Het is een zwoele nacht,

Overal brand licht,

Want elke burger,

Heeft recht op wat zicht.

Ergens in een restje duister,

Houden wat katten zich schuil,

Bevend in het donker,

Klinkt honden- gehuil

Een moeder sust bij het raam,

Haar huilende kind,

Dat het geluid hoort, maar,

Het helemaal niks vind.

De buurman komt een meisje tegen,

Een meisje uit zijn straat,

Op een paarse fiets,

Is het voor haar niet wat te laat?

Wat jongens lopen lallend voorbij,

Ze komen uit de kroeg,

Dronken iets te veel,

En morgen is het vroeg.

Een meisje en een jongen,

Samen een prachtige stel,

Staan elkaar te zoenen,

Want dat kunnen ze wel.

Ergens in een bed,

Dat in een kamer staat,

Maken man en vrouw,

Het vanavond laat.

En boven al die drukte,

Daar staat de schone maan,

Wetend dat hij onderhand,

Hier vergeten staat te staan.