Heej, sorry, het is super lang geleden dat ik geschreven heb, maar ik schrijf zeker wel verder! Trouwens, helemaal onderaan is een reviewknop. Klik daarop, schrijf een review en druk op verzenden! Je maakt mij er super blij mee!


Hoofdstuk 9: Een bootje

Een klein bootje lag in haar hand. Haar opa had het ooit gemaakt om mee op reis te nemen. Ze had de spreuk die er bij hoorde ook van hem geleerd: ze zou hem nooit vergeten.

Ze stond aan de rand van het meer. Het was erg groot, ze zou hier waarschijnlijk uren kunnen varen. Ze zakte door haar knieën en legde het kleine houten bootje in het water. Ze hield haar hand er boven, alsof ze het beschermde, en mompelde: "Bàta mór."

De miniatuurboot zwol op tot een roeiboot van normaal formaat. Amarië gooide eerst haar tas er in en stapte toen zelf in. Het was nog best vroeg in de ochtend, dus ze had een dikke vest aan getrokken en een sjaal om gedaan. Ze hield haar hand voor de tweede keer boven de boot en zei nu: "Sèol." De boot begon zachtjes te varen.

Amarië keek strak voor zich uit, de prachtige omgeving rustig in zich opnemend, maar toch genoot ze er niet vol van.

Na een tijdje lag haar bootje midden op het water. Amarië zorgde ervoor dat het bootje niet meer vaarde en alleen maar ronddobberde, terwijl niemand haar zou storen.

"Je mag terug naar je eigen afdeling." Madame Plijster stond naast het bed van Gwyndion het goede nieuws te vertellen. Devlin zat op een stoel aan de andere kant van het bed en keek nu blij zijn vriendin aan.

"Je mag hier weer weg!" Hij gaf als felicitatie haar een zoen op de wang. Hierdoor raakte Gwyndion een beetje in de war, maar ze herstelde zich snel.

"Inderdaad, dat is beter dan hier naar het plafond staren."

"Maar," zei de verpleegster streng. "Voorlopig geen boarden meer."

"Dank u!" zei Gwyndion opgelucht en ze stapte uit bed. "Dan ga ik me maar omkleden, denk ik zo."

Tien minuten later liep Gwyndion naast Devlin naar de leerlingenkamer van Ravenklauw.

"En dan gaan we hier naar links. Ja, stop maar, hier is het." Ze stonden allebei voor een beeld van een boek. (Ik weet niet waar de Ravenklauwkamer zit, dus…)

"Hé, bedankt dat je bent meegelopen," Gwyndion draaide zich naar de donkere jongen.

"Joh, graag gedaan, heb toch niks te doen." Hij lachte haar toe.

"Dev…" Gwyndion werd plots verlegen en keek naar de grond waar ze met haar voet heen en weer begon te schuifelen.

"Ja, Gwyn," Zijn uitdrukking werd nu wat serieuser.

"Over Amarië, heb ik haar laten vallen?" Het blonde meisje begon steeds zachter te praten.

"Nee joh, ze is alleen een beetje gekwetst."

"Ik bedoelde het niet zo, eerlijk waar. Maar het kwam er zo uit. Ik dacht niet na denk ik," Gwyndion bloosde.

"Kan gebeuren. Is Draco trouwens snel na ons weggegaan?"

Gwyndion keek hem verbaasd aan. Ze had de klank in zijn stem wel gehoord; had ze hem ook gekwetst? "Ik heb hem bedankt en daarna is hij weggegaan. Help me herinneren dat ik nog een doos chocokikkers of zo, nog voor hem koop." Ze zei expres niks over de flirterige kus, hij zou het niet begrijpen of het tegen Amarië zeggen, waardoor hun vriendschap nog dieper in de put zou komen, dan hij al was.

Amarië pakte haar tas en haalde haar lunchpakket eruit. Van de drie boterhammen, pakte ze degene met ham en kaas en at hem met smaak op. Daarna pakte ze de fles die ook in de tas zat en dronk er wat jus d'orange uit. Daarna draaide ze zich om en keek naar de oever waar verderop het kasteel, het bos en de hut van Hagrid stonden. Had ze er spijt van dat ze zich had opgegeven voor dit uitwisselingsprogramma? Ze wist het niet. Als het haar de vriendschap tussen haar en Gwyndion zou kosten, ja, dan had ze er spijt van. Maar aan de andere kant ook weer niet. Ze zag een andere kant van magie en leerde nieuwe geweldige mensen kennen. Toegegeven, ook hele niet leuke mensen (sleutelwoord was blond met kille ogen) maar dat hoorde er allemaal bij.

Misschien moest ze met Gwyn gaan praten of juist haar even laten begaan. Ze besloot dat ze het even moest laten begaan.

Harry liep met zijn bezem in zijn hand naar het Zwerkbalveld. Naast hem liep Ron, die strak naar voren keek. Hij leek een beetje zenuwachtig, wat raar was, want het was nog geen wedstrijd. Nou ja, nog geen, de eerste wedstrijd was over twee weken tegen Zwadderich. Harry besloot dat hij er maar niet over zou praten nu en hield de deur open voor zijn roodharige vriend.

"Tja, ik ben eigenlijk vandaag niet van plan om tactiek te bespreken. Volgens mij weten jullie hem nog wel van de vorige keer en ik wil alle tijd die we hebben benutten. We gaan eerst een warming-up doen. Ik zal lijnen opnoemen, waar jullie naar toe moeten vliegen. Het zal steeds sneller gaan, dus jullie zullen snel moeten reageren. Begrepen? Mooi. Hup, het veld op." Hij hield de deur naar het veld open en gebaarde iedereen naar buiten.

"Jullie vliegen laag bij de grond, ik zal boven jullie vliegen en alle commando's roepen."

Namen van lijnen schalden over het veld en niet veel later stond het zweet op de voorhoofden van de spelers.

"Ga nu maar wat ballen heen en weer gooien. De Beukers mogen een tennisbal over slaan. Ik ga even iets klaar maken voor een oefening." Harry vloog weer beneden en pakte een groot zeil met een gat er in en vloog naar de hoogste doelpaal aan de rechterkant. Toen hij daar mee klaar was, keek hij even naar het meer. Het zag er reusachtig en kalm uit, maar Harry wist dat dat onder het wateroppervlak niet zo was. Er waren meermensen, een inktvis en nog andere enge wezens. Hij zou er niet graag nog een keer in willen springen.

Toen viel zijn oog op het kleine stipje in het midden van het water. Wat was dat? Harry ging zijn geheugen na wat het zou kunnen zijn, maar hij kwam er maar niet op. Hij besloot na de training er even heen te vliegen, hij kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen.

Amarië zat met een boek op schoot en zat te lezen. Haar aandacht was geheel bij de hoofdpersoon die nu bedrogen was door een jongen. Hierdoor hoorde ze niet het zoevende geluid van een bezem en schrok ze op toen Harry voor haar neus zweefde.

"Wah!" riep ze uit en ze schoof als reactie naar achter.

"Je hoeft niet te schrikken hoor," klonk het lachend vanaf de bezem. "Mag ik in de boot, dat praat makkelijker."

"Eh, ja hoor." Amarië was in de war en wist niet wat ze moest doen. Het ene moment zat ze te lezen en het andere moment zweefde er een jongen voor haar neus. Oké, niet een jongen, maar Harry. Maar dat veranderde niet de situatie. "Maar wat doe jij hier?"

"Dat kan ik beter aan jou vragen, denk ik." De jongen was in de boot geklommen en legde zijn bezem nu in de lengte van de boot. "Het is niet normaal dat een meisje even met een bootje het water op gaat."

"Waar, maar wat doe jij hier dan?"

"Ik was nieuwsgierig. Ik zag een vlek toen ik even naar het meer keek en ik dacht, laat ik na de training even langs vliegen."

"Training?"

"Zwerkbaltraining, dat ken je toch wel?"

"Oh, dat. Ja hoor, niet zo geweldig goed, ik vind boarden toch leuker."

"Kom je kijken naar de wedstrijd over twee weken?"

"Jij speelt dan? Tegen wie?"

"Zwadderich."

"Ik kom jou zeker aanmoedigen." Amarië trok een grijns.

"Volgens mij kom jij zeker als ik vertel dat Draco de Zoeker is van Zwadderich."

"Nee, serieus?" Amarië sprong bijna op, maar het wiebelen van de boot weerhield haar. "Ik ga jou nu zeker aanmoedigen, met een spandoek."

"Beloofd?"

"Beloofd!" Amarië sprong van gewoonte op en wilde haar hand uitsteken, maar het bootje begon heel erg te wiebelen, waardoor ze eigenlijk naar de rand van de boot wilde grijpen, maar misgreep en met een luide plons uit de boot viel. "Koud!" was het eerste wat ze uitbracht.

Harry kon alleen maar lachen. "Het was je eigen schuld."

"Ja, help je me nog, of hoe zit het?" Amarië stak haar hand uit en Harry pakte hem aan. "Eigenlijk vind ik dat jij ook het water moet proberen," en voordat hij door had wat ze bedoelde, trok ze de jongen in het water.

"Trut!" zei Harry met een lach.

"Ik kan nog gemener zijn," en ze begon hem kopje-onder te duwen, waardoor ze in het water begonnen te stoeien.

Even later zaten ze allebei weer kletsnat in het bootje. Ze hijgden beiden nog een beetje na van de stoeipartij in het water.

"Ik kom nooit meer bij jou in het bootje," zei Harry hijgend, maar lachend.

"Heel verstandig," lachte Amarië terug en daar zaten ze nog een tijd, soms pratend, soms zwijgend, maar genietend van elkaars gezelschap.