Hèèj!

Ik wil de mensen bedanken die een revieuw hebben gegeven tot nu toe, God bless you guys

Anyhow, I won't hold you up any longer. Lees maar lekker P


Hoofdstuk 7
Zweinstein en zijn nieuwe geheim.

Het is de avond voor het vetrek naar Zweinstein. Remus zit in de zetel naast me en ik hou mijn dagboek vast. Sinds ik het heb gekregen, hang ik eraan vast. Ik zit te schrijven, terwijl Remus tegen me aan ligt en tv kijkt.

Ik vind het echt zo fijn, dat Remus en ik samen zijn!

Glimlachend kijk ik op. Het rijmt! Het brengt me op een idee. Misschien hoeft een dagboek niet enkel een dagboek te zijn, maar een dagboek én een gedichtenboekje! Blij door mij idee, begin ik aan mijn eerste gedichtje.

Verloren

Huilend door Straten van Ellende
Zoek ik mijn eigen geluk
Maar hoe,
Hoe kan ik vinden wat ik zoek
In een wereld waar wij niet langer
Samen zijn

Schreeuwend door de Vlammen van Pijn
Vraag ik me af
Hoe het zou zijn
Om helemaal alleen te zijn
Enkel jezelf
En die afschuwelijke liefdespijn

Vliegend door Wolken van Geluk
Wil ik opnieuw eenzaam zijn
Zonder jou
Zonder het niet langer bestaande
'Wij'

Stromend door de Rivier van Vergetelheid
Verlang ik naar herkenning
Naar liefde en zijn pijn
Naar iets wat enkel kan zijn
Als wij niet langer

Verloren zijn...

Tevreden kijk ik naar mijn gedicht. Ik wrijf met mijn veer wat over mijn gezicht. Niet slecht, vind ik. Ik sla mijn dagboek dicht en leg hem opzij. Ik rek me uit en gaap. Remus slaat zijn armen om mijn borst heen en komt dichter tegen me liggen. Hij duwde zijn neus zachtjes tegen die van mij. Glimlachend schud ik mijn hoofd een beetje, zodat mijn neus ie van hem soms aanraakt. Dan duwt hij zijn zachte lippen op die van mij, voor maar héél even. Dan zegt hij:

'Tijd om naar bed te gaan, want morgen moeten we vroeg uit de veren!'

Ik kijk hem smekend aan. Nog één kusje, nog ééntje, denk ik naar hem toe. Ik weet dat hij me niet kan verstaan, maar wonder boven wonder druk hij nog een kusje op mijn lippen en trekt me dan recht.Ik grijp zijn hand zachtjes vast en trek hem mee de trap op. Bij zijn kamer glijd zijn hand uit die van mij en met een laatste liefdevolle blik, verdwijnt hij achter zijn kamerdeur. Ik sta nog even te kijken naar zijn deur en vertrek dan naar mijn kamer. Ik kleed me om en leg me op het grote bed. Ik staar naar de sterren uit het raam. Plots zie ik een vallende ster.

'Wat prachtig!', fluister ik verwonderd.

'Doe een wens, Sier, doe een wens!', fluistert een bekende stem in mijn oor.

Ik draai me niet om, want ik heb niemand naast me voelen kruipen. Ik sluit mijn ogen en wens. Ik draai me om, mijn ogen nog steeds gesloten. Langaam val ik in slaap, maar ik ben nog wakker genoeg om twee zachte lippen op de mijne te voelen, voor ik naar Dromeland verdwijn...


'Nee, nee, dat moet daar!', zegt Remus ongeduldig.

Ik grijp de boeken vast en gooi ze waar Remus naar wijst.

'Goed, ik denk dat we klaar zijn!', zeg ik.

'Het spijt me, Sirius, maar we zullen echt wel met die bus moeten gaan...'

Ik kijk hulpeloos naar Remus.

'Goed dan!', grom ik.

Ik grijp mijn hutkoffer vast en Remus neemt die van hem vast. We slepen ze naar buiten.

'Hé! Remus! Ga je ook vertrekken?', roept een kleine jongen, vanuit de deur van het huis naast die van Remus.

'Ja, Kristof! We gaan met die tovenaarsbus, al heeft Sirius er niet veel geen zin in!', roept Remus terug.
Ik kijk de jongen nors aan. Er komt een vrouw bij de jongen staan.

'Ha, Remus! Kristof heeft me verteld dat je ook een tovenaar bent.', roept ze vriendelijk. 'En dan moet jij Sirius zijn!'

De vrouw richt zich naar mij.

'Ja, dat ben ik, mevrouw!', roep ik beleefd terug.

Kistof zegt iets tegen zijn moeder. Zijn moeder kijkt naar ons en roept:

'Hé, als jullie willen mogen jullie met ons mee! Er is plaats zat!'

Ik stoot Remus aan en knik heftig. Remus kijkt me denkend aan.

'Waag het eens!', mompel ik dreigend.

Remus kijkt me niet onder de indruk aan.

'Ik zweer het je, Rem! Als je die bus durft te nemen, dan zorg ik er persoonlijk voor dat je niet meer van die Zweinsteinexpress afkomt! Ik heb al trauma's genoeg!'

'Hoe durf je! Je eigen vriendje vervloeken, hé? Nou... Das laf!', mompelt Remus triomfantelijk naar me toe.
'Goed! We gaan mee! Bedankt!', roept Remus naar de moeder van Kristof.

Ik zucht van opluchting. We slepen onze hutkoffers naar de auto en zetten ze erin neer. Kristof, die al in de auto zit, gebaart met zijn hand dat we naast hem moeten komen zitten. Remus opent de deur en stapt in de auto, ik ga naast hem zitten en gooi de deur dicht.

'Spannend, hé!', zegt Kriftof zenuwachtig. 'Mijn eerste keer naar Zweintein, ongeloofelijk! Kunnen

jullie misschien even vertellen hoe het ginder is?'

Hij kijkt ons met grote smekend ogen aan. Remus glimlacht vriendelijk en begint te vertellen. Niet veel later moei ik me ook met het gesprek en zeg een paar streken die ik al uitgehaald heb. We hebben veel lol en het is gezellig. We zijn al snel bij het King's Cross station. Remus en ik halen onze hutkoffers uit de koffer en zetten ze op een karretje.

'Nou, tot op Zweinstein, Kristof!'

Remus schud zijn hand. Daarna schud ik zijn hand en zeg:

'Haal maar veel streken uit!'

Met een grijns op mijn gezicht ga ik Remus achterna in de drukte. Remus stopt plots en ik bots bijna tegen hem aan.

'Opgepast! Geen Dreuzels?'

Hij kijkt heen en weer en loopt dan op een drafje een muur door tussen perron negen en tien. Met een blik op enkele voorbijgangers, loop ik hem snel achterna.
Er komt stoom uit de trein en ik kijk blij rond me. Eindelijk ging ik weer naar mijn echte 'thuis'. Al kwam Remus' huis er ook wel dicht in de buurt.

'Hé! JAMES!'

Remus roept naar een zwart-harige tiener, die met zijn rug naar ons toe gedraait staat. Hij draait zich om en zijn blik verandert meteen. Hij komt hyper naar ons toelopen en vliegt ons rond de nek.
'REMUS EN SIRIUS! Wat goed jullie weer te zien!', zegt hij opgewonden.

'Ha! James, fantastisch goed, ja! Haha, ik heb me echt plat gelachen met dat Lily-voorvalletje van

je!', lach ik.

'Ja, maar het was ook wel een beetje erg grof, hé, James!', zegt Remus met een kleine glimlach.

'Remus! We zijn nog niet eens op Zweinstein en de klassenoudste in je spreekt alweer!'

James grijpt Remus vast en schud hem door elkaar.

'Laat die leuke Remus eruit! Verdorie jij Klassenoudste!'

Ik schiet in de lach en Remus kan zich ook niet inhouden. Er klinkt een fluitje en iedereen gaat een plaatsje zoeken op de trein. Ik sleur mijn hutkoffer op de trein en help Remus en James. Samen gaan we onze gewoonlijke coupé zoeken.

'Aah! Dat doet goed!', zucht ik, terwijl ik neerplof op de bank.

James gaat over me zitten en Remus blijft in de deur staan.

'Ik moet naar de eerste wagon... Er wacht werk op me...'

Hij werpt een eenzame blik op mij en verlaat de coupé. James heeft er niets van gemerkt, want hij kijkt uit het raam.

'O-Ow!', zegt hij stil en laat zich zakken op de bank, zodat hij onder het raam komt met zijn hoofd.

Ik kijk uit het raam en zie een meisje met rood haar woedend rond zich kijken en dan de trein opstappen.

'Die is uit op wraak, James... Ik zou maar goed oppassen, dit schooljaar! Zo makkelijk kom je niet van haar af, makker!'

Ik grijns bij de gedacht om Lily James te zien slaan of ondersteboven te hangen in de Grote Hal.

'Wat grijns je nou?', snauwt James, die nog steeds uit het zicht van het raam is.

'Niets...'

Ik hou mijn grijns in bedwang.

'Vind je het misschien grappig dat Lily me van kant wil maken... Ik anders NIET, Sirius!', zegt James doodserieus.

Hij duwt zich een beetje hoger en kijkt over het randje van het raam.

'Ze is er niet meer? Echt niet?'

Hij kijkt me kinderlijk aan, met van die ogen die zeggen: ik-heb-een-geschenkje-gekregen!

Compleet geschift...

'Ja, James, ze is al eeuwen weg! We zijn zelfs al aan het rijden, hoor je me! Rijden naar Zweinstein!', zeg ik hem heel duidelijk.

'Ze is weg! JAHOE Mijn leven is vei-'

Nog voor James zijn zin kan afmaken, gaat de coupédeur open en een knappe rood-harige zesdejaars komt de coupé binnen. Ze kijkt furieus richting James.

'Evers, lieveling!', probeert James nog.

'POTTER! IK ZWEER HET JE OP MIJN HART! ALS WE OP ZWENSTEIN ZIJN-'

Oef, ze stelt het uit... Dat kan je lezen van James' gezicht. Niet erg slim...

'ALS WE ER ZIJN, HÉ! DAN ZUL JE ELKE STAP ACHTER JE MOETEN KIJKEN! ZUL JE ELKE DAG MET DE ANGST RONDLOPEN VERMOORD TE WORDEN! DAT ZWEER IK JE, JIJ KLEIN ROTVENTJE!', raast Lily verder.

Ik kijk met opgetrokken wenkbrauw naar James, die ineen gedoken zit als een klein kind die bang is van zijn vader.

'PAS MAAR OP, POTTERVENTJE VAN NIETS! IK GA JE WEL HEBBEN!', gilt Lily als laatst, voor ze, wijsend naar James met haar vinger, de coupé uitstapt. Ze doet de coupédeur dicht en ik hoor luid gevloek. Ik sta recht en steek mijn hoofd vanachter de coupédeur. Lily staat luidkeels vloekend met haar hand te zwaaien. De hand van die enge wijzende vinger...

'Shit! STOMME DEUR!', zegt ze luid, zwaaiend met haar hand, alsof het een vies beest is dat op haar zit en dat er probeert af te schudden.

'Wat heb je gedaan?', vraag ik nieuwsgierig.

'MIJN ROTVINGER TUSSEN DIE ROTDEUR LATEN ZITTEN, ZAK!', gilt Lily kwaad tegen me.

'HEY, HEY! Hij is wel mijn zak!'

Een nieuwe en toch bekende stem had zich met het gillend gesprek bemoeid. Remus. Ik kijk hem dankbaar aan. Lily, die nu niet langer meer met haar hand zwaait, kijkt ons aan met een ik-hou-jullie-vanaf-nu-goed-in-de-gaten-blik.

'Mijn zak, Remus? Wat moet ik weten?', zegt Lily behoedzaam

Ze is haar vinger volledig vergeten. Remus kijkt haar nonchalant aan.

'Oei, je neemt het verkeerd op, zie ik. Ik bedoelde daarmee dat alleen ik hem een zak mag noemen in andermans bijzijn. Snap je!', zegt hij op een zakelijke toon.

Ik staar hem verontwaardigt aan. Ik ben geen zak! Lily kijkt hem aan alsof ze het weet.

'Ik wéét het, jongens! Wees gerust, ik wéét het! Ik ben echt niet achterlijk, zoals Potter! Ik heb jullie allebei door! Let maar op, ik heb alleen geen bewijzen nu. Dus ik kan zeggen wat ik wil, niemand zal me geloven... Niet dat ik iemand iets zou vertellen!', voegt ze er vlug aan toe als ze onze geschifte blikken ziet.

'Wat wéét je, Lily?', vraag ik quasi-geïnteresseerd.

Ik bekijk mijn nagels alsof ze mijn levenswerk zijn en staar haar daarna doordringend aan. Als ze niet antwoord, zeg ik opnieuw, nu iets doordringender:

'Wat wéét je, Lily?'

En ook Remus begint haar nu doordringend aan te staren.

'Ik wéét het gewoon...', fluistert ze nog een laatste keer waarschuwend en loopt dan weg.

Ik werp Remus een veelbetekende blik toe en open dan de coupédeur voor hem. Samen ploffen we naast elkaar op de bank.

'Ik ben NIEMANDS zak! Ik ben GEEN zak!', zeg ik tegen Remus.

We starten een discussie. James staat op en doet de coupédeur open en gilt door de gang:

'IK BEN NIET BANG VOOR JE, E-'

Hij draait zich naar ons toe en vraagt:

'Evers is toch weg, hé?'

Ik knik, waarbij James zijn hoofd weer omdraait en opnieuw door de gang roept:

'IK BEN NIET BANG VOOR JE, EVERS!'

Tevreden knikt hij met zijn hoofd, sluit de deur en ploft opnieuw op de bank.

'Ik vraag me af waar Peter is... Als je van de duivel spreekt... Zie je zijn staart...', mompelt James, als Peter de coupé binnen komt vallen. Hij ging naast James zitten, die hem een beetje walgend aanstaart.

'Goeie middag.', zegt Peter met een pieperig stemmetje.

Hij kijkt de groep aan. Ik trek me niet veel van hem aan en ga opnieuw in discussie met Remus. Even later komt het etenskarrete langs en ik koop wat snoep voor mezelf en Remus, die zijn geld in zijn hutkoffer zitten had en te lui is om het eruit te halen. Terwijl ik mijn snoepgoed eet, begin ik een nieuwe discussie met Remus, die eindigt op gekibbel.

'Verdorie, Severus is ook maar eens mens, Sier!'

Remus brengt zijn gezicht dicht bij het mijn. Ik staar hem met grote ogen aan. Mijn ogen flitsen

opzij, naar James en Peter, die plots geboeit naar ons kijken.

'Wat ga je doen, Rem?', mompel ik héél stil.

Ik beweeg mijn gezicht niet.

'Ik zou je best willen kussen, Sier! Zo dicht...', mompelt hij onhoorbaar terug.

'Niet hier!', sis ik.

Ik kijk in zijn ogen en duw hem daarna weg.

'Je kunt me zo niet bang maken, Remus! Zo zal het je nooit lukken, ik ben niet onder de indruk!', zeg ik hem bazig.
Hij houd zijn mond en kijkt me gewoon aan. James en Peter verliezen hun interesse en praten opnieuw. Ik schuif wat dichter bij Remus en fluister in zijn oor:

'Ik ben wel degelijk onder de indruk, Rem. Onder de indruk door jou mooie ogen.'

Ik ga weer wat verder zitten en kijk hem grijnzend aan. Hij glimlacht speels terug. Het begint langzaam donker te worden. De deur van de coupé gaat opnieuw open en Remus komt tevoorschijn, van zijn ronde.

'Ik denk dat we ons best zullen verkleden, nu! We komen binnenkort aan.', zegt hij.

Hij grijpt zijn hutkoffer en haalt zijn gewaad uit. Ik volg zijn voorbeeld en in een mum van tijd is iedereen aangekleed. Regendruppeltjes kletsen tegen het raam. Ik staar naar het raam en volg de druppels die ervan glijden. Remus komt naast me zitten. Hij schuift een beetje dichterbij, zodat ik zijn lichaam tegen het mijne voel. Ik zucht. Ik krijg een rilling over mijn lichaam en kom tot het besef hoe gelukkig ik wel niet ben. Remus... Mijn vriend... Ik glimlach naar het raam en zie hoe twee druppels zich verenigen en langzaam naar beneden glijden. Maar ze blijven niet lang samen en ze worden weer gescheiden en vallen uiteen...

Hopelijk gebeurt dat nooit met ons.

Ik zucht opnieuw.

'Remus, Sirius! Hier is nog een koest vrij!', roept James, die, vanaf hij uit de trein was gestapt, druk naar een lege, of eerder gezegd: een Lily-loze, koets had gezocht.

Peter zat al in de koets. Ik laat Remus beleefd voor en stap als laatste in. James kijkt nerveus uit het raampje en mompelt de hele tijd door iets dat lijkt op: 'Rij snel weg...Bang...Evers...' Ik grijns.

Remus zit naast me en komt opnieuw dichter tegen me aanzitten, alsof hij mijn steun nodig heeft. Ik voel zijn vingers zachtjes over mijn hand gaan, die naast me ligt. Ik hef mijn hand een klein beetje op en laat zijn vingers verstrengelen met die van mij. Ik kijk hem lief aan, niemand die het ooit ziet. Ik ga nog een beetje dichter tegen hem aanzitten, zodat onze handen onzichtbaar worden.

'Eindelijk thuis... Thuis in Zweinstein, met zijn vele geheime gangen en diepe geheimen...', zeg ik en denk erbij:

Zweinstein, die nu een geheim bij krijgt.

Ik kijk naar onze handen, die elkaar nog steeds vasthouden, voor ik weer uit het raam, naar het dichterbijkomend kasteel kijk.

Zweinstein met zijn nieuwe geheim... Hoe zal het worden?