Hoofdstuk 10:

Ochtend, maandagochtend om precies te zijn. Een gaap ontsnapte weer aan haar mond en geïrriteerd sloeg ze haar hand voor haar mond, voor de zoveelste keer. Ze liep langzaam door de gang naar de Grote Zaal toe om te gaan ontbijten. De rest was haar al voor gegaan, ze had zich voor de zoveelste keer weer verslapen en baalde nu als een stekker.

"Goedemorgen," zei Devlin haast te vrolijk toen ze naast hem neer plofte.

"Bek houden." Amarië reikte naar voren, pakte de cornflakes en schudde wat cornflakes in haar kom. Haar hand ging automatisch naar de kan met melk en net iets te wild goot ze de witte vloeistof over haar ontbijt. Ze lepelde alles snel naar binnen, zodat ze niet alleen terug naar de slaapzaal hoefde te lopen. Toen haar kom bijna leeg was, begon ze wat rustiger aan te eten en keek ze ondertussen de Grote Zaal rond. Haar blik bleef hangen bij de Ravenklauwtafel waar ze haastig haar vriendin zocht. "Gwyndion is er niet," stelde ze vast, voordat ze weer een hap van haar cornflakes at. "Ze zal vast al terug zijn naar haar slaapzaal, ze verslaapt zich namelijk nooit of ze neemt nog even haar huiswerk door." Amarië maakte zich er niet meer druk om en at verder terwijl ze probeerde wat meer wakker te worden.

Zonder dat ze het wist, had Amarië gelijk over het huiswerk. Gwyndion had vanochtend nog even de laatste hand gelegd aan haar verslag voor Toverdranken en liep nu richting de Grote Zaal. Ze wist niet hoe ze zich straks moest gaan gedragen. Net als voor het ongeluk eerst naar Aam en Dev lopen of toch naar de Ravenklauwtafel en misschien alleen naar hen zwaaien? Het zou makkelijker voor haar zijn geweest als ze eerder dan Amarië en Devlin in de Zaal zou zijn geweest, maar het was haar eigen schuld. Als ze niet naar haar huiswerk had gekeken en gelijk was gaan ontbijten, was er een grote kans geweest dat ze er eerder was geweest.

In de war liep Gwyndion door de gang. Ze zag alleen de grond voor haar, ze lette niet op de leerlingen die haar links en rechts passeerden. Soms botste iemand tegen haar op, maar het deerde haar niet. Verschillende scènes van de Grote Zaal speelden door haar hoofd, de ene nog dramatischer dan de andere. Scènes waarin alles gewoon goed was en scènes waarin Amarië zo arrogant deed als maar kon en haar totaal negeerde, de vriendschap daarmee verbrekend.

Ze zuchtte nog eens diep en wist nog steeds niet was ze moest doen. Godin, dacht ze, geef me een teken! Zeg me wat ik moet doen!

Haar woorden waren nog niet verdwenen uit haar hoofd, of ze voelde dat een hand zich om haar pols sloot en haar mee trok naar een leslokaal.

"Hé, wat gebeurt hier?" Ze rukte haar pols los en wreef er met haar andere hand over. Ze wist nog niet wie degene was die haar meegesleurd had, maar zeker was dat diegene hier niet heel vandaan zou komen. Ze hief haar hoofd weer op, terwijl ze zei: "Leg nu maar eens uit waarvoor dit nodig…" Verder kwam ze niet, want ze stond verbaasd te kijken naar het gezicht van Draco Malfidus, die om haar reactie grijnsde. "What the hell?" riep ze uit om toch maar een beetje haar verlegenheid te verbergen. Ze merkte dat ze nerveus werd en een beetje rood.

"Ach, ik zag je zo lopen in de gang en ik dacht, weet je wat?, laat ik haar meenemen."

Gwyndion kon hem alleen maar aangapen. Zo maar iemand meenemen uit de gang, dat gebeurde niet op Làmh Magica.

"Jij doet dit vaker?"

"Nah, alleen bij speciale meisjes."

"O," ze keek nu nog meer gefascineerd naar de tovenaar voor zich. Dit had nog nooit iemand bij haar gedaan. De enige jongen die met haar had geflirt, was net zo verlegen als zij en had minimaal geflirt. Ze hadden maar kort iets gehad, ze vond hem na een tijdje te saai worden.

"De meeste meisjes lachen voorzichtig bij zo'n opmerking, weet je. Sommige flirten zelfs hevig terug."

Gwyndion kreeg het helemaal warm bij deze opmerking en het bloed steeg van haar nek naar haar gezicht en ze wenste dat ze hier niet was. Hoewel, daar moest ze op terug komen, hier met Draco was wel leuk, maar hoe zij zich gedroeg!

De blonde jongen liep nu voorzicht dichter naar haar toe. Ze had het eerst niet door, maar toen ze het eindelijk door had, kon ze alleen maar blijven staan en omhoog naar zijn gezicht kijken. Met een soort van spottend lachje maakte hij de afstand tussen hen twee minimaal. Hij legde zijn wijsvinger onder haar kin en draaide haar hoofd naar hem toe. Hij boog voorover en liet zijn lippen steeds dichter bij de hare komen. Ze hield haar adem in en sloot haar ogen, wachtend op de lippen van de badboy van Zweinstein.