Ik was totaal verbijsterd. Zoiets kon niet gebeuren. Dat was veel te onwerkelijk! Het waren er drie. Ze leken voor zich uit te staren maar iets zei me dat achter hun zwarte brillen hun ogen met rode irissen driftig heen en weer schoten, op zoek naar mij?

Alsjeblieft, zeg.

Ik kromp ineen. Hadden ze echt het vliegtuig gekaapt om mij te pakken te krijgen? Ze zouden toch ook gewoon even kunnen vragen of ik nog een keer langs kwam voor een praatje? Mijn hart begon sneller te slaan. Ik voelde hem zelfs bonken in mijn hoofd.

Er kwam beweging in. Passagiers begonnen tegen elkaar te fluisteren en naar de mannen te wijzen.

"Is er soms iets aan de hand?"

"Mam, waarom stijgen we niet op?"

Één van de mannen liep naar voren en leek iemand gerust te stellen, die hem blijkbaar doodsbang had zitten aankijken. Toen hij zijn hoofd weer omdraaide, dook ik weer snel achter de stoel. Het meisje dat naast me zat keek me aan alsof ik midden in het gangpad de Cha-cha-cha had staan dansen. Ik besloot me er niets van aan te trekken.

"Goed, Triple L…" Mompelde ik, denkend aan de superheldennaam die Romee eens voor mij verzonnen had. "Wat… Nu?"

Het antwoord was simpel: paniek.

Terwijl ik de brok in mijn keel wegslikte, zag ik dat er twee voeten naast mij in het gangpad waren komen staan. Terwijl mijn hard stilstond staarde ik even naar de glimmende neuzen van de blijkbaar dure, Italiaanse schoenen, en liet toen langzaam mijn blik via de lange, zwarte broek omhoog glijden. De jas die boven de broek werd gedragen, herkende ik nu al uit duizenden. In de witte, ronde zaal hadden ze die bijna allemaal gedragen. Op de borst van de man rustte een zilveren hanger, in de vorm van een 'V'. Het midden was in vieren verdeeld, en er waren twee verschillende afbeeldingen in gegraveerd. Twee bomen en twee raven. Aan de boven- en onderkant van de 'V' zaten twee edelsteentjes, zo rood als de ogen die mij gisteren hadden aangestaard. Het geheel zag er uit als een familiewapen.

Ik herkende de man gelijk. Hij had ook in de zaal gestaan, vlak naast de verhoging. Hij deed me denken aan een neef van mij, Harm, die bijna twee meter lang was, en zulke brede schouders dat hij wel vier hoofden zou kunnen hebben gehad in plaats van één. Het verschil tussen deze vent en Harm was dat Harm een hazenlip had en geen supermodel dat ik kende kon tippen aan de perfecte gelaatstrekken van deze vent.

"Ben jij Lisette Lily Larson?"

"Nee." Zei ik te snel.

Maar de man pakte mijn hand vast. "Jij gaat mee, schatje. We willen Aro niet laten wachten!"

"Ten eerste…" Begon ik boos. "…ben ik niet je schatje!"

Hij sleepte me moeiteloos richting de andere mannen.

"Ten tweede…" Vervolgde ik. "...ga ik helemaal nergens heen!"

Een andere man pakte me bij mijn schouders en zei iets onverstaanbaars.

"En ten derde… Wie is toch die Arie?"

Er werd hard in mijn schouders geknepen. "Wees nog eens zo onrespectvol en je zult er voor boeten! Je mag van geluk spreken dat je nog adem haalt…"

"Ik ben gewoon niet goed met namen."

"Jij bent een stoere, hè? Nou, rustig maar. Straks piep je wel anders!" Ik hoorde kwaadaardig gegrinnik boven me.

"Wat doen we met de rest?" Vroeg de eigenaar van de handen op mijn schouders.

"Wel, Aro's orders waren vrij duidelijk; breng het meisje levend terug naar mij en maak korte metten met iedereen die in de weg loopt." Zei de grote vent.

"En zij lopen in de weg."

"Lunchtijd." De grote vent grijnsde.

"Weetje…" Zei ik kwaad terwijl ik me los probeerde te trekken. "Jullie kunnen beter uit het vliegtuig springen voor we de lucht in zijn en ik degene ben die jullie er uit sodemietert! En ik heb liever geen moord op mijn geweten, dus ik zou maar snel zijn!"

"Man, ik hoop echt dat Aro haar in leven houdt! Ze is echt amusant!" Zei de man die mij vasthield.

"Dat hoop ik ook. Ik wil liever nog niet dood en ik kan ook behoorlijk lol aan mezelf beleven." Antwoordde ik sarcastisch.

"Ze is wel bijdehand… En ik kan me goed herinneren dat Caius daar ontzettend kwaad om kan worden."

"Hou alsjeblieft op met zeuren en laat me los!" Riep ik.

"Shhh… Stil maar. Alles komt goed."

"Zeg me alstjeblieft wat jullie van plan zijn in plaats van zo idioot vaag te doen!"

"We brengen je gewoon naar huis."

"Huis? Dat had niet gehoeven hoor. Zonder jullie was ik ook al thuis gekomen." Zei ik opgelucht.

"Niet je oude huis, we brengen je naar óns huis, en waarschijnlijk het laatste huis wat je ooit zal zien." Blijkbaar vond hij zichzelf bijzonder grappig. Ik snapte de grap niet.

"Hè?"

Er klonk een zucht. "We brengen je naar onze leider, Aro."

"Ah, dus Aru is jullie leider?"

"Aro," verbeterde hij me. "En ja, maar je hebt hem al ontmoet."

"Die vent op de middelste troon?" Gokte ik.

"Yup."

"Oh god…"

"Ja…" Zei hij geamuseerd. "Oh God."

"Goed." Zei de derde man opeens. Hij had een vrij hoge stem in vergelijking met de mysterieuze, zwoele stem van de man die mij vasthield. "Het is tijd. We gaan."

Ik werd naar voren geduwd, naar het kleine stewardessenhokje naast de deur van het vliegtuig. Ik werd zó ruw het toilethokje in gesmeten, dat ik voorover viel en bijna met mijn hoofd in de pot belandde. De deur werd achter mij gesloten.

Kwaad krabbelde ik overeind en begon aan het slot te trekken. Het gaf niet mee.

"Hé! Sluit me nou niet alweer op! Ik ben het zat om dit spelletje te spelen!" Ik sloeg mijn vuisten tegen de deur.

"Geduld. We moeten even wat afhandelen… we zijn zo terug."

Opeens hoorde ik een vrouw angstig gillen. Ik schrok me kapot, omdat het bijna naast mijn oor leek te zijn. Dat is de magie van plastic muren.

"Verdomme! Wat denk je dat je aan het doen bent? Ik bel de po…" Het protest van een man met een rauwe stem eindigde met een luide bons, gevolgd door nog een aantal angstige kreten.

"Wat de…" Begon ik, maar ik werd onderbroken door het gegil van… zo'n beetje alle passagiers? Paniek.

Ik hoorde angstige kreten, namen die geroepen werden, Italianen, Nederlanders, Engelsen…

Wat was er aan de hand?

Daar was het weer. Net als gisteren. Die geur. Roest, zout, metaal. Bloed.

"Nee!" Jammerde ik hardop. "Niet weer!"

Ik zette me af tegen de toiletpot, en trapte met alle kracht tegen de deur aan. De deur gaf aardig mee, maar hoe hard ik ook trapte, hij ging niet open.

Ik schreeuwde uit frustratie. "STOP!"

"Nee… Alstjeblieft! Hou op!" Maar mijn gesmeek maakte niets uit. Toen werd akelig stil aan de andere kant. Doodstil.

Ik legde mijn ene hand over mijn neus en mond en mijn andere trok uit frustratie aan mijn haar. Mijn wild bonkende hart scheurde zowat mijn borstkas open.

Voor ik het wist, stroomden de tranen over mijn wangen, en mijn keel stootte een oorverdovend gejammer uit.

Ik werd weer licht in mijn hoofd. Ik bleef rustig zitten en wachtte tot alles zwart werd.

De deur ging open, en daar stond de grote man weer.

"Hai." Grijnsde hij. "We kunnen gaan, kom mee."

Ik bleef zitten. Ik was half in schoktoestand, viel bijna flauw, en voelde er niet veel voor om zelf… Wat er ook gebeurd was met die mensen, ik was niet van plan het zelfde lot te ondergaan.

Ik wendde mijn hoofd af.

"Zoals we al zeiden, je hebt geluk dat je nog leeft, en we zoveel moeite voor je doen. Maar wees gerust, als je capsones krijgt komt er snel een eind aan, popje. We gaan hier niet de hele dag op je zitten wachten."

Hij pakte mijn arm, en trok me mee het vliegtuig uit, een grote, zwarte auto in.

Massacre.


Volterra. Er was hier sinds gisteren zoveel veranderd. Gisteren het ideale vakantieoord, vandaag de toegang naar alles wat me bang maakte. Zoals het gisteren zo prestigieus en romantisch op de heuvel gespreid had gelegen, torende het nu intimiderend boven me uit.

De oranje ochtendzon scheen op de roodbruine daken. De bakkers legden hun eerste, vers gebakken broden in de etalages van hun winkeltjes, en een dappere postbode begon op de fiets aan zijn ochtendlevering door de smalle straatjes.

Het leek allemaal maar schone schijn. Schuilde er echt een groot gevaar diep in de heuvel waarop Volterra gebouwd was? Of deed iedereen maar alsof? Ik wist niet wat ik moest geloven, maar het maakte me wel bezorgd. Wat áls het echt was? Wat áls alle passagiers uit het vliegtuig vermoord waren dankzij mij? Gegil en de geur van bloed voorspellen toch nooit wat goeds?


De auto remde af. Hij stond nog niet stil of ik werd eruit geduwd, een steegje in, en gelijk weer vast gegrepen.

"Jullie zóuden kunnen vragen of ik mee zou willen lopen, en met jullie kon onderhandelen. Dan zou ik voor het eten nog thuis kunnen zijn." Siste ik met opeen geklemde kaken.

Ik werd bruut vooruit geduwd. Één van de mannen in het zwart stond halverwege het steegje stil en boog voorover. Hij tilde een oude, roestige putdeksel op.

"Het riool…?" Vroeg ik verbluft. "Hé, jongens… Het was spannend tot nu toe, maar als jullie me gaan dwingen daar in te gaan, ga ik toch echt rake klappen uitdelen!" Dat klonk niet zo als het zou moeten. Ik wist dat ik bang was. Verdorie.

"Wees niet bang, wij vangen je."

"…Of niet."

"Wat? Ik… Aaah!" Gilde ik.


Was ik weer flauwgevallen? Dat voelde toch altijd anders? Ik voelde een stevige wind in mijn gezicht, die mijn haren deed wapperen. Ik zag alleen niets. Mijn angst nam toe. Ik was volledig gedesoriënteerd. Mijn handen, die vochten tegen de g-krachten, voelden stof en leer. Mouwen? Handschoenen?


Plotseling stonden we stil. Ik zag de grond dichterbij komen en kreeg behoefte om mijn afwezige maaginhoud erover te gooien.

Ik merkte dat ik vreselijk moe was, ondanks de grote hoeveelheid adrenaline die door mijn lichaam gierde. Het kostte me veel moeite om overeind te komen. Mijn ogen brandden en ik voelde dat er zweetplekken onder mijn oksels zaten.

Boven mij klonk een krakend geluid, en voor me verscheen een dunne streep licht, die steeds breder werd.

Moe en nog steeds volledig gedesoriënteerd kneep ik mijn ogen tot spleetjes vanwege het felle licht.

"Meester, we zijn terug. Hier is het meisje."

"Schitterend!"

Mijn kin sloeg tegen de koude grond toen mijn armen weigerden om mijn romp nog langer te dragen bij het horen van die stem.


Ik rook een bekende geur. Het ontstak een witheet vuur in mijn keel en neusholte. Het meisje was terug. Maar ze was anders. Nonchalantheid had plaatsgemaakt voor twijfel. Sarcasme had plaatsgemaakt voor nederigheid. Geluk en vredigheid hadden plaatsgemaakt voor angst. Ik wist dat ze het zelf niet kon horen, maar het geluid van haar sappige, pompende hart schalde door de ronde troonzaal. Ze was bang.

En op dat moment wist ik zeker, dat het niet bloed was waarmee de 'aloude meesters' zich graag voedden, maar ruisende, groeiende doodsangst.


AN: Ik vind het zelf allemaal een beetje onwerkelijk en dramatisch, ("waarom schrijf je het dan?" .. "Goeie vraag…") maar dat hoort er eigenlijk wel een beetje bij, toch? Ik krijg steeds gekkere ideeën, maar als jij als lezer nog wat wil toevoegen, PM me dan alsjeblieft :D

Ik heb eigenlijk zin om hier een heel betoog neer te zetten over alles wat er nu in me omgaat (zoals dat elke keer als ik een liefdesrelatie probeer uit te denken het woord 'pedofiel' in mijn hoofd opkomt… :S).. Nouja, hebbie nog tips, kritiek, ik hoor het graag! (al kraak je m'n hele verhaal af… "vampiers kapen geen vliegtuigen, AVD!" of "Dit verhaal is pas goed als Aro Lisette onthoofd! :D) Doe best :P

Bedankt voor het lezen,

En hopelijk 1 minuut van je leven voor een review,

Aurie. (Hoe diep zink je als je van je writersname een nickname gaat maken die te maken heeft met je favoriete character? Diep.)

xx