David een eindje verder bij de rotsgrond waar het spoor doodliep. De grotten konden niet ver meer zijn, al kon hij zo niet inschatten hoe ver.
Hij tuurde over het water en liet het licht van zijn lantaarn over de tegenoverliggende oever glijden. Maar daar was niets anders te zien dan stenen, zand en kreupelhout. Een rilling liep over zijn rug. Dat water... Nee, daar wilde hij niet aan denken!
Hij hurkte neer. Aan de kant was de kreek niet diep; daar stond misschien twintig centimeter water, zag hij. Er ging een lampje bij hem branden. Als die onverlaten in hun jeugd dezelfde boeken hadden gelezen als hij, konden die natuurlijk ook op het idee gekomen zijn een stuk door het water te waden om geen sporen achter te laten! En die rotsgrond hier was natuurlijk de beste plek om dan het water in te stappen!
Hij kwam overeind en begon de oever verder te volgen. Ze hadden er tenslotte ook weer uit moeten komen!
De rotsgrond maakte weer plaats voor zandgrond, maar sporen vond hij niet. Voor hem doemde het heuveltje met de grotten op, en de grond werd weer stenig. Hij begon steeds minder zeker van zijn zaak te worden. Hoe lang had hij onderhand al niet gelopen?
Hij bleef staan en stapte op een rotsblok. Niets anders te zien dan kreupelhout, de kreek, zand, stenen en de donkere opening van die grotten, beschenen door toverachtig maanlicht. Hij slaakte een zucht. Dit had geen zin. Ze zouden moeten wachten tot het dag werd.
Nog één keer zette hij zijn handen aan zijn mond. "Annika!"
Niets. Het gemurmel van de kreek, een vaag geluid van... ja, van wat? Hij riep nog eens "Annika" en luisterde scherp. Een geluid dat hij niet thuis kon brengen. Het kwam uit... uit de richting van de grotten!
Hij stapte van zijn rotsblok en liep naar de opening. Hij liet het lantaarnlicht naar binnen schijnen. Niets dan rots.
"Annika?!"
Ja... ja! Nu hoorde hij het toch duidelijk: een onverstaanbaar, misschien wel gesmoord antwoord! Hij slikte dapper en ging gebukt het rotshol in. Het licht liet hij om zich heen spelen. Niets dan stenen, zand en gruis. Maar er waren een paar donkere openingen in de wand. Die gingen naar dieper liggende gewelven; dat had Sam hem ooit verteld. Die had hem hier wegwijs willen maken, maar met zijn claustrofobie had hij vriendelijk maar beslist voor dat genoegen bedankt. En nu was hij er toch...
Hij keek eens om naar de ingang. Een iets minder donkere plek in het duister. Hij hurkte neer en probeerde zijn veel te snelle ademhaling onder contrôle te krijgen. Toen dat een beetje gelukt was probeerde hij zijn stem opnieuw: "Annika? Ben je hier ergens?"
Opnieuw een gesmoord geluid; het kwam uit die meest rechtse opening!
David vergat zijn angst en snelde gebukt in de richting waar het geluid vandaan was gekomen. De opening verbreedde zich tot een grot, en daar in de hoek lag Annika! Gekneveld en gebonden, dat wel, maar levend!
David viel op zijn knieën bij haar neer en trok de doek voor haar gezicht weg. Ze had een voddige lap in haar mond die ze probeerde uit te spuwen; hij bevrijdde haar er snel van.
"M´n handen! Ik heb er geen gevoel meer in!" steunde ze.
Hij trok haar overeind in zittende houding en zag meteen wat ze bedoelde. Haar polsen waren op haar rug bijeengebonden met een leren riem die zich diep in het vlees gesneden had, en haar handen waren dik en gezwollen.
"De schoften," mompelde hij terwijl hij met nerveuze vingers aan de strakke knoop peuterde.
Maar dit duurde te lang; hij zag niet goed wat hij deed en hij was te nerveus. Hij graaide in zijn zak naar zijn zakmes. Daarmee probeerde hij de riem door te snijden. Een paar keer schoot het mes uit op het taaie leer, maar uiteindelijk lukte het.
Annika slaakte een kreet van pijn. Onmiddellijk liet David het mes vallen en sloeg zijn armen om haar heen.
"Stil maar. Het is goed dat het pijn doet. Dat betekent dat de circulatie weer op gang komt, en dat je handen in elk geval nog niet dood zijn."
Annika barstte in snikken uit en hij trok haar tegen zich aan. "Stil maar. Huil maar even, dat zal je goed doen. Het komt allemaal goed. Je bent veilig," troostte hij wat chaotisch.
Troostend streelde hij haar rug en streek hij door haar verwarde haar. Er zat opgedroogd bloed aan haar achterhoofd, voelde hij. Wat hadden die... die schoften met haar gedaan?!
Toen ze wat begon te bedaren liet hij haar los en pakte voorzichtig haar handen. De zwelling leek al minder te worden, maar goed zag het er nog niet uit.
"Mijn voeten ook," hikte Annika, en nu pas zag hij dat ook haar enkels bij elkaar gebonden waren. Gelukkig niet zo strak als haar polsen... Met een paar halen sneed hij ook die riem door. De tranen sprongen weer in haar ogen.
"Rustig aan. Blijf nog maar even zitten," zei hij zacht, en wreef voorzichtig haar enkels. "Heb je nog ergens pijn? Behalve je handen?"
"M´n hoofd," fluisterde ze. "Ik kreeg een klap op mijn hoofd, en daarna weet ik niets meer. Toen werd ik hier wakker, en... Wat voor dag is het vandaag?"
"Woensdag."
"Nog steeds? Ik heb het gevoel alsof ik hier dagen gelegen heb."
Hij schudde zijn hoofd. "Een uur of twaalf zal het geweest zijn. Vanochtend om een uur of half tien ben je uit het dorp verdwenen, en het is nu..." Hij keek op zijn horloge. "Bijna tien uur ´s avonds."
Annika fronste. "Ja, die twee bankrovers..."
"Maak je daar nou even niet druk over," maande David haar. "Dat vertel je straks maar aan Jack. We moeten eerst zien dat we jou hieruit krijgen."
"Wie is Jack?" wilde Annika weten.
"De plaatselijke politieman."
Annika knikte. "Die zal nog opkijken," beloofde ze.
David zuchtte. "Laat dat nou even rusten, wil je? Jouw gezondheid is even belangrijker dan die bankrovers. Wat denk je: kun je weer staan?"
Ze deed met zijn hulp een poging om overeind te komen, maar liet zich met een kreet van pijn weer terug vallen.
"David?" hoorden ze op dat moment bezorgd maar ver weg. "Is alles in orde?"
"Jack!" gilde hij terug. "In de grotten!"
Even later zagen ze een lichtbundel door de opening komen, en daar was Jack.
"Miss Annika? Ik ben Jack Carruthers van de politie," begroette hij haar.
"Aangenaam," antwoordde Annika beleefd, en toen kreeg ze ineens de slappe lach. "Alsof we bij elkaar op theevisite komen!" hikte ze, en de tranen liepen over haar wangen.
Jack en David keken elkaar eens aan. "Gewoon reactie op de doorstane spanning," oordeelde Jack, maar haar lachen was zo aanstekelijk dat hij van de weeromstuit mee begon te doen, en ook David voelde een niet te verbijten grinnik opkomen.
"Nou, kom op," zei hij uiteindelijk toen ze een beetje uitgelachen waren. "Hoe eerder we hier uit zijn, hoe liever het me is."
En zo, hangend tussen de tengere David en de forse Jack, verliet Annika haar onvrijwillige schuilplaats.
David slaakte een zucht van verlichting toen ze weer onder de nachthemel stonden. "Ik hoop maar dat je voorlopig je bekomst hebt van die grotten," mompelde hij. "Als je daar nu straks uit eigen vrije wil nòg een keer in gaat, moet je niet denken dat ik je kom redden!"
Jack zuchtte. "Annika, kun je lopen of moeten we je dragen? Het is een heel eind naar de auto."
Annika slaakte een zucht. "Als ik op jullie kan steunen, gaat het wel. Maar het doet goed zeer."
Jack knikte. "Anders haal ik de auto hierheen. David, hierachter moet ergens een ander pad naar de straat zijn. Ken je dat?"
David knikte. "Ik weet dat het er is, ja. Maar ik weet niet waar het begint."
Jack liet zijn lantaarn over de struiken dwalen. "Daar. Dat is het. Als jullie dat pad nu volgen tot waar het uit het kreupelhout komt, dan haal ik intussen de auto op en dan pik ik jullie daar op. Okay? Dat scheelt een heel eind lopen."
"Okay. Tot zo dan."
Jack verdween in het struikgewas, en David keerde zich weer naar Annika. "Zal ik je dragen, of lukt het wel? Ik weet niet hoe ver het is."
"Nee, het lukt wel, denk ik," gaf ze aan. "Als ik ten minste op jou mag steunen?"
Dicht naast elkaar strompelden ze zo voort over het donkere pad. Maar het ging steeds langzamer, en David vroeg opnieuw: "Gaat het nog, of...?"
"Jawel, alleen..."
Hij hoorde de pijn in haar stem, en gedecideerd bukte hij zich en tilde haar in zijn armen. "Eigenwijsje dat je bent."
Annika zei niets, maar sloeg een arm om zijn hals. Zo legden ze de laatste twintig meter af, en toen ze weer in het maanlicht stonden liet David haar voorzichtig weer op haar voeten glijden. Hij sloeg zijn armen om haar heen. "Leun maar op mij."
Ze sloeg haar armen om zijn nek. Zo dichtbij was haar gezicht... Hij zou haar weer willen kussen, net als... was dat pas gisteravond geweest? Maar hij beheerste zich, en beperkte zich ertoe haar aan te kijken.
"Bedankt, David," zei Annika zacht. "Ik sta bij je in het krijt."
Haar ogen leken violetkleurig, haar haren van zilver in het maanlicht. Hij zag de schrammen en de striemen niet, hij zag alleen de vrouw die hij in zijn armen had.
"Ik houd van je," fluisterde hij ontroerd.
Ze glimlachte voorzichtig. "Ik ook van jou. Geloof ik."
Maar op dat moment kwamen de koplampen van Jacks politiejeep om de bocht, en werd het magische ogenblik verstoord...
(wordt vervolgd)
