Hoofdstuk 2.
Hehe, eindelijk klaar met mijn huiswerk. Ik keek op de keukenklok; 5 uur s'middags. Ik stond op en rekte me uit. Nog 2 uur en dan zouden mijn ouders thuis komen. Ik onderdrukte een geeuw toen ik de trap op liep richting mijn kamer. Toen ik mijn deur open deed bedacht ik me dat mijn ouders vandaag weer een conferentie hadden en dat ze pas s'avonds laat thuis zouden komen. Ik liep naar binnen en startte de computer op.
Het was een vrij oude computer met gratis internet; anders gezegd het duurde een eeuwigheid voordat dat ding helemaal uitgerateld was en ik aan de slag kon gaan. Ik keek eerst of ik nieuwe mailtjes binnen had gekregen en daarna besloot ik op internet te gaan zoeken voor een geschikt onderwerp voor het Geschiedeniswerkstuk.
Mijn ogen deden pijn toen ik de computer afsloot. Ik had bijna 2 en een half uur lang naar kleine lettertjes gelezen en er was echt niks interessants bij voor een Geschiedeniswerkstuk. Ik was chagrijnig en keek een tijdje boos voor me uit voordat ik dat gevoel van me afschoof. Ik moest maar eens wat eten voor mezelf klaar maken, dacht ik waarop mijn maag spontaan op reageerde door knorgeluidjes te produceren. Ik had eigenlijk wel zin in taco's en als het goed was hadden we de ingrediënten thuis liggen.
Mijn ouders en ik waren gek op pittig eten. Alles ging er bij ons wel in zolang er maat genoeg pepers in zaten. Ik ging naar de keuken en pakte alles wat ik nodig had en begon aan mijn avondmaal.
Ik werd wakker. Het was donker op mijn kamer. Ga nou slapen, dacht ik en draaide me weer om maar er klopte iets niet. Ik wist niet wat er aan de hand was maar ik was niet voor niets wakker geworden. Het was stil in huis, te stil en toen ik dat besefte voelde ik de angst opborrelen.
Ik keek op mijn wekker; het was 3 uur in de nacht. Ik kreunde. Morgen zou een zeer slaperige dag worden. Ik had tot s'avonds laat op de bank tv zitten kijken, wachtend tot mijn ouders thuis zouden komen. Om half 12 gaf ik het op en ging naar bed wetend dat ik morgen mijn bed niet uit zou kunnen komen als de wekker me om 7.00 uur terug bracht naar de werkelijkheid. Ik maakte me toen nog geen zorgen om mijn ouders, ook al hadden ze gezegd dat ze om half 11 thuis zouden zijn, wat niet gebeurde. Vaak liep de borrel na de vergaderingen uit en kwamen ze pas diep in de nacht thuis.
Ik had nooit tegen ze gezegd dat ik me, alleen in het grote huis, nooit echt op mijn gemak voelde als ze lang weg waren en toch wisten ze op een of andere manier. Daarom lieten ze vaak een voicemail achter of belden ze me op als het later dan 12 uur zou worden. Maar vandaag hadden ze niet gebeld. En dat was vreemd. En aangezien het nu 3 uur s'nachts was en ze nog steeds niet thuis waren werd het alleen maar vreemder.
Ik had het gevoel alsof ik elk moment in paniek kon raken, mijn keel was droog en ik kon bijna niet slikken. Rustig, rustig nou, dacht ik bij mezelf. Kom op zeg, je bent 16 jaar en je kan niet eens een nachtje alleen thuis zijn? Wat een watje ben je. Alles is oké. Waarschijnlijk is de telefoon van je vader weer eens stuk of is de accu weer leeg en hebben ze geen kleingeld bij zich om via een telefooncel in contact met je te komen. Er zal vast wel een goede reden hiervoor zijn. Ik voelde de paniek wegzakken. Goed zo, dacht ik, waar ben je nou bang voor? Oke dat was een verkeerde vraag. De paniek schoot weer omhoog en ik liep mijn gruwelijke-dingen-lijstje af. Dat ik hier alleen zit en er iets is gebeurd met pap en mam (1) of dat er inbrekers komen (2) of een seriemoordenaar die het op mij heeft voorzien (3) en dat… STOP!!!! Dacht ik woedend. Dit gaat te ver! Kom op zeg er kan je hier niks gebeuren in dit huis! Ik haalde diep adem en blies het langzaam weer uit.
Ik ging rechtop zitten en knipte het lampje op mijn nachtkastje aan. Van slapen kwam nu toch niks meer van, ik was veel te opgefokt (en bang, maar dat wilde ik niet aan mezelf toegeven). Ik stond op en liep naar de badkamer. Ik plensde wat koud water in mijn gezicht en probeerde wat rustiger adem te halen, wat jammer genoeg mislukte.
Vervolgens controleerde ik de slaapkamer van mijn ouders en inderdaad ze waren er niet, zoals ik al dacht. Vervolgens liep ik het hele huis door, controleerde of alles op slot zat, deed alle lampen aan en keek of er heel misschien nog een teken van leven op de voicemail achter was gelaten. Nee dus. Daarna liep ik terug naar mijn kamer en haalde mijn fleece-deken uit mijn kast en ik vond in de garage mijn wapen; een honkbalknuppel die afstamde uit de jonge jaren van mijn vader. Laat de inbrekers maar komen, dacht ik grimmig. Ik liep naar de bank in de woonkamer en ging er op zitten. Ik drapeerde de deken om me heen en legde de knuppel binnen handbereik neer. Ik durfde de tv niet aan te zetten, bang dat ik te veel lawaai zou maken en ik de mogelijke indringer niet zou horen.
Ik wist niet waarom ik zo bang reageerde, ik wist alleen dat al mijn zenuwen en intuitie op alarmfase rood stonden. Alles gilde "Kijk uit!!" en "Gevaar, vlucht!!". Ik had geen logische verklaring voor mijn gedrag, misschien zou die psychologiecursus toch nog ergens goed voor zijn.
Ik was nu klaarwakker en was me hyperbewust van elk geluid. Ik schrok me een ongeluk toen de knuppel van zijn plek gleed en kletterend op de grond terecht kwam. Toen ik zag wat er was gebeurd kreeg ik een hysterische lachbui.
Moet je me nou toch zien zitten, dacht ik grinnikend, 16 jaar en hier zit je op de bank in je grijze slobberbroek, zwarte top en wollige pantoffels aan je voeten met als enigste wapen een honkbalknuppel die zijn beste jaren al heeft gekend. Alsof je daarmee iemand de hersens in kan slaan! Jeez, als pap en mam nu thuis komen dan kan je je echt kapot schamen. Ik grinnikte weer.
Langzaam werd ik rustiger naarmate de uren verstreken, maar die angst raakte ik niet kwijt. De adrenaline stroomde nog steeds door me heen en hield me wakker en superalert.
Ik zag de zon opkomen en besloot dat ik wat moest eten. Ik at mijn muesli op in de keuken en besefte dat ik over een paar uur naar school toe moest. Ik zuchtte diep.
Nu de zon het huis verlichtte deed ik alle lampen uit en toen ik weer terug liep naar de bank merkte ik dat de angst weg was en ik me weer wat rustiger begon te voelen. Ik besloot om te douchen en me klaar te maken voor school.
Voordat ik vertrok controleerde ik eerst of er echt geen telefoonbericht was wat ik had gemist. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan dat ik het nummer van mijn vaders mobiel niet wist en ook nergens op papier had staan. Ik was nog steeds ongerust, wat eigenlijk niks voor mij was. Mijn ouders waren nog steeds niet terug en hadden ook geen enkel berichtje voor mij achter gelaten.
Ik wist dat dit een loodzware dag zou worden. Ik had amper wat geslapen en ik was gesloopt door de spanning en de stress. Doordat de adrenaline weg was kon ik amper mijn ogen open houden. Ik had grote wallen en al mijn spieren deden pijn. Ik had vandaag simpele kleren aan getrokken; een zwarte broek, grijs t-shirt en mijn haren had ik los gelaten.
Ik onderdrukte een geeuw en opende de garage om mijn fiets te pakken. Ik liep er naar toe en een paar stappen voor mijn fiets verstijfde ik. Paniek overviel me en ik kon nog net een schreeuw voorkomen.
Ik staarde naar het briefje wat op mijn zadel was geplakt. Op het briefje stond iets in rode inkt. De betekenis wilde niet tot me doordringen en ik las de woorden nog een keer.
'Je bent niet alleen'.
Langzaam namen mijn ogen de letters op en nog slomer drong de betekenis ervan door in mijn hersenen. Ik draaide me vliegensvlug om, maar er was niemand. Alles was dood- en doodstil.
Ik werd bang, echt heel bang. Normaal zou ik me een breuk hebben gelachen om zo'n stom briefje maar na vanavond was het anders. Ik wist dat ik hier weg moest zien te komen. Waarom woonden we niet in een normale buurt waar je buren hebt die niet 5 kilometer verder op wonen? Buren waar je heen kon als je in de problemen zat en er verder niemand thuis was. Waarom moesten we ergens achteraf wonen, in een bos? Ik had het altijd fijn gevonden om hier te wonen maar ik besefte nu pas hoe afgelegen het was en dat ik niemand had om me te beschermen als mijn ouders weg waren.
Ik greep mijn fiets en rukte het blaadje ervan af. Ik sprong erop en ik reed zo hard mogelijk naar school; naar de bewoonde en veilige wereld.
