Ik denk dat alles nu duidelijker zal worden. Of. Dat hoop ik toch. fluit
Disclaimer: Gosh. I could only wish I invented HP oo (It's J.K.'s)
Hoofdstuk 5
Nieuwe Liefde
Het is nog maar twee weken voor we naar Zweinstein moeten vertrekken en ik heb me al bijna vier dagen neergelegd bij mijn verliefdheid, die tot mijn verveling steeds harder toeslaat. Nog twee dagen en ik ben jarig! Dan ben ik eindelijk het lang verwachtte zestien! Ik kijk al twee jaar uit naar wanneer ik zestien ging worden. Zestien... Zoveel jaar heb ik al altijd willen worden, maar nu oppeens lijkt het me niet meer zo leuk om zestien te worden. Door wat er de laatste tijd in mijn hoofd omgaat, vooral over het aspect 'Remus'. Zestien... Plots wil ik weer dat kleine onschuldige - voor zover ik ooit onschuldig ben geweest- en het ik-heb-al-meer-streken-uitgehaald-dan-heel-Zweinstein-bij-elkaar, ventje van veertien zijn. Plots lijkt het veel aanlokkenlijker om niets vermoedend door het leven te gaan...
Ik schuif mijn bord opzij.
"Nu is het écht wel jou beurt om de afwas te doen, Remus! Ik doe hem nou al vier dagen!"
Goed, dat was ook om mijn gedachten te verzetten, want non-stop Remus-denken maakt je ook best wel gek... Op een leuke manier, dan... Ik grijns. Plots schiet me iets te binnen. Ik moet me nog verontschuldigen door dat spons-in-Remus'-gezicht-geval van vier dagen geleden. Terwijl
Remus met zijn rug naar me toe al de afwas doet, open ik mijn mond en zeg:
"Zeg, ehm. Sorry van dat spons-geval laatst, oké? Ik werd behoorlijk gek van mezelf..."
Shit! Dat laatste was er teveel aan!
"Ah, vergeven! Ik had op dat moment serieus een spons in mijn gezicht verdiend. Ik kon al geraden hebben dat je mijn ogen in je nek voe-"
Remus kijkt me met grote ogen aan en houd geschrokken een hand voor zijn mond. Blijkbaar had hij dat nou net níét willen zeggen. Met grote ogen staar ik terug. Wat had dat allemaal te betekenen? Wat deden zijn ogen in mijn nek, wat hadden ze daar te staren? Vlug draait Remus zich om en gaat mompelend tegen zichzelf de afwas verder doen. Om een bepaalde reden voel ik mij niet langer gewenst in de keuken.
Ik plof me neer in een zetel in de woonkamer. Mijn favoriete zetel, een luie tweezit. Ik neem de Kibbelaar en blader erdoor, tot ik bij een kruiswoordraadsel kom, die half ingevuld is. Ik herken Remus' snelle handschrift. Bijna niet leesbaar. Normaal schrijft hij netjes, maar als hij kruiswoordraadsels invult, zijn favoriete bezigheid tijdens vakanties en vrije dagen, dan is het slordig zonder naam!
Ik neem de balpen die op hetzelfde tafelje als de Kibbelaar lag en begon dingen in te vullen die Remus blijkbaar niet had gevonden. Na een tijdje kom ik het laatste vakje tegen, die ik heb proberen te vermijden, omdat hij te moeilijk is. Denkend staar ik naar het woord waarvan ik een synoniem zou moeten geven. Dan dwalen mijn ogen af naar de zijkanten van de bladzijde, waar kribbelige nota's staan van woorden. Tot mijn oog valt op één wel héél erg slordig zinnetje. Ik hou het blad dichterbij en lees zachtjes:
'Ik...Hartje...Swiffer? Nee... Swier? Nee! Toch niet! Sier!'
De Kibbelaar glijdt uit mijn handen en ik kijk geschrokken naar de nota. Ik slik, sta op en ga de trap luidruchtig op naar mijn kamer. Ik hoor gestommel beneden. Ik weet niet wat er gaande is...
beneden
Remus rent de keuken uit, de hal in, waar hij nog net de zwarte jeans van Sirius ziet verdwijnen. Dan snelt hij naar de woonkamer en ziet wat voor Sirius' lieveling zetel op de grond liggen.
'Oh My God!'
Hij schrikt als hij de Kibbelaar open ziet liggen op het kruiswoordraadsel dat hij aan het maken was. Hij had hememaal niet verwacht dat Sirius het zou afmaken, laat staan dat blad zou vastnemen. Tijdens het maken van dat raadsel, waren zijn gedachten afgedwaalt en had hij zonder het te beseffen héél slordig: 'Ik hartje Sirius' geschreven.
'Nou, nu weet ik één ding zeker... Hij moet mij niet hebben...'
Een traan loopt over zijn wang en valt op het hartje dat er getekend staat. Remus draait zich om en gaat de keuken weer in, terwijl hij met een hand zijn tweede traan wegveegt...
De ochtend brak aan. Verdwaasd staar ik naar het raam, waar de zon zijn stralen op mij laat vallen. Ik heb mijn kleren nog aan. Ik herinner me niet meer wat er gisteren is gebeurt, tot ik mijn rechterhand zie. Aan de binnenkant staat er:
'Remus hartje Sirius'
En eronder:
'Sirius hartje Remus'
Ik probeer het weg te vegen, maar ik wrijf het alleen maar uit. Ik stop na een tijdje mijn verwoedde pogingen het weg te vegen en sta op. Ik kijk in de spiegel en vindt dat ik er niet uitzie. Mijn haar ligt warrig en mijn kleren zijn helemaal gekreukt. Ik staar dof in mijn eigen ogen, die dof terug staren.
Dan keer ik mijn rug naar de spiegel toe en buk me over mijn open hutkoffer. Ik vis er een zwarte jeans uit en een rood-gestreept shirt. De broek ziet er een beetje versleten uit, maar dat komt omdat ik me daarmee bezig gehouden had en hij loopt niet uit naar wijd, maar gewoon rechtdoor en hangt een beetje lager dan andere broeken tussen mijn benen. Niet zoals een baggy pants, gewoon, een klein beetje lager. Ik wissel snel van kleren en neem een zwarte kam ergens uit mijn hutkoffer.
Dan ga ik opnieuw voor de spiegel staan en kam mijn haar. Mijn haar is al een stuk gegroeid en ik besluit om maar eens wat nieuws te proberen. Ik maak een schuine scheiding, rechts op mijn hoofd. Waardoor er een heel stuk zwart haar voor mijn ogen komt te liggen. Ik gooi de kam terug in mijn hutkoffer en kijk tevreden naar mijn spiegelbeeld. Perfect! Ik ben meteen vrolijk. Gelijk loop ik dan ook huppelend de trap af en in het voorbijgaan klop ik op Remus' kamerdeur en zeg vrolijk:
"Opstaan, schoone slaper!"
En dan grinnik ik, alvorens de volgende trap huppelend af te gaan. Juist de laatste trede struikel ik en ga op mijn bek. Snel krabbel ik recht en kijk rond me alsof er niets is gebeurt. Ik huppel verder de gang in, niet wetend dat een grijnzende Remus me nakijkt. Vrolijk maak ik een uitgebreid ontbijt voor twee klaar. Als de tafel al helemaal gedekt staat, ga ik de woonkamer in en zet de radio vervelend luid. Het is juist 'Don't Lie' van de bekende Dreuzel-groep, The Black Eyed Peas. Ik ken het liejdje, had het al een paar keer gehoord, vandaar dat ik luid begin mee te zingen.
"In my book of lies I was the editor
And the author
I forged my signature
And now I apologise for what I did to ya
'Cause what you did to me I did to you
Nonononono, baby, nononono don't lie-h-ie
'Cause you kno kno kno kno, yeah, you kno kno kno know you gotta try-h-y
What you gonna do when it all comes out
When I see you and what you're all about."
De muziek wordt wat zachter gedraait, maar ik merk het niet, want ik zit nog steeds luidkeels mee te zingen. Er komt iemand de keuken binnen en ik voel plots twee handen die me van opzij kietelen.
Ik schiet in de lach, draai me om en sta drie centimeter van Remus' gezicht verwijdert. Ik heb ongelofelijk veel zin om het te kussen, nu op dit ogenblik. Maar ik besef dat ik dat niet kan maken, ik zou onze vriendschap voorgoed verpesten. De nota schiet plots mijn hoofd te binnen. En wat dan met die nota? Ik zit vast in een enorme tweestrijd met mezelf. Mijn ogen blijven hangen in de van Remus. Ik weet welke gevoelens er te zien zijn in mijn ogen, op dit moment, maar ergens is er iets in me die weigert die weg te doen.
"Ik hoop dat jou ogen niet liegen, zanger...", fluistert Remus.
Hij komt dichter tegen me staan. Ik wil dit! Nee! Het mag niet! Ik ga alles verpesten! Hij is niet eens op me! Remus legt voorzichtig zijn arm in mijn nek en voor ik het goed en wel besef buigt hij zijn hoofd naar me toe. Ik schiet in paniek, ik weet niet wat ik moet doen! Door mijn paniek-aanval, duw ik hem weg. Ik zie de blik in zijn ogen en de traan die over zijn wang rolt, ontgaat me niet. Hij staart me aan en dan in een plotse beweging, rent hij de achterdeur door naar het bos. Ik kan mezelf wel voor de kop slaan, wat ik ook doen. Ik bonk hard met mijn hoofd tegen een keukenkast.
"Ik-ben-een-stomme-domme-zak!", mompel ik tegen mezelf, terwijl ik nog eens mijn hoofd tegen de kast laat bonken.
Nu had ik het pas voorgoed verpest! Wat moet ik doen? Wat moet ik do-
"IK GA HEM ACHTERNA!", roep ik hard.
Maar naar waar zou hij zi- De grot! Zo snel ik kan ren ik de achterdeur uit, de tuin door en het bos in. Ik bereik de grot binnen enkele minuten, ik gooi me op de grond en rol onder het bosje struiken door. Dan spring ik weer recht en vertraag mijn pas. Behoedzaam stap ik naar het meer. Waar zou hij zijn? Het nest? Na een blik op het nest te werpen, weet ik genoeg. Niet daar, dus... Ik kan wel elke spleet, elke scheur van die verdomde grot afzoeken naar Remus! Denk, denk, denk... Ik hoor een krakend geluidje.
Het galmt door de grot. Ik kijk in de richting van de oorsprong van het geluid. Natuurlijk! De schommel! Het was een brede plank, waar je makkelijk met twee opkon, die Remus en ik hadden opgehangen. Dat was de mooiste plaats van de hele grot en meteen ook de enige plaats weer er een boom stond. Het plekje word verlicht, maar niet volledig, want de bladeren van de boom zitten in de weg. Ik doe mijn schoenen en sokken uit en ga met mijn voeten door het koude water tot op de plek. Het koude water helpt me om mezelf eraan te herinneren dat dit nog steeds realiteit is. Remus zit met zijn rug naar me toe en ik hoor snikken. Ik slik en loop stil op hem af.
"Mag ik... Erbij komen zitten?", vraag ik stil, als ik naast hem sta.
Hij kijkt met rode ogen opzij. Hij knikt en schuift op, zodat ik ook op de schommel kan zitten. Ik ga naast hem zitten en neem het linkse touw vast en leun er een beetje tegen. Remus snuift luid. Ik kuch een beetje ongemakelijk en zeg dan:
"Z-zakdoekje?"
En ik bied hem een papieren zakdoekje aan. Nou, dit komt zeker bovenaan in mijn lijst met meest stomme vragen op de meest slechte momenten... Al dat: 'Iemand een drankje' in een dodelijke situatie ook wel in aanmerking komt... Maar dat doet er niet toe! Remus neemt het zakdoekje aan en kan het niet laten om door zijn tranen heen en flauwe grijns op zijn gezicht te toveren. Blijkbaar vind hij het grappig...
"Het...", zeggen we alletwee tegelijk.
We glimlachen flauw.
"Jij eerst.", zeggen we weer samen.
Ik stoot een lachje uit en Remus glimlacht eventjes en zegt dan:
"Kijk, ik had mogen denken-"
"-en ik had je helemaal niet mogen wegduwen-"
"-maar ik kan er niet aan doen-"
"-dat ik van je hou!", zeggen we samen.
Beiden kijken we elkaar geschrokken aan.
"Zei je nou net-"
"-dat je van me houdt?", maak ik Remus' zin af, voor hij het kan.
Ik knik. Ja, natuurlijk hou ik van die gekke sentimentele weerwolf! En ook hij knikt. Ik slik, knijp even in mijn arm en zie Remus hetzelfde doen. Ik schuif een beetje dichter tegen hem aan.
"Het is best vreemd... Zo ontdekken over jezelf dat je eigenlijk, je weet wel, homo bent...", begin ik aarzelend.
Remus knikt begrijpend en komt nog dichter tegen me zitten.
"Vertel mij er alles van...", zucht hij.
"Hoe lang-"
"-weet ik het al? Goh... Al een tijdje, veronderstel ik. Maar sinds kort, toen jij die brief zond dat je ging komen... Toen voelde ik iets, iets dat je niet meer gewone blijdschap kon noemen... Ik heb het eigenlijk al altijd geweten, maar ik wilde het niet weten, snap je?"
Ik knik, dat heb ik ook...
"En-"
"-ik? Sjah. Voor ik naar jou kwam, begon ik, telkens ik tegen James liep, die aanraking vreemd te vinden, net alsof het niet gepast was. En het begon al helemaal goed te gaan toen ik jou zag en dat gevoel van duizenden fladderende vlinders maar niet wilde ophouden... Ik raakte helemaal in de war en ik werd bijna gek van al mijn twijfels... Maar ik denk ook dat ik het ergens al altijd geweten heb, maar het niet wilde aanvaarden..."
Ik verschuif even en ga met de schommel tussen mijn benen en mijn gezicht naar Remus' zijkant gericht, zitten. Remus kijkt voor zich uit, wat hij bijna het hele gesprek had gedaan. Ik zie een traan glinsterend van zijn wang glijden. Met mijn hand neem ik zachtjes zijn kin vast en draai zijn hoofd naar me toe.
"Waarom huil je?"
Ik ben een beetje verbaast. Alles is nu toch goed tussen ons? Of is er iets mis? Ik begin al een paniekerig gevoel te krijgen als hij zegt:
"Nu weet ik dat ik nooit meer eenzaam ga zijn... Ik h-hou van je, Sirius Zwarts!"
"Ik hou ook van jou, Remus Lupos!"
Ik buig mijn hoofd naar hem toe en sluit mijn ogen. Ik voel, na zo lang verlangen, eindelijk zijn lippen op die van mij. Het is een korte kus, maar vol liefde. Dan trek ik mijn hoofd langzaam weer achteruit, zodat mijn lippen van de zijne afglijden. Ik hou mijn ogen nog even dicht en kijk dan naar Remus, die nog steeds zijn ogen dicht heeft.
"Verassend...Nieuw... Ik heb nog nooit zo'n kus gehad, niet zo... Nieuw, niet zo anders. Niet zo...
Goed.", zegt Remus met zijn ogen dicht en hij bijt op zijn onderste lip, alvorens zijn ogen weer te
openen.
Ik kan het niet laten om te glimlachen.
"Het was anders, leuker, beter dan alle andere kussen die ik ooit gehad heb..." zeg ik en leg mijn hoofd op zijn schouder.
"Ha! En jij kan het weten, want jij hebt er al veel gehad..." lacht Remus en legt zijn hoofd tegen het mijne aan.
Zachtjes schommelen we heen en weer en blijven in stilte van de nieuwe liefde genieten.
-lala-
Mooi hoofdstuk? Snel genoeg gepost?
Want hiermee zullen jullie het dit weekend waarschijnlijk mee moeten doen P Tenzij ik morgen plots post-zin krijg xD
Kus.
