Hallo mensjes… Het heeft een tijd geduurd. Helaas. Maar hier is weer een hoofdstuk, het eerste deel van de rechtszaak. Ik zeg 'het eerste deel' omdat er ook een tweede deel komt. Nee, shit? Maar goed, ik wil jullie niet ophouden en het is op 't moment ook niet echt nodig om extra ruimte te vullen omdat ik hem best lang heb gemaakt. Ik doe wel weer eens een disclaimer omdat dat goed is.

Disclaimer: ik disclaim. Het enige wat ik claim is Bella. En de rest disclaim ik. Dat is wel een beetje het idee van fanfiction, niet waar?

De deur ging open met een 'klik'. Niet het gebruikelijke geluid en daarom vreemd onheilspellend. Even onheilspellend als de man die de zaal betrad. Hij liet de juryleden stil vallen. De dementors hadden niet de invloed op hem die ze ook op andere verdachten hadden. Geen enkel invloed eigenlijk. En dat maakte dat men zag hoeveel macht hij eigenlijk bezat. Bella schoof ongemakkelijk heen en weer.

De minister was even stil, totdat hij weer tot zich zelf kwam. "Zet hem maar neer." De dementors deden wat hen gezegd werd. "De tovenaarsraad is vandaag bijeen om zich te beraden over het lot van deze verdachte. Bent u Marten Asmodom Villijn?" De man keek hem woedend aan. "Ik wordt liever Heer Voldemort genoemd."

Verder ging de rechtszaak en Bella merkte dat haar gedachten af dwaalden. Ze gingen naar het meisje dat op Zweinstein was. Zo kwam het dat de minister haar vier keer moest oproepen voordat ze ook maar enig besef had van de omgeving waarin ze zich bevond. "Ik roep juffrouw Bella van Detta als getuige op." Draco porde haar en ze stond op.

Bella nam plaats in de stoel naast die van de Heer van het Duister en ontdekte tot haar verbazing dat die haar niet vast bond. Grondig negeerde ze de uitroepen van haar vader. "Jij! JIJ! VERRADER VAN JE EIGEN BLOED!" Maar daar werd de Heer van het Duister niet stiller van. Alle pogingen van anderen om de man stil te krijgen stranden ook. Dus wende Bella zich uiteindelijk tot de man die haar zo lang bang had weten te houden.

"JIJ!" "Ja ik. Vader, ik adviseer u nu om uw mond te houden, want dan kunnen we verder met deze rechtszaak." De rode ogen van de man staarde haar dreigend aan. "JIJ! Hoe kun je mij dit aan doen?" Het meisje grijnsde op de manier die heer Voldemort haar zo vaak had voor gedaan. "Ik heb een keuze gemaakt. Het bloed van mijn broer voor het bloed van een man die toch al gaat sterven. Ik voel met niet schuldig; het is de wet van de jungle. De wet die U mij heeft aangeleerd als ik het me goed herinner. Nou, shush." De Heer van het Duister keek haar minachtend aan, maar viel inderdaad stil.

De man met het buikje stond op. "U bent de dochter van de verdachte?" Bella knikte. "Ja, inderdaad." De man ging verder met de standaardprocedure. "Is de verdachte in de zaal?" "Ja." "Kunt U hem aanwijzen?" Bella wees naar de stoel naast de hare.

"U bent lid geweest van de organisatie die deze man leidde?" Als antwoord rolde Bella haar linkermouw op. Deze keer zat ze niet vastgebonden, dus dat ging een stuk makkelijker. "Ja." De man knikte. "En U bent vrijgesproken? Mag ik vragen waarom?" Bella rolde haar ogen, alsof ze dat niet allang wisten. "Ja, dat mag u. Ik ben vrijgesproken omdat ik zelf nooit onvergefelijke vloeken heb gebruikt. Ik geloof ook dat mijn leeftijd in mijn voordeel sprak." De man knikte.

"En U bent nu woonachtig in Zweinstein?" Bella beaamde dat. "Heeft u deze man de misdaden zien plegen waarvoor hij terecht staat?" Bella grijnsde even tegen de Heer van het Duister, ze begon er van te genieten dat ze op dit moment de macht had en híj niet. "Ja, vele keren." De man keek haar streng aan, blijkbaar had hij zich voorgenomen om haar ook nog even door het stof te halen. "En U deed niets om hem tegen te houden?"

Bella lachte. "Ik deed niets om hem tegen te houden? Oh kom op man! Had jij dat gekund? Nee, ik deed niets om hem tegen te houden. Ik was jong en héél bang. Ik had medelijden met zijn slachtoffers, ja. Maar niet genoeg om mijn eigen leven te riskeren om het hunne te redden. Ik ben bang dat ik daar te egoïstisch voor ben." De tovenaarsraad mompelde.

"Dus u had het gevoel dat uw leven op het spel stond?" Het meisje lachte niet meer, een bittere uitdrukking verscheen op haar gezicht. "Ja. Het leven van al zijn volgers stond constant op het spel. U heeft de oorlog waarschijnlijk niet leuk gevonden. Misschien heeft u ook het gevoel gehad dat uw leven zó afgelopen kon zijn, maar bij ons was het net een beetje anders.

Wij moesten naar hem toe. Naar degene die ons elk moment kon doden. Wij moesten missies uitvoeren, wetende dat als we faalden we de volgende dag misschien wel nooit meer zouden zien. Weet u hoe het is om te leven in een constante dreiging? Een tastbare dreiging, één die je elke dag in het gezicht moet kijken? U denkt nu misschien dat wij ons dan maar niet bij de dooddoeners hadden moeten aansluiten. Maar sommigen van ons hadden geen keus. Ik bijvoorbeeld niet.

Ik had geen moeder meer, die had me bij hem gebracht voordat ze stierf. Ik kon niet weglopen zonder ontdekt te worden. Ik wilde niets slechts doen, maar ook niet sterven. Ik zat tussen twee vuren in. En er waren er meer zoals ik." Bella's ogen branden de zaal in. Enkele gezichten zagen bleek, andere genadeloos.

"U heeft net gezegd dat u deze man misdaden heeft zien plegen. Kunt u enkele voor ons beschrijven." Het meisje sloot even haar ogen. Wachtend tot een passende herinnering boven kwam drijven. "Ja, dat kan ik. Ze brachten een dreuzel voor de heer. Ze was jong. Heel jong. Misschien was ze nog een meisje, misschien was ze een vrouw, ik weet het niet.

Op zich was ze best mooi. Ze had van dat lange haar dat om haar schouders viel. Doodsbang was ze. Haar ogen waren groot. Haar kleding was gescheurd, er droop bloed uit haar slaap. De Heer van het Duister lachte. De aanblik van de vrouw was verre van grappig, maar toch lachte hij. Hij trok zijn staf en ze werd tegen een muur aangeslagen. Ze schreeuwde van de pijn, maar het klonk zwak, alsof ze al zo vaak had geschreeuwd dat haar stem het niet aan kon.

Zachtjes gleed ze naar beneden. Haar arm lag in een vreemde bocht, gebroken. Ze kreunde van de pijn. Hij liet haar omhoog zweven en sprak tegen haar. Hij vertelde haar gedetailleerd wat hij met haar ging doen. Hoe hij haar ging laten lijden. Ze keek hem walgend aan en zei: "Jij hebt mij alles afgenomen wat ik lief had. Je hebt mijn familie levend verbrand. Je kunt mij niet erger martelen." Later nam ze dat terug.

Hij gebruikte Crucio op haar, hij vernederde haar, liet haar lichaam opensnijden. Uiteindelijk gooiden ze benzine over haar heen en staken ze haar in brand. Ze stierf terwijl ze gillend rond probeerde te rennen. Daar slaagde ze niet in, want haar lichaam was te zwak, er was al teveel van haar gestorven." Bella's uitdrukking verraadde geen emoties. Op een vreemde manier maakte dit haar verhaal nog indrukwekkender.

"Wilt u meer verhalen? Ik kan u nog wel even bezig houden. Vaak zijn de verhalen indrukwekkender dan de statistieken. Velen stierven op haar manier. De weerlozen, de sterken. Er werd geen onderscheid tussen hen gemaakt. Velen stierven nadat ze hadden gesmeekt om de dood." De menigte zweeg. Uiteindelijk knikte de dikke man. "Vertelt u maar."

Het meisje maakt oogcontact met de menigte. Dit keer zou ze niet vertellen over een weerloze Dreuzelvrouw, maar over iemand waar iedereen zich mee kon identificeren. "Ze brachten hem een schouwer. Actief was hij geweest. Hij had pogingen gedaan om dooddoeners op te pakken. Enkele keren was hij er ook in geslaagd.

Zijn laatste poging was mislukt. Ze hadden hem te pakken gekregen en naar de Heer gesleurd. Ze hadden ook een klein kind bij zich. Een jongetje. Het was de zoon van de schouwer. Ze gooiden het kind op de grond en hielden het onder de crucio tot het stierf. De man moest toekijken. Eerst vocht hij tegen hen die hem tegen hielden. Toen hij in zag dat het zinloos was werd hij gek. Zijn ogen draaiden in zijn kassen. Hij gilde, maar het was onzin dat uit zijn mond kwam.

Toen het kind levenloos op de vloer lag staken ze zijn lichaam in de fik. De man wist zichzelf nu wel los te worstelen en stortte zich op het lijk van zijn zoon. Hij brandde met het kind." De meeste mensen keken nu alsof ze moesten overgeven. Bella ging genadeloos door. "Ze brachten hem een oude vrouw. Ze was de moeder van vijf kinderen.

Die kinderen waren nu volwassen en leefden in hun eigen huis met hun eigen kinderen. Haar man was dood en de vrouw woonde alleen in een huis bij een rivier. Ze hield haar kruidentuintje bij, brouwde de meest ingewikkelde drankjes en las veel. Ze had een collectie boeken van Gladianus Smalhart.

Eens in de zoveel tijd ging ze naar een tovenaarsbazaar. Alles ging goed, totdat ze op een dag thuis kwam van zo'n bazaar. In haar huis bevonden zich dooddoeners, die haar meenamen en naar de Heer brachten. Hij vernederde haar. Liet haar zijn huis schoon maken, zijn toiletten. Hij bedreigde haar, vertelde haar dat hij haar kinderen en kleinkinderen iets aan zou doen.

Hij deed haar pijn. Daar was niet veel voor nodig. Het schoonmaken alleen al zorgde dat haar vergevorderde reuma haar parten ging spelen. Haar lijden duurde dagen, weken. De Heer was haar niet genadig, want hij had veel plezier van haar lijden. En uiteindelijk stierf ze. Een venijnige Avada Kedavra. Ik kan nog uren zo door gaan, maar ik wil jullie niet vervelen."

De menigte zag er niet echt verveeld uit, wel alsof ze zich behoorlijk ziek voelden. Het kwam vooral omdat ze zich goed in konden leven in de laatste slachtoffers. De schouwer hadden ze op hun werk kunnen ontmoeten. De vrouw had hun buurvrouw kunnen zijn. En daarom maakte hun verhalen nogal wat indruk.

Deze keer wil ik ook iemand bedanken die NIET voor het laatste hoofdstuk heeft gereviewd, maar wel voor de eerste drie. Miss Wand, je bent FANTASTISCH:): D

En natuurlijk Love Fantasy. Want die reviewd elke keer. En ik bedank haar elke keer. En dat doe ik nu weer. Dus Love Fantasy bedankt! WE hebben een L, we hebben een O, we hebben een V, en o jee, een E. Das LOVE. Want WE LOVE LOVE FANTASY!!! Joehoe…. (ik ben raar) (denk ik) (nee, weet ik) (geloof ik) (nee, weet ik!)