Veel leesplezier.
Disclaimer: J.K.R. roelt. Aanbid haar!
Hoofdstuk 10.
Eenzame Vlammetjes
Ik zucht. Het was al een week geleden sinds Remus het zo bruut uitgemaakt had. Lily's plan lijkt te lukken, James is bijna altijd bij haar in de buurt. En Peter, die zien we steeds minder. Maar niemand geeft erom, dan valt hij maar een ander lastig.
Als mijn gedachten bij Remus komen, rolt er een traan over mijn wang. Ik heb Remus haast niet meer gezien en al helemaal niet meer gesproken. Het lijkt alsof we elkaar helemaal niet kennen. Ik heb hem al elke dag proberen te zien en hem proberen uit te leggen dat ik enkel hem wil, maar hij negeert me gewoon. Kijkt me zelfs niet eens meer aan. Het enige wat ik nog van hem heb is het dagboek dat ik voor mijn verjaardag heb gekregen. Het dagboek waar ik sinds dan elke dag ingeschreven heb. De laatste dagen sla ik hem enkel open om erin te kijken, niet meer om te schrijven. Want als hij uit is, krijg ik geen nieuwe meer. Net zoals nu. Het is gedaan tussen Remus en ik, de bladzijden zijn opgeschreven en ik krijg geen nieuw dagboek meer om verder te schrijven...
En zo gaat er een maand voorbij.
De kerstvakantie staat voor de deur en het onweert buiten.
In de leeringenkamer brand het haardvuur. Remus is zoals altijd nergens te bekennen. Ik zit eenzaam in mijn favoriete fauteuil dichtbij het vuur. Krijg ik tenminste nog warmte van iets... Ik staar triest in het vuur. Ik mis hem. En de anderen merken het ook. Mijn punten zijn minder goed, ik zonder me af, ik lach erg weinig en ik lig vaak uren op mijn bed te mijmeren en te huilen. Plots staan er twee gedaanten voor mijn neus.
"Sirius, we willen je iets vertellen...", zegt een meisjesstem, die me bekend voorkomt.
Ik kijk omhoog en zie Lily en James voor me staan. Hand in hand. Lily glimlacht lief. James is een beetje beschaamd, maar glimlacht ook vriendelijk.
"We zijn samen... Sinds net.", zegt Lily en gaat naast me zitten.
"Ik ben blij voor jullie!", zeg ik gemeend en glimlacht kleintjes.
"Ja, Sirius, ik weet het. Jij hebt de weddenschap gewonnen... Dus je krijgt nog wat van me!", zegt James serieus.
Ik kan een grijns niet onderdrukken. Typisch James!
"Ja... Haast je maar.", lach ik zacht.
En ik staar weer in het vuur. Eindelijk hebben ze elkaar gevonden. Die jaren kibbelen en ruziemaken waren enkel een manier van met elkaar praten geweest, omdat ze allebei niet wisten hoe ze met elkaar moesten omgaan. Dat was de theorie die ik samen met Remus bedacht had.
Remus...
Na die avond gaat alles een beetje sneller dan voorheen. Voor even lijkt het alsof ik Remus vergeten ben, maar dat ben ik niet. 's Avonds als ik in mijn bed lig en opnieuw naar een lege pagina van mijn dagboek staar denk ik aan hem. Gelukkig kunnen Lily en James overdag mijn gedachten verzetten. Ze doen vanalles om me op te beuren. Het is de dag voor de vakantie.
Langzaam slenter ik door een oneindige gang. Er loopt niemand anders dan ik. Kan ook niet, want dit is de Kamer van Hogenood. En volgens mij ben ik de enige die een eindeloze gang heeft gevraagd... Of niet?!
Ik zie in de verte iemand naar me toelopen. Niet snel, maar ook al slenterend zoals ik. Die persoon kijkt met zijn hoofd naar beneden en lijkt me niet op te merken. Langzaam komen we dichterbij elkaar. Ik schrik als ik de gedaante herken. Ik ben dus toch niet de enige die hierheen komt om te mijmeren.
Nu weet ik ook waar hij de hele tijd uithangt als niemand hem vind. De jongen heeft een lichtbruine schoudertas aan en pruts er wat aan. Zijn lichtbruine haar, dat in een staartje steekt, gaat moedloos op en neer, op het ritme van zijn voetstappen. Zijn amberkleurige ogen kijken me onverwachts aan, als hij voorbij loopt. Dan slaat hij zijn ogen neer en blijft doorstappen. Maar ik heb het gezien.
Ik heb gezien wat hij voor me probeerde te verbergen. Er liepen geen tranen over zijn wangen, maar zijn ogen huilden. Remus' ogen huilden, ze huilden om wat er gebeurt was. Ze huilden om mij.
Ik blijf stilstaan en slik. Remus kan de gang nog lang niet uitzijn en is nog steeds binnen gehoor. Met mijn rug naar hem toe en mijn hoofd gebogen, zeg ik:
"Het spijt me! Van alles wat ik je ooit verkeerd heb gedaan! Het spijt me van Lily. Ik had moeten zien dat het een slecht idee was. Ik had naar jou moeten luisteren, in plaats van naar de rest te luisteren. Wij zijn twee vlammetjes, die ooit een vuur maakten. Maar zonder elkaar is er geen vuur, geen vrolijkheid. Wij zijn twee eenzame vlammetjes die elkaar nodig hebben om licht in het duister te maken.
Ik kan niet zonder jou! En ik zag in je ogen dat jij ook niet zonder mij kan, Remus!Ik hou van je en zal dat altijd doen! Ik hoop dat je dat op tijd beseft! Anders... Vaarwel, Remus..."
En ik loop weer door. Ik hoop dat wat ik gezegd heb iets uitgemaakt zal hebben. Er rolt een traan over mijn wang. Ik hoor Remus even halt houden en dan weer doorlopen.
Ik zucht en ga zitten. Het heeft allemaal geen zin, hij wil niets meer met me te maken hebben. Misschien moert ik het opgeven... Nee! Dat nooit! Een leven zonder Remus is geen leven!
Lang nadat Remus uit de gang is verdwenen sta ik weer op en loop verder. Ik wens dat de gang donkerder word en dat word hij. Een maand is te lang. Ik voel me weer zo eenzaam als eerst. Ik heb zin om te rennen, maar kan het niet in me opbrengen. Ik wou dat het allemaal nooit gebeurt was. Dat Lily niet met dat idee was gekomen, dat ik haar nooit zo gekust had. Een traan glijd over mijn wang. Ik bijt op mijn li en probeer me sterk te houden. Maar al snel rolt een andere traan over mijn wang. Ik veeg hem weg met de palm van mijn hand. Ik luister naar de stilte. Plots hoor ik een geluidje. Bang bljf ik even staan en draai me dan om. Ik bots bijna tegen iemand.
"Eenzaam, klein lief vlammetje?", zegt een lieve, zachte stem die ik herken uit de duizend.
Dan voel ik zijn lippen op de mijne...
The End
