Nieuw stuk. Ja, ik wéét het, het heeft lang geduurd, maar die leerkrachten willen je gewoon DOOD. Serieus waar!
Disclaimer: J.K.'s, not mine.
Hoofdstuk 3
Gevoelens?
'Mmm...', mompel ik, half-slapend.
Ik draai me om in het bed en mijn arm stoot tegen iets aan. Met mijn ogen dicht, betast ik het ding waar ik net tegen aan stootte. Ik voel een lichaam. Dan ga ik met mijn hand omhoog en voel een staartje.
Meteen schrik ik wakker. Ik sla de dekens van me af en zie iemand naast me liggen, en wel héél dicht bij me. Dan voel ik een arm me terug naar beneden duwen. Als ik weer lig, rust de arm op mijn bovenbuik. Ik slik en draai mijn hoofd op het kussen opzij. Remus? Wat doet Remus naast me? Geschrokken schiet ik weer rechtop, en de arm van Remus glijdt van mijn buik. Ik ril even, want het kietelt. Ik schud Remus wakker.
'Lame rust...', mompelt hij.
Ik blijf schudden totdat hij wakker is. Hij opent zijn ogen een beetje en ziet mij dan. Hij schiet rechtovereind en kijkt me met grote ogen aan.
'Wat is er gebeurt?', vraagt hij geschrokken.
Ik kijk hem normaal aan en kan het niet laten om mijn ogen over zijn lichaam te laten glijden. Dan zie ik dat onze benen zijn verstrengeld. Ik tik op Remus' schouder en wijs naar onze benen. Hij kijkt geamuseerd en niet geschokt, zoals ik verwacht had.
'Mmm... Ik denk dat ik ergens de betekenis gelezen heb over dit.'
Remus wijst naar onze benen.
'Wat betekent het dan?', vraag ik met een beetje trillende stem.
Ik hoop dat Remus niet hoort dat mijn stem trilt.
'Vergeten, geloof ik...'
Maar aan de grijns die hij probeert te verbergen, zie ik dat hij het wel nog weet. Er komt een soort gevoel die ik even niet kan thuisbrengen rond mijn maagstreek. Een soort van... Kriebel? Een herinnering van de dag ervoor komt in me op. Ik zie mezelf Remus zachtjes op zijn lippen kussen.
Verward staar ik voor me uit, terwijl Remus zich uitstrekt en het bed uitstapt. Waarom heb ik hem gekust? Hij is een jongen! Wat gebeurt er met me? Remus staat voor me en kijkt me met een vreemde blik in zijn ogen aan. Ik kijk recht in zijn ogen en zie twijfel. Hij twijfelt over iets. Ik krijg niet lang de kans om te zien welke gevoelens er nog meer in zijn ogen zijn, want hij draait zich om en loopt aarzelend de kamer uit.
Ik beslis om dan ook maar op te staan. Ik probeer wat ik gevoeld heb uit mijn hoofd te zetten. Hij is alleen maar een vriend! Ik stap uit het bed en zoek mijn kleren bij elkaar. Als ik mijn kleren aanheb en het raam heb opengedaan, loop ik de trap af en ga naar beneden. Ik wil de keuken binnenlopen, maar ik stop net op tijd om Remus met zijn handen in zijn haar aan de keukentafel te zien.
Aarzelend loop ik de keuken binnen en ga zitten op de stoel die naast Remus staat. Ik leg mijn hoofd op mijn armen en kijk naar Remus. Hij kijkt triest terug. Maar ondanks dat er een traan over zijn wang loopt, probeert hij te grijnzen naar me.
'Wat is er gebeurt?', vraag ik meelevend.
Remus ademt in en zucht.
'Wel... Mijn ouders zullen niet meer terugkomen voor het eind van het jaar, waarschijnlijk komen ze terug tegen Kerstmis is. Ze hebben een brief gestuurd per uil waarin het staat... Ach, lees het maar...'
Remus geeft me een stuk perkament waar er in een kriebelig, snel handschrift wat op geschreven staat.
Liefste Remus,
We gaan er even tussenuit. Want zoals je weet, hebben we héél veel werk gehad de laatste tijd. Ik weet dat je liever hebt dat we thuis zijn, maar momenteel kan dat niet. We zijn er, om eerlijk te zijn, op uitgestuurd door het ministerie. We hebben een hoogst geheime opdracht gekregen. We kunnen je er niet veel over zeggen, behalve dat we heel erg hopen dat we tegen Kerstmis thuis zullen zijn. En als we niet tegen Kerstmis thuis zijn... Nee, denk daar maar niet aan! Veel plezier! Hou het huis schoon en zeg Sirius maar dat hij zich mag gedragen zoals hij thuis doet!
Groetjes,
Mam en pap.
Ik kijk op van de brief. Een tweede traan liep over Remus' wang. Langzaam leg ik de brief op tafel en hef mijn arm op om rond zijn schouders te leggen. Maar voor mijn arm al ligt, omhelst Remus me en snikt op mijn schouder.
'Ik... Ik moet je iets zeggen... Ik hoop dat je het verstaat...'
De kriebels in mijn buik probeer ik niet meer in bedwang te houden. Zou hij? Zou hij echt?
'Ik... Ik denk...'
Verdorie, zeg het nu Remus!
'Ik denk dat ik... Dat ik-'
Maar hij wordt onderbroken door een tweede uil die binnenvliegt. Ik herken de uil van James. De uil scheert door de keuken en laat een brief vallen. Ik steek mijn hand uit en vang de brief op. Daarbij stoot ik tegen Remus, die met een gil van zijn stoel valt. Ik let er niet op en open de brief.
Ik zit verdiept in de brief te lezen, als ik plots een hand op mijn knie voel. Ik kijk geschokken op van mijn brief en zie Remus op de grond verwijtend naar me staren. Hij knijpt hard in mijn knie, als hij zich omhoog trek. Ik probeer dat kriebelende gevoel te negeren als Remus zich optrekt. Zijn hand glijd van mijn knie, als hij terug op zijn stoel naast me zit. Ik voel zijn hand nog steeds branden op mijn knie. Dan neem ik de brief en begin opnieuw verder te lezen, het brandend gevoel op mijn knie negerend.
"Ik had het kunnen weten, de zak die hij is!", fluister ik met een grijns.
Ondanks de dingen die ik net gelezen heb, kan ik het helaas niet laten om te grijnzen. Dit was zo typisch James. Grijnzend draai ik met mijn ogen. Remus stoot me aan en kijkt vragend.
"Ik ga de brief voorlezen! Schrik niet... Haha!"
En dan begin ik voor te lezen:
"Beste Sirius en waarschijnlijk ook Remus,
Ik had belooft aan jou (Sirius), dat ik later wel nog eens ging uitleggen wat ik nou juist gedaan had om jou uit het huis laten getrapt te worden. Wel hier komt het dan.
Je kent mijn eeuwige haat-liefde gevoelens voor Lily Evers, nog wel, hé! Wel daar begint het allemaal mee. Ik kwam haar laatste tegen op een speelpleintje. Daar ben ik een beetje beginnen 'praten' met haar. Blijkbaar vond ze niet grappig wat ik zei en ze heeft me een duw gegeven. Waardoor ik op mijn gezicht in het zand ben gevallen. Toen lachte ze en zei: 'Is het lekker, Potter?'
Toen ben ik beoorlijk beginnen... Flippen. Ik heb haar, ja dat heb ik inderdaad gedaan, ondersteboven aan een klimtouw, die er hing, vastgebonden. En ook dat vond ze niet grappig, dus begon ze maar lekker even de hele beurt bij elkaar te gillen. Toen zijn mijn ouders komen opdagen en jah... De rest kan je al raden... Het spijt me, Sirius! Ik had het echt niet zo bedoeld, ik wist niet dat mijn ouders er gingen achterkomen en jou het huis uit zetten... Sorry!
Groetjes,
Gaffel."
Remus kijkt me met opgetrokken wenkbrauw aan.
"Nou, hij ging inderdaad wel een beetje heel erg veel over de lijn, vindt je ni - SIRIUS! Dat is echt niet grappig, hoor!", voegt hij er kwaad aan toe, als hij ziet dat ik dubbel lig van het lachen.
"Ik kan er niet aan doen, Maanling! Echt niet!", zeg ik, terwijl ik het uitgier.
Ik leg mijn hoofd in mijn armen en er stromen tranen vanuit mijn ogen. Mijn schouders schokken van het lachen. Ik hoor een geluid van een schrapende stoel en iemand die rondloopt. Ik veeg de tranen uit mijn ogen.
"Remus, het sp- Remus?"
Er was niemand meer te bekennen in de keuken. Ik kijk even verbaast en ongerust rond in de keuken. Mijn ogen glijden over het raam, die zicht geeft op een grote tuin en erachter bos. Plots blijven ze hangen. Het is al bijna donker buiten en door de flarden donkere wolken zie ik de maan.
Daar is hij dus naartoe! Ik sta op en duik even de koelkast in. Vlug eet ik een verloren stuk koude pizza op en loop, mijn vingers aflekkend, de keuken uit. In de hal kijk ik nog even in de spiegel. Ik wil weer verder lopen, maar ik zie iets uit mijn ooghoeken. Ik zet een pas achteruit, zodat ik weer voor de spiegel kom te staan.
Aan mijn nek hangt er een zilveren ketting. Verbaast neem ik de ketting vast. Ik heb het ding nog nooit van mijn leven gezien! Maar ik ben er tevreden mee, ondanks dat ik niet weet hoe het rond mijn nek komt te hangen. Het staat me, om eerlijk te zijn, wel enrom goed. Ik loop verder en ga de trap op.
Met mijn hand op de eikenhouten trapleuning, ga ik naar boven. Ik wil naar mij kamer lopen, maar zie Remus' kamerdeur openstaan. Ik probeer te verleiding te weerstaan, maar het is al te laat, ik sta al binnen. Jammer, toch! Voor de tweede keer sinds ik bij Remus ben, sta ik opnieuw in zijn kamer omsingeld door foto's.
Ik ga op zijn bed liggen. Dan draai ik me om naar de muur en schrik me bijna dood. Wat doe ik daar? En dan wel nog slapend! De foto van mezelf, als slapend, heeft een randje met diep rood en iets minder diep rode streepjes. Mijn favoriete kleur én in streepjes gezet! Dat kan niet waar zijn, dat kan helemaal niet waar zijn! Maar een andere gedachte schiet mijn hoofd binnen: Wat doe ik op een foto en dan nog wel slapend, zo dicht bij Remus' hoofd?
De frisse lucht doet me goed. Ik heb, na het zien van die foto, nog een half uur zitten piekeren op Remus' bed. Uiteindelijk heb ik toch maar besloten om naar buiten te gaan en Remus te gaan zoeken. Ik ren door de tuin als een halve gek, om zo die foto uit mijn hoofd te kunnen zetten, wat deels lukt. Als ik uitgerend ben, loop ik behoedzaam het bos, achter de tuin, in. Ik ben al tien meter in het bos en ik hoor een gekraak dichtbij.
Ik verander mezelf in een zwarte, grote hond. Ik grom dreigend naar het geluid. Er is een lange stilte, terwijl ik nog steeds behoedzaam naar de plek staar. Dan komt er een duistere gedaante vanachter een boom. De gestalte van Remus komt dichterbij en fluistered:
"Het is oké, Sluipvoet, ik ben het maar!"
Ik kijk nog even ongelovig en verander dan weer in mezelf. Ik loop naar Remus toe.
"Laten we dieper in het bos gaan, voor je verandert!"
Er is een lange stilte tussen ons, die alleen maar wordt verstoort door brekende takjes onder onze voeten en onze onrustige ademhaling. Het bos wordt steeds donkerder. Ik kijk naar boven en zie de wolkenflarden langzaam van voor de maan schuiven. Ik tik Remus op zijn schouder en wijs naar boven.
Terwijl Remus hardnekkig naar de maan blijft staren, adem ik diep in en uit. Ik hoop dat ik hem onder controle kan houden. Plots kreunt Remus hard van de pijn. Ik kijk naar de maan. Ik zet een stap naar voren en hou Remus bij de schouders vast.
"Dit ben jij! Vergeet dat niet! Jij kiest wie je wil zijn!", roep ik, terwijl Remus het uitroept van de pijn.
"JIJ KIEST WIE JE WIL ZIJN!"
Ik voel zijn schouders veranderen. Tijd voor mij om me te transformeren. Op de plaats waar ik net nog stond, staat nu een grote zwarte hond. Remus huilt. Hij is volledig getransformeerd. Hij staart me aan en gromt zachtjes. Ik sta meteen klaar in verdedigende houding, omdat ik verwacht dat hij gaat aanvallen.
Maar tot mijn verbazing doet hij dat niet. Hij gebaart met zijn hoofd naar ergens en gromt opnieuw zachtjes. Dan rent hij weg. Ik snap de bedoeling hiervan niet, maar ren hem -ondanks dat ik hem niet versta- toch achterna. Hij is mijn vriend en dat zal hij altijd blijven! Ik ben niet van plan hem in de steek te laten. Terwijl ik bijna over een uitstekend boomwortel struikel, kijk ik naar waar hij is.
Dan zie ik zijn hoofd niet ver van mij vandaan Terwijl ik hem achterna ren, vraag ik me af wat hij me wil tonen. Hij kan zichzelf blijkbaar controleren, deze keer. Of toch bijna helemaal. Tientallen meters voor mij zie ik Remus tot stilstand komen. Ook ik stop met lopen en stap behoedzaam op hem af. Hij draait ruw zijn hoofd naar me toe. Geschrokken ga ik vlug enkele meters achteruit, klaar om aan te vallen. Maar dan zie ik de blik in zijn ogen. Hij duikt onder een bosje struiken door en verdwijnt in het donker.
Ik kijk rond me en duik dan ook onder het bosje. Ik kom in een duistere grote terecht. Voor me zie ik een schaduw net om een hoek gaan. Met mijn staart half tussen mijn poten ga ik de schaduw achterna. Dit is voor mij een onbekende omgeving en ik heb het niet zo op vreemde en donkere grotten.
Ik ben zo erg in gedachten verzonken, dat ik net op tijd zie dat Remus voor me staat. Ik verhinder juist op tijd dat ik tegen hem loop. Remus loopt traag verder. Ik kijk rond. Ik sta aan de oever van een meer. Niet enorm groot, maar groot genoeg. Door een groot gat in het de bovenste wand van de grot, schijnt maanlicht die een groot deel van het meer verlicht. Ik staar naar Remus, die een eindje verder neerzit en wat water drinkt.
Ik loop langzaam en rondkijkend naar hem toe. Hoe zou hij die grote gevonden hebben? Ik zet me naast hem neer en drink ook wat water, terwijl ik hem van opzij bekijk. Eigenlijk is hij best nog een mooie weerwolf... Helemaal grijs en op het eind van zijn oren en zijn staart wat zwart. Ik schud, geschrokken door mijn gedachten, met mijn hoofd. Waardoor er spetters water op Remus terecht komen. Hij kijkt me verontwaardigt aan en zet zijn poot in het water. Ik hou mijn hoofd scheef en kijk vragend.
Dan gaat hij met zijn poot door het water naar mij toe. En zo krijg ik een hele gulp water over me. De hele nacht stoeien we, maken we elkaar nat en rennen we achter elkaar aan. Een hele week gaat voorbij...
De laatste nacht is bijna over. Ik ren het water in en lok Remus erbij. Hij rent zo hard, dat hij me omver loopt. Ik valt met mijn snoet recht in het water. En duik helemaal onder. Als ik opnieuw bovenkom, staar ik Remus verwijtend aan.
Remus kijkt me aan met zijn hoofd scheef en een onschuldige blik in zijn ogen. Hij kijkt zo schattig dat ik het niet over mijn hart krijg om kwaad mijn rug naar hem toe te draaien. Remus heeft zich al omgedraaid en was een beetje verder in het water aan het drinken. Dat is mijn kans! Voorzichtig sluip ik achter hem.
Als ik dicht genoeg sta, maak ik me klaar om hem omver te springen. Als ik eindelijk spring, blaf ik meteen ook erg luid. Remus kijkt verbaast opzij en voor hij het goed en wel beseft, ligt hij kletsnat op zijn zij in het water. Snel ren ik weg en verstop me. Ik was in onze slaapplaats gelopen, waar er veel bladeren en veren lagen. Het leek op een soort van enorm vogelnest. Héél knus en lekker zacht.
Ik hoor een snuivend geluid dicht bij mij. Ik hou me zo stil ik maar kan. Dan duwt een natte neus me opzij. Ik maak plaats voor Remus, die nog niet helemaal droog is. Remus gaat neerliggen en ik voel hem bibberen. Ik zie hem zijn ogen sluiten en zich zo klein mogelijk op te rollen, om zichzelf warm te houden.
Ik loop langs hem heen en ga ook liggen. Ik kruip zo dicht mogelijk tegen hem aan. Hij opent één oog en kijkt me dankbaar aan. Dan vallen we allebei in slaap.
Het eerste kleine beetje licht dat in de grot valt, maakt me wakker. Ik open mijn ogen en tot mijn schrik lig ik met mijn gezicht maar vijf centimeter van Remus' gezicht verwijdert. Ik voel weer dat kriebelende gevoel van niet zo lang geleden. Ik was al eerder wakker gekomen die nacht en had toen gezien dat Remus weer zijn menselijke vorm had aangenomen. Toen had ik mezelf ook maar getransformeerd in mijn menselijk vorm.
Ik sta recht en strek even mijn benen. Ik grijp naar iets dat in een gleuf hangt. En reuzegroot blad komt tevoorschijn. Ik zat het voor de kleine ingang van het 'nest', om het zonlicht te verhinderen binnen te komen. Dan ga ik opnieuw bij Remus gaan liggen en val weer in slaap, niet wetend dat iemand een arm rond mijn middel legt.
"Hmmm..."
Kreunend draai ik me om en val uit het 'nest'. Ik ben op slag wakker. Ik kijk geschrokken rond me, Remus is nergens te bespeuren. Ik spring recht en ren naar het meer toe, terwijl ik rond me kijk. Dan bots ik tegen een gedaante aan en hoor een 'plons'.
"Ook een goeiemorgen...", zegt een hese stem glimlachend.
Met grote ogen zie ik Remus het water uitlopen, halfnaakt. Ik kijk naar zijn gespierde lichaam en als ik doorheb wat ik doe, wend ik vlug mijn hoofd af. Hopend dat Remus het niet opgemerkt heeft.
"Aan het kijken of ik-"
Shit, betrapt!
"-nieuwe littekens heb? Heb ik er?", zegt Remus en hij kijkt naar zichzelf.
Ik durf mijn ogen weer op te richten. Het eerste wat ik tegenkom ik de buik van Remus. Ik zie een nieuw, of dat denk ik toch, litteken schuin boven zijn navel.
"Ehm. Daar heb je een nieuwe, denk ik...", zeg ik ongemakkelijk, terwijl ik wijs naar de plaats van het litteken.
"Ha, ja, nu je het zegt!", zegt Remus en hij bekijkt het litteken.
"Als ik eerlijk mag zijn, vind ik deze helemaal niet erg, ik vind hem best mooi...Wat vind jij?"
Remus kijkt me in de ogen. Opnieuw voel ik die kriebel. Ik ben helemaal verward. Waarom voel ik die kriebels steeds? Hij is een jongen, hij is mijn beste vriend! Hij is...
Remus John Lupos, de jongen waar jij verliefd op bent, zegt een klein, stil stemmetje ergens in mijn achterhoofd.
Nee! Ik kan - Ik mag niet verliefd zijn op Remus! Dat is onmogelijk! Hij is een jongen! Ik val niet op jongens! Ik ben geen h-
"Sier? Ik vroeg je wat!"
Remus zwaait met zijn hand voor mijn ogen.
"Mmm... Wat vroeg je?"
"Laat maar, het maakt niet veel uit, hoor..."
Ik knik een klein beetje té onverschillig. Remus wend zijn blik af en doet zijn T-shirt opnieuw aan. Ik trek mijn T-shirt uit en was mijn bovenlichaam snel met wat water en trek dan mjn T-shirt weer aan. Nog steeds ben ik verward over dat kriebelende gevoel in mijn onderbuik. Ik loop Remus denkend achterna. Ik heb geen idee waar ik loop, ik volg alleen Remus terwijl ik diep in gedachten ben verzonken.
Als ik eindelijk uit mijn gedachten kom, zit ik aan de keukentafel en zet iemand en bord voor mijn neus. Ik grijp het bestek die ernaats ligt en begin te eten. Remus kijkt me glimlachend aan.
"Eindelijk terug op aarde, zie ik.", glimlacht hij.
Ik grijns flauw terug en ga dan verder met het eten van die heerlijk spaghetti. Even later hoor ik iemand zijn mes en vork in het bord leggen. Ik kijk op en zie Remus teverden achterover leunen. En ook ik leg mijn bestek in mijn bord en zak onderuit op mijn stoel. Het is een tijdje stil.
"Hoe -Nee, wat vond je van de grot?"
Het is Remus die de stilte breekt.
"Prachtig! Hoe heb je die plek eigenlijk...Ontdekt?"
Remus kijkt me bedachtzaam aan, net alsof hij overweegt of het wel juist is om het me te
vertellen. Dan doet hij zijn mond open en zegt:
"Wel... Enkele jaren geleden -op 23 juli 2 jaar geleden, rond de middag, om precies te zijn - na een
brief die ik had gekregen, was ik in het bos gaan wandelen. Wat er in die brief stond, had me van streek gemaakt en niet positief. Om eerlijk tegen je te zijn, ben ik huilend het bos ingelopen. Plots ben ik gestruikeld en onder dat bosje struiken doorgerold, de grond in. Elke volle maan ga ik ernaar toe en elke keer dat ik van streek ben- "
Hij glimlacht zwakjes. Ik knik begrijpend. Ik ben best nieuwsgierig naar die brief... Ik kijk Remus aan en net op het moment dat ik mijn blik weer wil afwenden, heft hij zijn hoofd op en ontmoeten onze ogen elkaar. Remus buigt zijn hoofd dichterbij. Een gigantisch kriebelend gevoel gaat er door me heen, als zijn zachte lippen de mijne raken. Ik kus terug en wens dat dit nooi-
"-en ja... Sindsdien ga ik er steeds naartoe. Ik ga er soms vaak naar zonder aanleiding. Gewoon om een beetje op mezelf te kunnen zijn en na te kunnen denke-Sirius? Luister je wel nog?"
Remus was gewoon blijven doorpraten. Had hij mij dan niet...? Ik ben ongeloofelijk verward. We hadden toch net... Of was dat maar mijn fantasie? Wat gebeurt er met me? Wat is er mis aan het gaan?
"Mmm... Ja, hoor. Je gaat vaak naar die grot heen, was het dat wat je zei?", zeg ik, terwijl ik mijn verwarring en gedachten probeer weg te bannen uit mijn hoofd.
"Ja...Ja, dat zei ik."
Remus knikt en begint dan over iets anders te praten.Ik probeer mijn hoofd erbij te houden, maar het lukt me niet echt. Mijn ogen dwalen telkens af naar zijn lippen en vaak kijk ik lang in zijn ogen. Mijn gedachten zijn bij wat er daarnet gebeurt was. Ik had me ingebeeld dat ik hem...Kuste!
"Nou... Ik zie dat je je hoofd er momenteel niet kan bijhouden... Ik ga wat tv kijken..."
Remus' stoel schraapt langs de grond en ik hoor een bord ergens gezet worden. Remus verlaat met een mistroostig gezicht de keuken. Ik blijf alleen achter, met mijn gedachten. Langzaam dringt de waarheid tot me door en slaat toe als een emmer ijskoud water over me. Ik ben verliefd... Verliefd op...
Remus John Lupos...
Wat zal er gebeuren nu Sier weet dat hij verliefd is op Rem? Voelt Rem hetzelfde of niet?
Kus,
Ellieh.
