Ja, ja. Eindelijk post ik weer eens P Had ik gisteren moeten doen, maar ik was druk bezig. kuch

Anyhow, ik post dan maar vandaag, maar eigenlijk bijna morgen xD

Disclaimer: J.K. owns this, I don't. (Just happy to use some of the characters)


Hoofdstuk 6
Dagboek

Ik heb geen idee hoe lang we daar zitten, maar we worden verstoord door mijn lieve maag die schreeuwt om aandacht en vooral eten. Ik hoor en voel Remus grinniken, want zijn hoofd ligt nog steeds op het mijne.

"Ik denk dat het beter is dat we maar eens terug zouden gaan, denk je ook niet?", vraagt hij en hij staat recht.

Ik vervloek mijn maag, die opnieuw gromt. Dan besluit ik om ook maar recht te staan. Remus kijkt me aan en loopt dan voor me naar het meer toe. Ik volg hem. Dan lopen we samen de grot uit. Op weg naar Remus' huis, lopen we zwijgen en een beetje onwennig tegen elkaar. Een paar keer raken onze handen elkaar en dan kijken we enkele ogenblikken in elkaar ogen, om vervolgens weer op de weg te letten. Nog steeds zwijgend gaan we nu de keuken binnen, ik hou de deur open voor Remus, die als bedankje een zoen op mijn wang drukt. Allebei blozend gaan we aan tafel zitten en vallen aan. Drie boterhammen, een pannenkoek met poedersuiker en een warme chocomelk later, zit ik tevreden achterover.

'Dat was een héérlijk ontbijt, Sier! Héérlijk!'

Remus kijkt me glimlachend aan.

'Ah, dat was toch het minste wat ik terug kan doen, na al die verukkelijke middagmalen!'

En ik kijk glimlachend terug en geen een knipoogje. Remus bloost een beetje.

'Wat zullen we vanmiddag doen?', vraag ik een beetje ongeïnteresseerd.

'Misschien moeten we beter eens naar de Wegisweg gaan, om onze boeken te halen. Dan zijn we daar al van verlost!', zegt Remus.

Ik knik.

'Ja en ik moet nog enkele gewaden bijhebben... Maar eerst moet ik geld uit mijn eigen kluis halen.'

Mijn ouders hadden me al sinds ik klein was een eigen kluis gegeven bij Goudgrijp. En elk jaar kwam er een redelijk groot bedrag bij. Toen ik was weggelopen, had ik de sleutel meegenomen, omdat ik wist dat het geld me van pas ging komen. Ik hoor Remus opstaan en niet veel later glijd een ar rond mijn hals. Ergens dichtbij mijn oor hoor ik een onrustige ademhaling. Mijn hart klopt hard in mijn bortskas.

'Ik hou van je...', fluistert de hese stem van Remus in mijn oor.

Ik draai mijn hoofd een beetje en onze neuzen raken elkaar. Zachtjes druk ik een kusje op zijn lippen. Hij kust terug. Dan knuffelt hij me en roept, terwijl hij de keuken uitloopt:

'Jouw beurt voor de afwas, Sier!'

En met een gegrinnik verdwijnt hij in de hal. Die verleider! Me eerste verleiden en me dan de afwas laten doen! Die kleine afzetter! Ik begin met een grote grijns de broden af te ruimen en af te wassen. Al snel ben ik klaar en ga in mijn favoriete zetel liggen.

Ik pruts een beetje met het zilveren kettinkje dat nog steeds rond mijn hals hangt. Ondanks dat ik niet weet van wie het is, blijf ik het dragen. Ik ben bang, dat als ik het afdoen, ik meteen ook iets heel belangrijks in mijn leven zal kwijtraken... Langzaam vallen mijn ogen dicht en in korte tijd slaap ik.

'Remus, waarom? Waarom heb je het niet eerste overlegd met mij? Waarom!'
Ik had Remus bij de schouder vastgenomen en schud hem nu helemaal door elkaar.
'Ik hoef ook niet iedere keer alles met jou te bespreken! Ik ben geen klein kind meer! Ik ben al volwassen, Sirius! Ik heb het James verteld omdat ik dat nodig vond! Hij zou het vroeg of laat toch ontdekken! En als je daar niet tegen kan, rot dan op!'
Remus begint woedend te klinken. Ik wordt razend van hoe hij tegen me spreekt. De drie woorden vliegen uit mijn mond, zonder dat ik erover kan nadenken.
'Het is uit!', gil ik woedend.
'Goed! Maakt mij NIETS uit!', schreeuwt Remus terug en hij rent stampvoetend weg.
Ik kom t het besef van wat ik gedaan heb en plof neer in de dichtsbijzijnde zetel met tranen in mijn ogen. Nu is het voorgoed gedaan. Het is u-

'Wakker worden, schone slaper!'

De hese stem van Remus wekt me uit mij gruwelijke droom. Geschokt staar ik hem aan.

'Wat? Wat deed ik nu weer verkeerd? Als het om de afwas gaat... Sorry, oké? Ik had je moeten helpen! Ik-'

'Nee, hoor! Het is goed, Rem. Ik had gewoon een akelige droom...'
Ik schud mijn hoofd. Remus heft zijn hand op en strijkt even door mijn haar.

'We zouden beter nu al vertrekken naar de Wegisweg, denk je niet? We kunnen daar wel iets te eten bestellen.'

Ik knik.

'Hoe zullen we gaan? Toch niet weer die vervloekte paarse bus, hé?', zeg ik waarschuwend.

Remus kijkt me scheef aan en zegt heel onschuldig:

'Waarom ook niet? Heb je misschien een iets eng tegengekomen op je reis naar hier, dan?'

Hij probeert nog onschuldiger te kijken, maar barst dan in lachen uit

'Even dacht ik dat je we serieus was, Rem!', antwoord ik geschokt.

Hij geeft me een speels duwtje en ik geef een duw terug. In zijn val grijpt hij mijn shirt vast en trekt me mee. Zacht beland ik op hem.Hij lig nu languit op de zetel. Ik voel zijn arm rond mijn nek glijden. Langzaam buig ik mijn hoofd naar hem toe en speel terwijl een beetje met een lok van zijn haar. Onze neuzen raken elkaar zachtjes en ik schud mijn hoofd een beetje, zodat onze neuzen elkaar af en toe raken. Ik kijk in zijn ogen en zie pretlichtjes branden. De warmte die zijn ogen uitstralen is ongeloofelijk. Hij kijkt zacht en teder. Ik buig mijn hoofd nog een beetje dichter. Ik raak zijn lippen even aan en trek dan een klein beetje terug. Ik plaag hem wat. Er verscheen een grijns op Remus' lippen.

'Plaag me niet zo, Sier!', fluisterde hij.

'Doe ik dat dan?', fluister ik ondeugend terug, terwijl ik nog eens zachtjes zijn lippen aanraak.

'Ja, hoor, je doet het opnieuw... Kom hier, jij!'

Remus duwt mijn hoofd zachtjes dichter en ik zoen hem nu vol op de lippen. Hij zoent terug.Ik bijt zachtjes op zijn onderste lip en trek er wat aan. Ik voel zijn hand over mijn rug glijden, tot hij bijna op mijn achterste komt te liggen. Ik trek me zachtjes terug uit de kus en bijf met mijn gezicht enkele millimeters boven het zijne hangen. Ik open mijn ogen en zie hem hetzelfde doen. Hij kijkt me nog steeds lief aan.

Ik kan niet aan zijn blik weerstaan en buig mijn hoofd opnieuw. Opnieuw kus ik hem vol op de mond. Deze keer bijt hij zachtjes op mijn onderlip. Met een laatste zachte kus op zijn lippen, ga ik opnieuw rechter zitten. Remus komt ook recht en ondersteunt zijn lichaam met zijn elleboog en onderarm. Mijn voeten raken opnieuw de grond en ik ga mooi rechtop zitten. Naast mij zit Remus nu volledig recht en komt achter me zitten. Hij slaat zijn armen om mijn hals.

'Ik wil je nooit kwijt, Sier!', fluisterd hij in mijn oor, voor hij naast me komt zitten.

'Ik wil je ook nooit kwijt, Rem! Ik zou niet weten wat ik moet doen!', zeg ik lief terug.

Hij glimlacht lief naar me en staat dan recht. Hij loopt naar de open haard, blijft daar staan, met zijn hand op enkele bakstenen ervan en draait zich dan om. Hij opent zijn mond en zegt:

'Omdat we niet me die mooie, handige, lieve, pimpelpaarse, grappige driedubbelde-'

'Duw het er nog een beetje in, Rem!', roep ik verontwaardigt. 'Ik heb al trauma's genoeg aan die rotbus!'

Remus grijnst en wrijft met zijn hand over de stenen.

'Daarmee, omdat we niet met die rotbus gaan, gaan we met Brandstof!'

Ik zucht opgelucht. Ik had, om eerlijk te zijn, iets véél erger verwacht dan die robus, waar ik eeuwige trauma's aan ga overhouden...

'Goed! Alles liever dan die bus, nu, hoor!'

Ik sta recht en zet enkele stappen naar Remus toe. Remus neemt een klein bloempotje, gevuld met iets wat op as lijkt.

'Je weet hoe je met Brandstof moet reizen?', vraagt hij me.
Ik knik. Natuurlijk weet ik dat! Toen ik nog thui- Nee! Niet over dat beginnen nu!

'Oké, daar ga ik dan! WEGISWEG!', roept Remus in de haard en met een knipoog verdwijnt hij in het groene vuur.

Zuchtend neem ik het bloempotje vast. Ik neem er wat as uit en zet het dan terug. Ik gooi het in

het vuur en roep:

'WEGISWEG!'

Met een laatste blik op de kamer, verdwijn ik rondtollend tot ik de juiste haard heb gevonden en stap er dan uit. Ik ben helemaal bestofd. Ik klop mijn kleren af en stap verder de winkel in. Het is er een beetje donker en overal staan gigantische torens boeken. Waar is Remus? Ik loop wat verder en plots springt er een gedaante voor me.

'BOE!'

Ik gil ongeloofelijk hard en ren angstig de winkel uit, een geschokte Remus achterlatend. Buiten stop ik met gillen en kijk naar de naam van de winkel. Het is Klieder & Vlek. Een hoofd met bruin haar komt tevoorschijn en rent de deur uit.

'Sier? Is alles oké?' Remus rent naar me toe. 'Het spijt me echt waar! Het was niet me bedoel-'

'IK HEB AL TRAUMA'S ZAT, gaf je me er net nog ene bij... Bedankt...'

Ik kijk hem in shock aan.

'Sor-WAT? IK ben je trauma nu?', vraagt Remus geschokt aan me.

Ik zucht.

'Blijkbaar wel, ja...', mompel ik zo onverstaanbaar mogelijk.

Hij werpt me een vuile blik toe. Blijkbaar heeft hij me verstaan... Jammer voor hem dan, maar ik blijf er lekker wel een eeuwig trauma aan overhouden. Hij grijpt mijn bovenarm vast en trekt me mee de straat in. Het is nog niet zo druk. Natuurlijk niet, niemand, of toch bijna niemand, gaat nu al inkopen doen voor het nieuwe schooljaar. We zijn op weg naar Madame Mallekin, voor mijn nieuwe gewaden. Plots loopt er een jongen tegen Remus.

'Hé! Pas op klein ven- KRISTOF? Wat doe jij hier?'

Remus kijkt de kleine knaap met grote ogen aan. De jongen staart hem met grote grijze ogen aan.

'I-Ben jij een tovenaar, Remus? Dat wist ik helemaal niet!', begint de jongen, genaamd Kristof.

'Ja, i- Maar ben jij dan één?'

Remus kijkt de jongen aan alsof hij een interessant tv-programma is.

'Nee en ik vraag me al helemaal af hoe ik dan weet dat er tovenaars bestaan... Dûh, ben ik een tovenaar, wat zou ik hier anders te zoeken hebben? Er komen hier heus geen Dreuzels, hoor!'

'HEY!', roept een man verontwaardigt, die net voorbij komt.

Ik staar de man geschift aan. Wat was dat!

'Wat leuk, Kristof! Hé, je komt toch naar Zweinstein!', zegt Remus opgewonden.

Ik hou me een beetje afzijdig en luister naar het gesprek.

'Ja, ja, natuurlijk! En ik hoop echt dat ik Griffoendor kom te zitten!', zegt de jongen, nu ook opgewonden.

'Wauw! Ik zit in Griffoendor, samen met die hier!'

Remus kijkt me aan. Te verwondert om iets te zeggen, staar ik naar Kristof. Remus stoot met zijn elleboog in mijn ribben.

'Zeg dan iets, Sirius!', fluistert hij kwaad.

'Excuseer... Mijn naam is Pipo Milo.', zeg ik en grijns.
Ik steek mijn hand uit en schud die van de jongen. Remus rolt met zijn ogen en slaat beschaamd zijn hand tegen zijn voorhoofd. Hij zucht hopeloos.

'Goeie dag... Pipo...'

De jongen kan een grijns niet onderrukken. Ik grijns ook. Remus begint er genoeg van te krijgen en zegt:

'Oké, kappen nu! Ten eerste: hij noemt helemaal niet... Pipo Milo. Hij heet Sirius Zwarts en ten tweede: hij is de grootste t-'

'Ik ben niet het grootste trauma! Dat ben jij!', roep ik verontwaardigd.

'Ik ging zeggen, 'hij is de grootste tomaat', Sirius...', mompeld Remus ironisch.

Kristof staart ons aan alsof we een kibbelend getrouwd koppel zijn. Remus en ik draaien allebei tegelijk ons hoofd en roepen:

'Wat valt er te staren!'

De jongen kijkt ons vreemd aan, zet dan een stap achteruit, draait zich om en rent weg, gillend:

'MONSTERS! MA! MONSTERS! HELP!'

'Pipo...', snauwt Remus me toe.

'Dat is me naam, wat is er?', vraag ik zo onschuldig mogelijk.

Remus zucht.

'Geen ruzie meer, Sirius.'

Hij legt de nadruk op mijn naam.

'Excuseer me, Rem, maar ik verkies toch echt liever Pipo, hoor!'

Ik zeg het zo serieus mogelijk, maar bij het zien van Remus' hopeloze blik, schiet ik in de lach.

'Ach, goed dan!'

Ik loop verder en ga Madame Mallekins winkel binnen. Remus komt achter me aan en zegt:

'Ik ga wel achter onze boeken!'

Nog voor ik kan antwoorden, draait hij zich om en rent de winkel uit. Madame Mallekin komt op me afgelopen en het gezever kan beginnen...
Eindelijk mag ik weer mijn gewone kledij aantrekken en betaal. Ik zie Remus bepakt voor de winkeldeur staan. Ik loop de winkel uit en negeer hem. Als ik wat verder sta, mompel ik luid genoeg zodat hij het kan horen:

'Waar is mijn Remus nu naartoe? Waar is 'ie? Waar is 'ie toch?'

'Leuk geprobeerd, Zwarts...'

Remus duwt de helft van de boeken in mijn handen.

'Ik wil NOOIT meer Zwarts genoemd worden! Vanaf nu heet ik Pipo Milo!'

'Nee... Niet weer!', mompelt Remus kwaad.

'Grapje! Vanaf nu heet ik Sirius Lupos! Véél beter, vind je niet?'

Ik grijns. Het was even stil.

'Laat dat maar niet horen aan James en Peter! Straks bekijken ze ons nog raar!', zegt Remus waarschuwend.

Nadat we alles hebben gekocht, gaan we wat eten in De Lekke Ketel. We bestellen alle twee iets lekkers. Al snel is ons eten opgegeten en ik besluit te trakteren.

'Voor mijn verjaardag...', mompel ik tegen Remus.

'Maar... Die is pas morgen!', zegt hij terug.

'Maakt niet uit, maakt niet uit! Dan is het voor jou!', zeg ik stil terug.

Hij kijkt me lief aan. Ik betaal en we lopen naar de haard. Remus gaat als eerste. Hij roept:

'Maanstraat 23!'

Hij verdwijnt. Ik zucht, neem wat Brandstof en roep:

'Maanstraat 23!'

Een beetje loom stap ik in de groene vlammen en verdwijn.

Het word donker buiten en Remus ligt half-slapend tegen me aan. Ik heb mijn arm om hem heen geslaan en kijk naar de tv. Er was een thriller op, hij heette 'The Seventh Gate' en blijkbaar speelde Johnny Depp mee. Remus wrikkeld wat en komt nog dichter tegen me aanliggen. Hij slaat zijn arm om mijn borst heen en mompeld wat.

Het lijkt op: 'Ik hou van je' of zo. Ik wil de film graag uitkijken, want ik zie wel graag spannende films.

De film eindigd en hoor ik de diepe, langzame adem van Remus. Hij slaapt... Voorzichtig neem ik zijn arm en haal hem van mijn lichaam. Ik sta traag recht en buk me over Remus heen. Ik twijfel. Laten liggen of meenemen? Ik besluit hem mee te nemen. Ik til hem langzaam op, zijn benen over mijn ene arm en zijn schouderbladen op mijn andere arm. Voorzichtig loop ik naar de hal en ga de trap op. Met mijn elleboog doe ik zijn kamerdeur open. Ik leg hem op zijn bed. Ik haal de lakens vanonder hem vandaan. Ik trek zijn sokken uit en doe zijn trui voorzichtig af. Daarna leg ik het laken over hem heen en ga naast hem op zijn bed zitten. Ik strijk met mijn hand door zijn lichtbruine haar. Daarna ga ik met mijn wijsvinger zachtjes over zijn neus en dan over zijn lippen. Ik buig mijn hoofd naar hem toe en geef een zacht kusje op zijn neus.

'Slaapwel, Remus...', fluister ik zachtjes voor ik de kamer uitloop en naar bed ga.

Ik hoor niet meer dat Remus zachtjes zegt:

'Slaapwel, Prins...'

De zon schijnt warm op mijn gezicht. Ik heb geen zin om nu al wakker te worden. Ik voel iemand voorzichtig naast me komen liggen en naar mijn gezicht kijken. Niet veel later proef ik de zoete lippen van Remus, die me zachtjes een kusje geeft. Ik open mijn ogen voorzichtig en kijk onmiddelijk in zijn amber-kleurige ogen, die mij met twinkelende lichtjes aankijken.

'Morgen, jarige!', fluistert hij vrolijk en legt zij ene arm rond mijn nek en zijn andere op mijn zij.

Hij knuffelt me. Ik haal mijn handen omhoog en leg ze rond zijn nek. Ik knuffel terug. Dan laat Remus me los en fluistert:

'Ik heb wat voor je, Sier.'

Hij grijnst mysterieus naar me en haalt een mooi rood pakje vanachter zijn rug. Het pakje is redelijk plat en nogal groot. Ik durf het bijna niet open te doen. Ik kijk van het pakje naar Remus, die me glimlachend aankijkt. Ik slik en scheur het pakje langzaam open. Een stukje van een mooie zwarte kaft komt tevoorschijn. Ik scheur de rest van het papier eraf en bekijk mijn geschenk met grote ogen.

'Hoe- Hoe wist je dat?', zeg ik verbaast tegen Remus.

'Een gevoel, veronderstel ik...'

Remus glimlacht mysterieus. Ik wrijf zachtjes met mijn hand over de kaft.

'Het is prachtig! En kijk- Wauw! Zelfs mijn naam staat erop!'

Op de zwarte kaft staat in sierlijke, donkerrode letters 'Sirius' geschreven. Ik val in zwijgen en doe het open. Lege bladzijden kijken me smekend aan om op geschreven te worden. Eindelijk... Eindelijk kan ik al mijn gevoels kwijt in mijn nieuwe dagboek...