En hier is chapter 2!
En ik heb nog steeds de rum! yummie! ontwijkt jack en geeft Free een klap
Plannen
Ik hoorde gegil in mijn oor. Het deed pijn. Ik probeerde mijn ogen te openen, maar sloot ze onmiddellijk weer. Dat licht brand!
Ik voelde een klets in mijn gezicht. 'Sta op!' gilde een stem. 'Onmiddellijk! Ondankbaar kind!'
Voorzichtig ging ik rechtzitten en opende langzaam mijn ogen. Toen ze open waren keek ik recht in mijn moeders gezicht. Geen goed teken: ze zag rood van woede en was tegen mij, Sam en Free aan het gillen. Zij kregen ook een klets in hun gezicht.
'Hoe durven jullie! Ik had jullie gestraft, en jullie sluipen er gewoon weer tussenuit! Jullie zijn ondankbare kinderen, er altijd tussenuit glippen, net als jullie vader! Jullie zijn net zo erg als die achterlijke kwal, en ik maar mijn best doen om jullie goed op te voeden! Ondankbaar onderkruipsel,-'
Ik luisterde al lang niet meer. Mam zeurde er maar al te graag over pap die haar keer op keer achterliet en dat wij veel te veel op hem leken. Na een tijd lette je er niet meer op.
Ik keek rond. We lagen op het strand, dat recht voor ons huis lag. Blijkbaar hadden we een nieuw record bevestigd: normaal gezien geraakte we niet verder dan drie straten. Nu zijn het er al vijf. Alleen nog op dat laatste stukje over het strand oefenen, dus. Goed om te weten.
Zodra mam was uitgegild en zich met een ruk had omgedraaid, stond ik op. Free en Sam volgden al snel mijn voorbeeld. Sam rekte zich uit, en Free geeuwde.
'En, wat gaan we nu doen?' vroeg Sam.
Ik haalde mijn schouders op, en Free haalde het pendeltje boven. Ze hield het ondersteboven, maar er kwam niets uit.
'Niet veel, blijkbaar,' zei Free.
Iedereen zuchtte. Mistroostig staarde ik naar de zee. Er was niet te zien, enkel het blauwe water dat de zon weerkaatste. Ik zuchtte nog eens. Ik zou zo graag op zee willen zitten, hier in Tortuga is het ook zó saai. De eerste aantal keren dat je hier komt is het een hele belevenis, ja, maar daarna... Ik, Free en Sam wonen nu al onze hele leven op Tortuga en hebben nooit iets anders gezien dat hoeren, geile piraten en dronkaards. Akkoord, zelf kunnen wij ook de rum niet weerstaan, maar een kater hebben wij nooit. Hoogstens wat last van het licht.
Ik wist dat mijn zussen aan het zelfde dachten als ik: alle drie wouden wij zeilen, net als onze vader. Captain Jack Sparrow, die beroemder is dan de uitvinder van de rum. (Mens, wat ben ik die uitvinder dankbaar. Lang leve de rum!)
Het hoefde niet eens echt zeilen zijn. Gewoon, op een schip zitten, naar een onbekende, onbevochte plaats. Ergens waar er altijd wel wat te gebeuren viel, iets nieuws, verrassend. Op Tortuga mocht dat niet zijn. Het spectaculairste dat hier kon gebeuren was een klein brandje, en dat gebeurde eens om de zes maand. Af en toe dat er een stoer piratenschip aanmeerde, maar voor de rest…
'Aaaaahrg!' gilde ik het ineens uit. 'Ik kan er niet meer tegen! Ik wil hier weg! En dan wel nu!' Ik stond op en wachtte op wat Free en Sam gingen doen. Ook zij stonden op en we keken elkaar aan. Alle drie waren we vastbesloten dat we hier weggingen. Hoe? Een schip kapen, meer niet.
We begonnen plannen te smeden. Aangezien Free het beste kon acteren moest zij eerst terug naar binnen gaan en al het geld van mam jatten. Indien ze gevat zou worden, kon zij er zich nog uit praten.
Ik zou een schip moeten gaan uitzoeken in de baai. Een niet te groot schip, maar ook geen klein wrakhout. En het moest bestuurbaar zijn door drie mensen.
En Sam moest messen en rum uit de kroeg gaan stelen. Niets aan op dit uur. Het normalere volk op Tortuga sliep op dit uur, dus ze moest er waarschijnlijk alleen voor zorgen dat de geit z'n kop ging houden. 'En anders neem je hem maar mee,' zei Free, maar die gedachte praatte ik snel uit haar hoofd.
'Een geit op een schip? We zullen voor dat beest moeten zorgen, en geloof me, dan zul jij degene zijn die dat zal moeten doen.' Dus er kwam geen geit op het schip.
Iedereen vertrok naar zijn post. Sam naar de kroeg, na plechtig gezworen te hebben dat zij geen rum zou drinken zonder ons, Free met de belofte geen geld achter te houden naar huis, en ik naar de baai met gezworen te hebben een goed schip uit te kiezen.
Ik liep de haven in en liep langs de schepen. De eerste was te groot, de tweede reusachtig. De derde was een klein kuipje waar er amper een hond in kon zitten. De vierde was van goede grootte, maar het zeil zat vol gaten en de vijfde stond op de bodem. De zesde was, slik, een Royal Navy schip. Even dacht ik na wat ik het beste kon doen, en toen ik, dat, als we toch de titel piraat zouden krijgen, ik het gelijk goed kon doen.
Na een paar minuten klom ik van het Royal Navy schip af met een tevreden grijns. Die gastjes uit Port Royal zouden straks niet meer lachen. Ik liep terug naar het vierde schip en begon de gaten te stikken. Toch maar handig dat ik af en toe heb opgelet als mam iets aan het uitleggen was. En ze had gelijk: kunnen naaien is altijd handig. Alleen zou ze nooit dít in gedachten hebben gehad.
Juist toen ik gedaan had met naaien kwam Free aanlopen. Ze had twee grote pendels vol geld, dat kon je horen aan het gerinkel bij iedere stap. 'Hey!' zei ze vrolijk, en sprong in de boot. 'Is Sam nog niet terug?' vroeg ze.
'Nee,' antwoordde ik. 'Maar ze komt wel. Help eens even.'
Free schoot mij te hulp en samen maakte wij het schip vaargereed. We moesten enkel nog het anker uithalen.
Juist toen kwam Sam aanlopen. Nee, ze liep niet, ze rende, spurtte, naar het schip. Ze sprong erin en riep 'varen!'. Dus ik zo snel mogelijk het anker uithalen en beginnen varen.
'Kom onmiddellijk terug!' kon je een stem horen roepen. Verbaasd keek ik om en zag Commedore Norrington staan, samen met een tiental Royal Navy mensen. Blijkbaar had Sam ze proberen af te schudden.
De Royal Navy-soldaatjes kropen in hun boot en wouden ons achterna komen, maar dat ging niet.
'What the fuck!' riepen Free en Sam tegelijk uit. Ik grijnsde.
De Dauntless zag er niet uit. Aangezien ons zeil eerst vol gaten zat, had ik lappen stof uit hun zeil gehaald. Daarom was hun zeil net gatenkaas. Ook had ik de verleiding om een reusachtige doodskop op de vlag te schilderen ook niet kunnen weerstaan. En tot hun ergernis was het nog met roze verf ook! De hele Royal Navy ging één voor één onderuit: ik had namelijk het dek geboend, met enkel zeep, bruine, plakkerige, slipgevaarlijke zeep.
Ik en mijn twee zussen hadden de slappe lach. Ondertussen waren we ook al beginnen varen, en waren we nog uitgebreid aan het praten over Norrington die haast overboord was gevlogen.
'Dat was zooooo grappig,' zei Free vrolijk, terwijl ze de beweging weer nadeed. Ik en Sam lachten weer, en Free ging verder met een overdreven imitatie van Norry.
Vier dagen zaten we al op water. VIER DAGEN! Ik ben het zat, er is nog niets gebeurd. We hebben eergisteren besloten om niet doelloos rond e varen en we zijn nu op zoek naar de Black Pearl. Hellaas hebben we die nog niet gevonden, hebben we geen eten meer, en is de rum al twee dagen op! En Sam had twintig flessen mee! (God mag weten hoe ze die tot aan de boot heeft gekregen.)
'Ik verveel mij,' zeurde Free.
'Ik heb honger,' klaagde Sam.
'En de rum is op,' vervolgde ik.
We zagen eruit alsof we ieder moment in tranen gingen uitbarsten, tot plotseling:
'Kijk!' riep Sam luid! 'Kijk daar! We zijn gered!'
Ik en Free keken om. Daar was ze, de Black Pearl.
