Ik rammelde aan de deur.
"Hé! Hé zeg, laat me hier uit!"
Ik sloeg hard met mijn vuisten tegen het harde, ijzeren oppervlak. Hoewel het een oorverdovend geluid maakte, schoot ik er niets mee op.
"Oké, ha-ha! Je hebt me te pakken. Game over. Mag ik er NU uit?"
Geen antwoord.
"Sorry, maar ik kan hier gewoon echt niet om lachen, en ik heb wel wat beters te doen op een dag. LAAT ME HIER UIT!"
Ik draaide me om, en liep naar de muur met het kleine raampje. Een kat zou er nog niet doorheen kunnen, en er zaten kleine, roestige spijlen voor. Als ik sprong zag ik alleen maar planten, en als ik gilde kreeg ik geen antwoord.
Boos en gefrustreerd ging ik met mijn rug tegen de muur op de grond zitten. Ik trok mijn knieën op. Ik wil gewoon naar Romee. Waar is dat kind eigenlijk?
Een tijdlang zat ik me stierlijk te vervelen. Ik werd met de minuut chagrijniger. Ik kreeg honger en dorst, en ik moest de hele tijd opstaan omdat ik anders stijf werd.
Na iets wat een eeuwigheid leek schoof de zware deur langzaam open. In de deuropening stond niemand anders dan een opgefokte Robert.
"Robert? Wat-."
Zijn gezicht was hard.
"Lisette Lily Larson…" Zei hij langzaam en laag. Hij sprak mijn naam nooit helemaal uit. Dat doen toch alleen boze ouders?
Hij liep snel met grote passen naar me toe en pakte mijn bovenarm.
"Rob… Wat is er?"
"Stil!" Snauwde hij terwijl hij me overeind trok.
Hij sleurde me mee de cel uit, en ik stribbelde niet tegen. Het was nu al de tweede keer vandaag dat mensen raar tegen me deden, en ik was te verbaasd om iets zinnigs te zeggen.
We liepen – nouja, renden bijna de donkere gangen door, en het verbaasde me dat Robert hier de weg kende.
Ik probeerde de logica achter dit alles te vinden. Goed, ik viel flauw, toen was ik in die ronde zaal met die enge gasten, toen werd ik in hun kelder opgesloten en nu is Robert hier. Het was volgens Robert blijkbaar niet de bedoeling dat ik hier was. Misschien was het gevaarlijk? Misschien zouden deze duistere gangen me tot waanzin drijven, of zouden die roodogen me de kieteldood geven? Daar leken ze mij wel types voor.
We renden een hoek om, en daar stond die jongen van een tijdje geleden.
"Meneer." Zei Robert snel.
De jongen schudde minzaam zijn hoofd.
"Aro gaat dit niet leuk vinden."
"Alstublieft…" Robert klonk bijna smekend. "Ze is bijna familie van me! Ik kan dit niet laten…"
"Wij wel." Onderbrak de jongen hem. "En je zet alles voor jezelf op het spel door dit te doen."
"Dat weet ik." Zei Robert geïrriteerd. "Maar alstjeblieft!"
"Aro heeft haar geïnfiltreerd in zijn plannen. Er is geen weg terug." Het klonk spijtig.
"Omdat ze mogelijk talent heeft?" Vroeg Robert boos.
De jongen haalde zijn schouders op. "Waarschijnlijk, maar hij is onberekenbaar de laatste tijd. Er zijn vele mogelijkheden waarom hij haar wil houden. Hij heeft het ons niet verteld." Hij keurde mij geen blik waardig. "Misschien wil hij er gewoon iemand extra bij."
"Jullie zijn groter dan ooit!"
"Je kent hem niet."
Ik schraapte de moed bij elkaar wat te zeggen. "Sorry hoor, maar waar hébben jullie het over?"
Ze keken me beiden kwaad aan, maar toen verzachtte de blik van de jongen en hij deed een stap op zij.
"Bedankt." Zei Robert snel.
Terwijl we verder liepen, doemden er allemaal vragen in mijn hoofd op.
"Robert, wie is die Aro over wie jullie het hadden? Over wie hadden jullie het? Over mij? En wie is de 'wij' waar die jongen het over had? Waarom sloten ze me op in die cel?"
Maar Robert zei niets, totdat we door een kleine, houten deur gingen, en in de buitenlucht stonden. Hij legde zijn handen op mijn schouders en keek me recht in de ogen.
"Ben jij daar naar binnen geslopen?"
"Eh… Ja…" Mompelde ik. "Toen viel ik flauw en kwam ik…"
"Weet je waar Romee is?"
"Nee… Ik was naar haar op zoek…"
"Je moet hier weg, Lisette."
"Waarom? Waar is Romee? WAT IS ER AAN DE HAND?" Barstte ik uit.
Hij fronste diep.
"Ik heb geen tijd om het uit te leggen."
Hij trok me weer mee. We liepen iets buiten het centrum van de stad, over de parkeerplaats van een supermarkt.
"Misschien is het maar beter als je het allemaal niet weet." Zei hij plotseling zacht, terwijl hij op volle snelheid voor me uit beende.
"Dat is niet eerlijk!" Riep ik. "Volgens mij heeft dit met mij en Roo te maken en ik moet het weten!"
"Lisette. Doe nu alsjeblieft niet zo dom en eigenwijs! Daar schieten we niets mee op in deze situatie!"
Ik begon kwaad te worden.
"Welke situatie, Robert?"
Hij bracht me naar zijn auto. Het was een oude rammelbak. De donkergroene verf en de bekleding waren al deels losgelaten, en het hele geval stond er nogal troosteloos bij in de ondergaande zon. Hij trok het portier open, en duwde mij ruw op de achterbank. Zelf sprong hij snel in de bestuurdersstoel, draaide de sleutel om in het contactslot, en de motor kwam snorrend op gang. Er waren geen veiligheidsriemen op de achterbank, dus ik zette me schrap toen de auto van de parkeerplaats afscheurde.
"Robert!" Riep ik boven het oorverdovende geluid van de motor uit. "Waar gaan we eigenlijk heen, of mag ik dat ook al niet weten?
"Een vriend van mij heeft een klein hotelletje vlak bij Florence." Riep hij terug. "Vanuit daar ga je direct morgen terug naar huis!"
Mijn maag kromp samen. "En Romee dan?"
Die vraag beantwoordde hij niet, wat mij alleen maar bezorgder maakte. Als er al zo'n heisa om mij gemaakt wordt, waar is Romee dan?
Het was pikkedonker tegen de tijd dat we bij het 'hotelletje' aankwamen. Veel kon ik er niet van zien, behalve dat er licht brandde achter een aantal ramen. Toen we haastig naar binnen liepen, rinkelde er een belletje boven ons hoofd. We stonden in een ruime kamer, een soort restaurant. Verspreid stonden allemaal houten tafels met elk drie of vier stoelen erbij, en op elke tafel stond een wijnfles met een brandende kaars erin. Het was er niet druk. Slechts enkele tafels waren bezet.
Een deur vloog open en een dikke man, die ik voor een typische pizzabakker hield, kwam op ons aflopen.
"Roberto!" Riep hij vrolijk uit met een zware stem.
"Giovanni." Groette Robert hem stijfjes.
"Je ziet eruit alsof je in de pastasaus zit, amico!"
Robert liet zijn ogen even wantrouwig door de ruimte dwalen.
"Ja." Zei hij toen. "Ik heb een groot probleem met de je-weet-wel-wie in je-weet-wel-waar…"
Giovanni's glimlach verdween en hij verstijfde. Robert legde zijn hand op mijn schouder en kneep er zachtjes in.
Giovanni knikte en keek mij toen aan.
"En wat heeft deze mooie ragazza ermee te maken?"
"Dat weet ik niet zeker. Maar ik vertel je de details zo wel. Heb je een kamer voor haar?"
"Tuurlijk, tuurlijk. Voor de vriendenprijs van zero euro's, natuurlijk." Hij glimlachte gespannen.
"Dankje. We vinden het wel."
Giovanni rommelde even in de zak van zijn vlekkerige broek en haalde er een klein sleuteltje uit. Hij gaf het aan Robert.
"Oh…" Zei Robert langzaam. "Misschien is het een idee om voor vannacht de honden op wacht te zetten…?"
Giovanni knipoogde en liep weg. Robert nam me zwijgend mee naar boven. We liepen een smal gangetje door, tot Robert stilstond voor een deur. Er hing een houten bordje met '5' op. Robert opende de deur.
"Uw suite, signora."
Ik ging de kleine kamer binnen. Er stond een groot gietijzeren bed, een grote houten stoel en een enorme kledingkast. Het was niet veel, maar het oogde wel gezellig.
"Ik heb helemaal niets bij me." Bedacht ik me ineens.
"Wordt voor gezorgd. Ik ga ze zo halen."
Ik schrok.
"Dat hele stuk ga je weer heen en weer rijden?"
"Het moet haast wel. Ik kan zelf ook niet in Volterra blijven. Dat zul je later begrijpen…"
"Ga je me het nu uitleggen?"
Hij gebaarde dat ik op bed moest gaan zitten. Ik trok mijn schoenen uit. Robert ging naast me zitten.
"Oké. Ik kan je echt niet alles nu vertellen, bovendien is dat veel te gevaarlijk voor jou."
Ik trok een gezicht.
"Je wilt het toch weten?"
Ik knikte.
"Nou, ik vertelde je al dat er gespuis rondloopt in Volterra. Dat is waar. Maar geen dieven, pooiers of dat soort mensen. Waar ik het over heb is niet bepaald… menselijk."
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
"Lies," vervolgde hij. "Voor vandaag heb je geleefd in een wereld die zowel oersaai als veilig was, hopend dat het avontuur ooit nog uit de boeken zou springen en een vaste vorm aan zou nemen. Ik kan je vertellen, dat is al eeuwen geleden gebeurd. Het enige wat verzonnen is, zijn de helden die er een happy end aan maken, anders zouden de meeste verhalen tot op de dag van vandaag niet zijn afgelopen."
Ik snapte er niets van, maar liet hem verder spreken.
"Voor deze… personen… ben jij een soort harry potter, een frodo, een percy jackson, een…"
"Wacht!" Ik hief mijn handen op met hun palmen naar voren. "Ik moet Voldemort verslaan?"
Hij zuchtte. "Ik denk dat je het beter anders kan zien. Je was in die ronde zaal, toch? Zaten er mannen op grote houten tronen?"
Ik knikte.
"Zij-, nouja, de middelste man is een soort van verzamelaar. Zoals mensen als jij en ik postzegels, kroonkurken en voetbalplaatjes verzamelen, verzameld hij mensen, met bijzondere… gaven."
"Je bedoelt dat ik zo'n gave heb?" Dat vond ik cool.
"Er schijnt iemand te zijn die dat kan aangeven. Maarja, áls jij een gave hebt die van pas kan komen, zorgt die man dat je je voor eeuwig bij hem voegt, vooral als je niet zo'n bedreiging vormt."
"Freaky."
Robert knikte en hij pakte mijn handen vast.
"Het punt is, als jij op die manier in hun handen valt krijg ik je nooit meer terug, Lisette. Je zult nooit meer een normaal leven kunnen leiden. Daarom breng ik je naar huis, waar je veilig zult zijn. Beloof me dat je als je daar bent alles zult vergeten?"
"Waar is Romee, Robert? Is ze in hun handen gevallen?"
"Sorry… Ik weet het niet, maar de kans is groot, als ik eerlijk moet zijn. Maar helaas niet op de manier waarop ik je net verteld heb."
Mijn ogen werden groot.
"Hoe dan?"
Hij trok me naar zich toe en omhelsde me.
"Dat is een zorg voor later. Ik moet je nu zo snel mogelijk het land uit zien te krijgen. Ga even slapen. Dat heb je nodig."
"Rob, mag ik nu een beetje bang zijn?"
"Was je dat dan nog niet? Je had van mij al doodsangsten uit mogen staan toen je face-to-face met die v-… met hen stond."
"Góh."
"Ga nu slapen."
Ik wilde protesteren, maar hij liep snel de kamer uit. Er was geen mogelijkheid dat ik nu zou kunnen slapen. Ik had een 'wat-de-hell-gevoel'in mijn hoofd en zolang dat erin zat was er geen mogelijkheid dat ik tot rust zou kunnen komen. Ik wilde weten waar Romee was. En waren die personen die ik voor mensen met lenzen had gehouden soms demonen?
Ik hoorde beneden over het verlaten erf een auto snorrend wegrijden. Robert. Hij had me zoveel verteld. Zette hij voor mij zijn leven op het spel, zoals die jongen had gezegd?
Een mens had het binnenste heiligdom levend verlaten. Dat was mijn fout. Meestal, als er buitenstaanders de ronde kamer binnengaan, komen ze er nooit meer levend uit.
De toegangswegen van de stad werden bewaakt, een team was eropuit gestuurd, en ik lag kronkelend van de pijn op de grond, vurig hopend dat het niet voor niets zou zijn. Terwijl ik gemarteld werd, hoopte ik dat haar blauwe ogen deze muren nooit meer hoefden te zien. Was dat namelijk wel zo, dan vreesde ik dat dat het laatste zou zijn wat ze ooit nog zagen.
Dit hoofdstuk is maar ietsiepietsie langer dan normaal, gewoon omdat ik deze cliffhanger nog even wil laten zitten :). Maar ik hoop in elk geval dat jullie net zoveel lol hebben gehad (en net zo stuiterend op je stoel hebben gezeten) als ik toen ik het aan het schrijven was.
Ik vind m'n hoofdstukken vaak wat aan de korte kant, maar gelukkig worden ze dan niet langdradig en kan ik sneller updaten :P
Bedankt voor het lezen! (Echt, ik waardeer het zeer!)
xx
