Hierbij het tweede hoofdstuk van Moving Objects! Ik ben ook bezig met alles te vertalen naar het engels, zodat er meer mensen zijn die het kunnen lezen.
Hoofdstuk 2 De ontmoeting
Na een half uur rende we nog steeds door het bos heen. In de verte hoorde ik een rivier stromen die we naderden. We sprongen erover heen en toen kwamen we aan op een groot, open veld met in het midden een kast van een huis. Een zijde van het huis was helemaal van glas. Het huis was wit en open. Zo'n prachtig huis had ik nog nooit van mijn leven gezien.
Binnen in het huis hoorde ik allerlei geluiden. Zo te horen moesten er nog 6 andere mensen (of in dit geval, vampieren) in het huis zijn.
Een paar meter voor het huis stond ik stil. Ik vroeg me af of ik voor hun geen bedreiging was en ook vroeg ik me af of ze mij niets zouden doen.
"Kom maar verder, we doen je niets. We willen alleen maar helpen. We zijn al voorbereid op je komst."
Verrast keek ik naar de linkerkant van het huis vanuit mijn standpunt. Zo te zien was daar de hoofdingang. Een jongen van hooguit 17 jaar kwam vanuit de veranda naar me toegelopen.
Wat angstig keek ik naar de jongen. Hij zag er vertrouwelijk uit en hij zag er niet uit alsof hij wat van plan was. Zijn gouden ogen brandden vriendelijk in mijn bloedrode ogen.
Naast hem verscheen een prachtige vrouw van een jaar of 17, 18. Aan haar houding te zien hoorde ze bij hem. Ze glimlachte bemoedigend naar me. Toen ik niet reageerde op haar glimlach, stak ze vriendelijk een hand naar me uit, als teken om me te begeleiden naar binnen.
Langzaam maar op mijn hoede liep ik naar het stel toe. Ze gingen me voor naar binnen via de hoofdingang. Jasper liet achter mij aan.
Toen ik de deur doorliep, kwam ik aan in een grote, open woonkamer met lichte kleuren en een hoop dure spullen. Nog duurder dan mijn ouders zouden kunnen veroorloven. En dat zegt heel wat!
In een fractie van een seconde keek ik om me heen en bewonderde alle spullen. Maar direct daarna keek ik naar de 9 personen die in een halve cirkel de weg versperde. Jasper was naast een elfachtige meisje gaan staan die minstens een kop kleiner was dan hem. Ze was als enige vrolijk aan het glimlachen naar me. De jongen en zijn geliefde waren naast een meisje gaan staan van ong. dezelfde leeftijd, die behoorlijk veel op hun allebei leek, maar tot mijn verbazing bruine ogen had.
Ik wilde niet al te lang naar het drietal staren, dus weer snel wendde ik mijn blik naar het tweetal dat ernaast stond. Daar stond een prachtig, beeldschoon meisje met blond, lang, golvend haar. Ze was zo perfect dat ieder ander meisje in dezelfde kamer een deuk in hun zelfvertrouwen zouden oplopen, alleen al bij het zien van haar.
Naast haar stond een grote, gespierde man die je waarschijnlijk met een zuchtje zou om kunnen duwen. Hij torende hoog boven de rest van het gezelschap uit.
Uiteindelijk eindigde ik bij een wat ouder koppel. Ze zagen er zorgzaam en liefgevend uit; de man was duidelijk de leider van de groep. Ze hadden overduidelijk de vader- en moederrol.
Dit alles gebeurde in ongeveer 3 seconde.
"Welkom. Mijn naam is Carlisle Cullen. Dit is mijn familie. Wij willen je graag helpen." De leider van de groep verbrak de stilte als eerste.
"Dank u. Mijn naam is Aidan," bedankte ik Carlisle vriendelijk.
"Geen probleem," glimlachte hij terug. "Laat me je kennis maken met de rest van mijn familie. Dit is mijn vrouw Esme," gebaarde hij naar de vrouw in zijn armen. "Hier naast me staan Emmett en Rosalie," gebaarde hij nu naar de gespierde man en de perfecte blondine. "Jasper heb je al ontmoet, en naast hem staat Alice. En dan hebben we nog Edward, Bella, en hun Renesmee." En daarmee sloot hij de rij van namen af. Ik knikte naar iedereen vriendelijk bij het horen van hun naam.
"Vertel me nu eens wat over jezelf en wat je hier brengt."
"Zoals ik al zei, mijn naam is Aidan. Ik kom uit Los Angeles. Ik was 18 jaar en zat in mijn laatste jaar van High School. Ik was een week op vakantie met mijn vrienden in het bos, toen ik daar een vreemde vrouw tegenkwam. Ze had bloedrode ogen en zag er nogal verwilderd uit. Dat is nog het enige wat ik me van haar kan herinneren, op de pijn na dan. De pijn was intens. Na een paar dagen was de pijn over en ik had geen idee wat ik was. Iets wat ik nu wel weet, sinds uw zoon me dat heeft verteld." Ik knikte vriendelijk naar Jasper. "Ik heb 3 dagen in het bos gelegen en mijn vrienden hebben me overal gezocht. Toen ik uiteindelijk wakker werd, vonden ze me na een paar uur. Ik had zo'n dorst dat het brandde in mijn keel." Even moest ik stoppen om de brok in mijn keel weg te slikken. Er kwam opeens een golf van rust en kalmte over me heen. Waar het vandaan kwam, wist ik niet, maar ik was er wel dankbaar voor. Nog onder de invloed van de kalmte ging ik verder.
"Na mijn daad ben ik dieper het bos in gerend. Ik wist niet wie ik was en ik enige dat ik nog wel wilde, was dood. Later heb ik nog vaker mensen vermoord door mijn dorst. Ik kon er niet tegen en ik bleef mezelf er tegen verzetten. Ik kon het niet uitstaan dat het me niet lukte. Elke keer als ik ook nog maar een mens rook op een paar kilometer afstand, was ik mijn zelfcontrole weer kwijt. Ik verafschuw mezelf nog steeds voor alles wat ik gedaan heb." De invloed van de kalmte hielpen niet meer. Ik zakte neer op de grond van ellende.
Direct kwamen Esme en Bella op me af rennen. Ze pakten elk een arm beet en hielpen me voorzichtig overeind. Ondersteunend begeleidden ze me naar de bank zodat ik kon zitten. Ik liet me hoofd in mijn handen vallen.
"Wanneer ben je getransformeerd?" vroeg Carlisle terwijl hij naar me toe kwam lopen.
"6 jaar geleden…" Het werd opeens doodstil in de kamer, op een negatieve manier. Ik had al zo lang rondgedwaald met een schuldgevoel.
"Dat is lang. Erg lang. Alsjeblieft, besef wel dat me misschien te laat zijn om je nog te helpen. Nee wacht, laat me uitpraten." Ik probeerde hem te onderbreken om er tegenin te gaan.
"Maar we zullen er alles aan doen om je te helpen."
Dankbaar en opgelucht keek ik hem aan. Ik had al die tijd nog naar de grond gekeken. Zijn goudkleurige ogen stonden open en vriendelijk. Het was duidelijk te zien dat hij me wilde helpen. Ik keek achterom en keek de anderen aan. Ze knikten allemaal bemoedigend.
