Ik lag alleen in het donker. Door de kieren in de gesloten luiken scheen geen licht naar binnen. Ik lag met kleren en al onder de zware dekens, wachtend tot Robert zou terugkomen en ik niet meer alleen zou zijn.
Als ik Robert moest geloven, was ik in gevaar. En Romee in misschien nog groter gevaar.
Doe toch normaal. Niemand gelooft zulke onzin.
Ik lachte droog.
Wat bazel ik? Dit ís gewoon een droom!
Wat als ze opeens mijn kamer binnen komen? Dan veranderen ze in grote zwarte beesten die mijn buik openscheuren en mijn ingewanden eruit eten.
Je kijkt teveel horrorfilms.
Niet waar. Ik kijk nooit horrorfilms. Ik kijk de trailers. Dat vind ik al doodeng.
Gewoon wakker worden.
Wakker worden.
Er kraakte wat naast me. Ik schrok me dood.
"Ho, Sh-." Maar voor dat ik mijn vervloeking kon afmaken lag ik op de grond, naast het bed. Ik had mijn hoofd tegen de muur gestoten.
Ik lag in een ongemakkelijke houding in de één meter grote gleuf tussen het bed en de stenen muur, met mijn benen nog op het bed.
"Auw…" Kreunde ik en krabbelde weer overeind om weer in bed te kruipen. Ik trok de dekens tot mijn neus op.
"Hallo." Klonk het vanuit het duister.
Veel mensen zouden een tweede hartaanval niet overleven. Waarom ik wel?
"Robert? Ben jij dat? Jemig, wat ben ik blij dat je terug bent." Zuchtte ik opgelucht.
Iets kouds pakte mijn hand vast. Er liep een rilling over mijn rug en ik kreeg kippenvel over mijn hele lijf.
"Wow, heb je in een vrieskist gelegen? Dit is echt niet normaal… koud." Ik trok mijn wenkbrauwen op.
Ik kreeg geen antwoord.
"Rob?" Vroeg ik, terwijl ik het steeds benauwder kreeg. "Als je Robert niet bent… Wie ben je dan wel…?"
"Shhh… Niet bang zijn. We brengen je naar huis." De stem klonk zacht en lieflijk als… Ik kon niets verzinnen wat zo helder en lief klonk…
Ik liet mijn schouders hangen. Waarom zou Robert vreemden sturen?
"Trek je schoenen aan."
Ik knikte. Ik boog voorover om de uitgelopen sneakers te pakken die ik onder het bed had geschoven. Met trillende vingers strikte ik de veters.
"Hoe heet je eigenlijk?" Vroeg ik nieuwschierig.
"We hebben nu geen tijd voor introducties. Kom mee."
De onbekende persoon duwde mij snel de kamer uit, de gang door, de trap af en de donkere eetkamer door naar buiten, waar ik in het schaarse maanlicht een auto zag staan.
Het was koel buiten, maar toch stond het zweet op mijn voorhoofd. Mijn ogen deden zeer van het tekort aan slaap. Ik dwong mijn benen op hoog tempo door te lopen. Hoe eerder ik thuis was, hoe beter.
Er waren meerdere personen, maar ze praatten niet met elkaar. De deur van de auto werd opengetrokken en ik werd naar binnen geduwd.
Het rook in de auto naar duur leer, maar het was te donker om ook maar iets te kunnen zien. De ramen, die blijkbaar verduisterd waren, verborgen zelfs de zilveren maan.
Ik hoorde dat er nog meer mensen instapten, en kort daarna startte de motor, en we reden weg. Ik kon me niet inhouden en besloot mijn begeleiders te bestoken met vragen.
"Waarvan kennen jullie Robert? Waar gaan we heen? Weten jullie wat er aan de hand is?"
Maar blijkbaar vond geen van hen het nodig mij informatie te geven, want ieder van hen zweeg in alle talen. De stilte was bedrukkend, bijna pijnlijk. Mijn hart bonkte angstig in mijn keel, wat aangaf hoe spannend ik het vond. Wie waren deze mensen? Waar brachten ze mij toch heen? Waarom zeiden ze niets? Waarom kwam Robert me niet gewoon halen?
Voorzichtig leunde ik tegen de deur aan, terwijl ik me het landschap dat aan mij voorbijvloog probeerde voor te stellen. Golvend, donker. Ik sloot mijn ogen en onderdrukte een geeuw. Ik was doodop. Het was vast midden in de nacht. Het hotelletje was uitgestorven geweest.
Langzaam werd ik één met de duisternis om me heen, en viel in een rusteloze slaap.
Ik stond op een heuvel in een veld. Zowel de hoge hemel als het gras had een grauwe kleur. Onderaan de heuvel lagen geraamtes en losse botten en schedels, zover als ik kon kijken, verspreid over het veld.
Ik had een bijl in mijn handen. Het glimmende staal weerspiegelde mijn gezicht. Ik keek kwaad en mijn ogen schoten vuur.
Voor mij stonden twee boomstronken. Daarachter zaten twee mensen geknield. Ze legden hun hoofden op de stronken.
Terwijl ik de bijl ophief schoten kreten als kogels door mijn hoofd. "…JE EIGEN FOUT!" "…JOUW SCHULD!" "…DANKZIJ JOU!" "…DOOD!"
Het was mijn eigen stem. De twee mensen waren Robert en Romee. Mijn twee dierbaarste vrienden. Op dat moment viel de bijl uit mijn handen en onthoofde ze tegelijk. Ik sloeg een jammerlijke kreet uit.
Ik heb ze gedood.
Het beeld veranderde.
Ik stond op hetzelfde, grauwe veld, bovenop de heuvel. Waar geraamtes hadden gelegen brandden nu vuren, die de grijze horizon oranje lieten oplichten. In de vuren lagen roerloze gestaltes, die steeds verder werden afgebroken door het vuur. Het was doodstil.
Dit keer had ik een klein, zilveren voorwerp in mijn rechterhand. Er was iets in het latijn ingegraveerd. Er zat slechts één klein knopje op.
Ik was niet alleen op de heuvel. Achter mij stonden gedaantes met zwarte mantels met kappen, die hun gezicht verborgen, maar ik voelde dat ze tevreden waren. Ze waren trots op mij en blij dat ik er was, en nu moest ik nog één ding doen.
Ik richtte het zilveren voorwerp op de gedaante voor mij. Het was de jongen met het ravenzwarte haar, dat in een paardenstaart over zijn schouder hing. De jongen die ondanks zijn vurige ogen niet in de duistere gangen thuis leek te horen. Zijn robijnrode ogen schitterden in het licht van de vuren. Hij keek dapper. Dat maakte mij kwaad.
Zijn lippen bewogen langzaam, en de stilte werd onderbroken door een zacht gemompel, dat hier niet thuis leek te horen. Mijn ogen zochten de lucht af, op zoek naar een bewoner van het hemelrijk die tegen mij sprak. Maar de enige die er sprak, was de jongen.
"Je weet aan welke kant je staat."
Ja.
Ik richtte het voorwerp naar achter en drukte op de knop. Achter mij hoorde ik het verontwaardigde geschreeuw en het geruis van de vlammen. Ik liet de knop pas los toen ik geen stemgeluid meer hoorde.
Heb ik net iemand vermoord?
"Ben je in orde?" Vroeg een prachtige stem.
"Hmm…?"
"Je was nogal aan het gillen."
"Waarom?"
"Geen idee. Had je een nachtmerrie?"
"Waarschijnlijk…"
"Kan ik me voorstellen. Met de ellende waar jij je in bevind…"
"Hoezo…?"
"Ze waren naar je op zoek. We dachten eerst dat het nog wel even zou duren voordat ze je in het hotel zouden vinden, en dat je daar voorlopig veilig zou zijn, maar we hadden het mis. We moesten dus snel toestemming van Robert hebben om je te verplaatsen."
"Waar gaan we heen dan? Waarom gaven jullie geen antwoord?" Herinnerde ik me.
"Je moet ze niet onderschatten. We moeten het zekere voor het onzekere nemen. Wij zijn één van de weinigen die je hier kunnen beschermen. Als ze je toch te pakken krijgen, kunnen ze ons via jouw opsporen en dan zijn we er geweest!"
"Aha…" Zuchtte ik onzeker.
"Rustig maar, tenzij je vliegtuig neerstort, kom je veilig thuis."
"Bedankt."
"Zero problemo."
Ik glimlachte, hoewel ik betwijfelde of ze het kon zien.
"Dus… We gaan naar het vliegveld?"
"Yup!" Klonk het opgewekt. "Je bent al ingechekt, en zodra we daar zijn kun je vertrekken. Je bagage wordt nagestuurd."
"Oké."
"Oh… Wacht even…" Ik hoorde wat gerommel naast me.
Er werd wat in mijn handen gedrukt. Het was een oude mobiele telefoon.
"Wat moet ik hiermee?"
"Gewoon, bellen als er iets is. Er staat maar één nummer in, dat is het mijne. Neem niet op als je door een ander gebeld word."
"Goed…" Zei ik twijfelachtig.
Er werd een hand op mijn schouder gelegd.
"Wees alsjeblieft dapper."
Ik knikte.
"En…" Het was heel even stil. "Noem me maar Riza."
Ik zat op een klein, plastic stoeltje in de wachtruimte. Mijn ticket zat in mijn zak. Het zou niet lang meer wachten zijn op het vliegtuig. Ik had mijn haar in mijn kraag moeten proppen en zat met mijn gezicht verscholen achter een Italiaanse krant.
Ik wilde eigenlijk helemaal niet weg. Ik wilde naar Robert en Romee. Wat als er iets ergs gebeurd was? Ik rilde bij het idee.
Weet je nog? Dit was een droom.
Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo'n realistische droom heb gehad.
Gewoon wakker worden.
Gewoon?
"Vlucht 472 naar Schiphol Airport."
Ik legde de krant naast me neer en stond op. Met grote passen liep ik naar de balie naast de gang die me naar het vliegtuig zou leiden. Ik liet mijn ticket zien.
"Ben je alleen?" Een wat oudere vrouw met zwart haar en een donkere, gerimpelde huid keek me vragend aan. "Hoe oud ben je?"
"Ik ben niet alleen," Loog ik. "Mijn ouders zijn naar het toilet, maar ik mocht alvast het vliegtuig in. Ze komen zo vast wel langs." Ik glimlachte.
Omgeven door mensen in alle soorten en maten slenterde ik door de gang naar het vliegtuig, waar de crew ons vrolijk stond op te wachten. Ik keek op mijn ticket. Rij 9, stoel B.
Met een zucht ging ik zitten en staarde wezenloos naar de mensen die langsliepen. Een enorme afrikaan, een broodmagere Indiër, iets wat waarschijnlijk een Nederlands gezin was…
"Fasten your seatbelts please." Schalde een zware stem door het vliegtuig.
"Cabincrew ready for takeoff." Zei dezelfde persoon.
Er zat een jong meisje van een jaar of 7 naast me. Terwijl het vliegtuig naar de landingsbaan reed, zat ze haast stuiterend voor het raampje, en riep in het Italiaans allerlei dingen naar haar moeder, die bijna aan de andere kant van het vliegtuig bleek te zitten.
"Phones off, please, they can interfere with our equipment." Was deze stem nou anders?
Net toen ik op het rode knopje van de telefoon wilde drukken, begon deze te trillen in mijn hand. Verbaasd nam ik op.
"Ja?"
"Lisette! Zit je in het vliegtuig?"
"Eh… Ja? Natuurlijk!"
"Je moet eruit!"
"Wa… Hoe… Waarom?"
"Ze hebben het vliegtuig gekaapt."
"Shit."
En terwijl ik de telefoon uit ontsteltenis liet zakken, liepen drie bleke, in het zwart geklede figuren door het gangpad.
Ik wist wat ze onder die zonnebrillen verborgen hielden.
Ik had een fout gemaakt, en dat zou ik nooit weer doen. Ik zou het goedmaken. Ik had voor mijn meester de man gevangen.
Hij gilde het uit toen ik zijn benen brak.
Knak.
Haha.
WIE DIT LEEST IS ... COOL. (heb verder niets te schrijven. Bedankt voor het lezen!)
