Ook al hoorde Raven nu niks meer en waren de onbekende al wel weg toch bleef Raven in haar kast zitten, terwijl ze steeds vermoeiender werd en haar oogleden steeds dicht vielen. Ze durfde niet naar buiten, niet buiten de kast. Ze bleef erin, wachtend tot er iemand kwam die haar kwam redden.
Ze sloot haar ogen dicht en dacht aan vanavond, toen ze nog met haar ouders en broer beneden zat, kijkend naar de televisie. En haar jongere zusje en broertje die al op bed lagen. Ze vroeg zich af wat er met ze gebeurd was, maar het moest iets ergs geweest zijn, want ze hoorde ze niet meer opstaan of roepen om haar. Ze kreeg een rilling van de gedachte dat ze misschien dood waren en voelde een traan langs haar wang omlaag sijpelen. Ze mochten niet dood zijn, dan was ze alleen... helemaal alleen. Ze sloeg haar armen rond haar benen en ging ineen zitten waarna ze in slaap viel door zichzelf gerust te stellen dat ze niet dood waren.
Raven knipperde haar ogen open en keek rond. Ze zag niets, doordat het zo donker was. Even hoopte ze dat wat er vanacht was gebeurd een nachtmerrie was geweest, maar die hoop verdween al snel toen ze rondom haar kledingstukken voelde.
Ze dacht eraan, aan hoe ze was wakker geworden door een nachtmerrie, hoe ze daarna de geluiden hoorde, hoe ze haar vader wakker maakte, hoe ze na die vier groene stralen haar kast indook en als laatste dacht ze aan... hem, de jongen wie haar niet verlinkte. Moest ze hem dankbaar zijn, of juist niet?
Ze slikte als ze eraan terug dacht. Maar dacht daarna meteen weer aan haar familie. Wat was er met ze gebeurd? Leefden ze nog? Maar als ze nog zouden leven waarom hadden ze haar dan niet al gevonden? Zou ze gaan kijken, zou ze dat durven?
Raven haalde al haar moed bijeen en krabbelde overeind. Ze wilde net haar kastdeur open duwen toen ze stemmen hoorde. Ze ging terug tussen haar kleding zitten en luisterde aandachtig, terwijl er een broek van een hangertje viel en pal op haar hoofd terecht kwam. Maar ze liet de broek liggen op haar hoofd, ze was meer geinteresseerd in de stemmen.
''Dit is al de zoveelste tovenaarsgezin dat vermoord is,'' hoorde ze een vrouwenstem verdrietig zeggen. Geschrokken van dat woord ''vermoord'' keek Raven starend voor haar. Nee, dat kon niet. Dat mocht niet, ze mochten niet dood zijn. Ze liet haar tranen de vrije loop gaan, maar bleef stil.
''Ja, maar de Greens hebben toch nog een dochter?'' Hoorde ze nu een mannenstem vragen. Wat de vrouw daarop antwoordde hoorde Raven niet. Wel hoorde ze dat er weer iemand naar boven kwam.
''Wat ga je doen Tops?'' Vroeg dezelfde mannenstem.
''Boven kijken, misschien ligt ze wel boven,'' antwoordde de vrouwenstem.
Raven schrok, ze waren op zoek naar haar. Misschien waren dit wel mensen die hoorde bij die van vanacht. Misschien... Raven slikte weer en staarde weer terug vooruit tegen de deur van de kast. Zo stil mogelijk vouwde ze haar armen om haar benen heen en bleef ze stil zitten. Ze mochten haar niet horen, ze mochten niet weten waar ze was.
Raven hoorde de voetstappen dichter komen. Angstig bleef ze in elkaar zitten terwijl ze luisterde. Plots stopte de voetstappen, alletwee waren ze gestopt. Even hoorde ze dat ze wat tegen elkaar zeiden en daarna hoorde ze weer voetstappen. Voetstappen (die lichter was dan de andere) kwamen haar richting op, de andere (die zwaarder was dan de andere) liepen een andere kant uit.
Voor de kast waarin Raven zat, stopte de voetstappen. Gespannen bleef Raven stil zitten, zou de persoon de kastdeur open doen?
