Hoofdstuk 2
Death, still young.
Learn from hurt.
Silent tongue.
Burning word.
(Tarot – Grey)
Hoofdpijn…
Kreunend draaide ik me op mijn andere zij, in een poging zo de hoofdpijn te verminderen. Verspilde moeite. Het hielp niets. Mijn volledige hoofd bleef bonken alsof er met een hamer op geklopt werd.
Waar ben ik?
Pas toen deze vraag door me heen schoot, besefte ik dat ik dit inderdaad niet wist. Onmiddellijk maakte paniek zich meester van mijn lichaam. Al mijn ledematen spanden zich op – alsof ik mezelf elk moment in een gevecht zou kunnen verliezen – en mijn ogen schoten open.
Het enige wat ik kon onderscheiden, was een witte oppervlakte. Het was zo wit dat het pijn deed aan mijn ogen. In een reflex kneep ik ze weer dicht. Echter niet voor lang. De primitieve paniek zorgde ervoor dat ik ze weer opende, maar nu voorzichtiger, bij stukjes en beetjes.
De witte oppervlakte had nu vorm. Of niet. Ik kon in ieder geval zien wat het was. Het was een wit effen plafond. Het soort plafond dat je meestal in een ziekenhuis tegenkomt.
Hé, wacht eens even…
Ik hoefde maar even naar links en naar rechts te kijken om mijn vermoedens te bevestigen. Ik wás in een ziekenhuis. Ik lag op een vierpersoonskamer, hoewel ik blijkbaar de enige aanwezige persoon was.
Wat doe ik hier?
Ik sloot mijn ogen en probeerde me te herinneren wat er was gebeurd, wat kon verklaren dat ik hier lag. De hoofdpijn was hierbij niet echt bevorderlijk, maar het kwam toch. Er was een gevecht geweest. In het Ministerie van de Toverkunst. Departement van Mystificaties. Er waren Dooddoenders geweest. Ik had met iemand gevochten. Een vrouw. Bellatrix? Ja, Bellatrix.
En toen?
Ik kneep mijn ogen nog meer toe, mijn uiterste best doende om me nog meer te herinneren. Maar er kwam niets meer. Mijn geheugen was een zwart gat vanaf dat moment. Ik wist niet meer hoe het gevecht was afgelopen. Ik had echter wel het gevoel dat dit kon verklaren waarom ik hier lag…
"Nymphadora?"
Ik schrok op uit mijn gedachten bij het horen van mijn naam. Mijn ogen vlogen weer open en zochten naar de maker, de bron van het geluid.
Ik vond hem met zijn hoofd door de opening van de deur stekend, in de vorm van Remus Lupos.
"Remus," zei ik glimlachend. Ik schrok van mijn stem. Hij klonk hees, alsof ik er maanden niet meer mee gesproken had.
"Hoeveel keer heb ik je al niet verteld dat ik er niet tegen kan als je me bij mijn voornaam noemt?"
"Nog niet genoeg, blijkbaar," glimlachte Remus terug en kwam de kamer binnen. Hij begaf zich naar een stoel naast mijn bed en ging er op zitten.
Van zo dichtbij kon ik zijn gezicht goed bestuderen. Ik schrok even toen ik ontdekte hoe slecht hij er uit zag. Zijn wallen waren nog groter dan gewoonlijk, de rimpels in zijn voorhoofd nog dieper en zijn ogen stonden dof, met weinig emotie in.
In een reflex keek ik uit het raam. De maan, die dunnetjes op de helderblauwe hemel getekend stond, was echter nog maar in de helft.
"Zo, eh… Dora," begon hij. Onwillekeurig moest ik glimlachen. "Hoe voel je je nu?"
"Oh, gaat wel," zei ik, hoewel mijn hoofd luid protesteerde tegen die uitspraak.
"Goed zo," reageerde Remus. Hij zag er inderdaad echt opgelucht uit. Meteen voelde ik me een beetje schuldig over het feit dat ik niet helemaal eerlijk was geweest. Maar die schuldgevoelens verbleekten onmiddellijk bij het feit dat ik geen idee had wat ik hier deed, en Remus blijkbaar wel.
"Remus?" begon ik daarom voorzichtig.
"Ja?"
"Ik weet dat het een beetje raar klinkt, maar eh… Weet jij wat ik hier, in het ziekenhuis doe? Ik kan me het niet goed meer herinneren."
Remus keek me verbaasd aan. Ik keek verontschuldigend terug. Terwijl ik dit deed, bemerkte ik plots dat hij kleine, groenachtige spikkeltjes in zijn ogen had. Deze ontdekking zorgde voor een raar gevoel in mijn buikstreek, alsof ik overkop was gegaan in een achtbaan.
What the…?
Ik knipperde even verbaasd met mijn ogen. Waar kwam dat gevoel plots vandaan?
"Heeft… Heeft nog niemand iets tegen je gezegd?" onderbrak Remus mijn verwarring.
"Eh, nee," zei ik, blij dat ik me op iets anders kon concentreren dan mijn plotselinge zo rare gevoelens, "Wat is er dan gebeurd?" Ik vermeed het zorgvuldig om in zijn ogen te kijken, keek naar een plek vlak boven hen, tussen zijn wenkbrauwen. Als ik dit echter wel had gedaan, had ik gezien hoe de blik in zijn ogen veranderde.
"Wel… Ik weet niet of je je nog iets herinnert van wat er gisteren is gebeurd?" begon hij voorzichtig. Ik merkte dat zijn stem wat trilde.
"Ik weet nog wel dat er een gevecht was in het Ministerie en dat ik met Bellatrix was aan het vechten," antwoordde ik naar waarheid, "Maar daar houdt het dan ook op."
"Ah… Dus…" Remus had duidelijk moeite om door te gaan. Wat was er gebeurd dat Remus maar met moeite uit zijn woorden kon komen?
"Remus, als je het niet wilt vertellen…" begon ik, maar Remus stak een hand omhoog. Hij haalde een keer diep adem, slikte, en stak toen van wal.
"Bellatrix heeft je vervloekt. Dat is de reden waarom je hier bent. Je was er niet zo goed aan toe, maar gelukkig is dat nu weer in orde."
Hij glimlachte naar me, maar het ging niet van harte. Ik glimlachte niet terug, maar keek hem strak aan. Ik wist zeker dat het verhaal nog niet uit was. Ik wist dat er daarna nog iets gebeurd was. En aan Remus' uitdrukking te zien, was het geen goed nieuws.
Een ongemakkelijk gevoel maakte zich van mij meester. Plotseling wist ik niet goed meer of ik de rest wel wilde horen.
Remus ging echter onverbiddelijk door. Het leek wel alsof hij, nu hij begonnen was, het moest afmaken.
"Nadat Bellatrix je verlamd had, nam Sirius het gevecht over. Ze waren goed gewaagd aan elkaar. Sirius was echter… een beetje onoplettend. Bellatrix slaagde er in om hem ook te verlammen. En toen… Hij…Viel…En…"
Remus' stem stokte. Hij wendde zijn gezicht af, maar ik had de tranen al gezien.
De vreselijke waarheid drong plots met een klap tot me door. Als in een visioen zag ik de boog met de zacht wuivende gordijnen, die me zo geïntegreerd had dat Bellatrix de kans had gehad me te verlammen. Ik zag Sirius achterover duikelen en vallen, vallen,… Zodanig duidelijk alsof ik het met mijn eigen ogen had gezien.
Ik draaide mijn hoofd, zodat ik uit het raam keek, Remus mijn gezicht, mijn rode ogen niet kon zien.
Sirius…
Ik probeerde de pijnlijke krop in mijn keel weg te slikken. Tevergeefs.
Weg.
Tranen gleden over mijn wangen, mijn kin, mijn hals, vielen op mijn schoot.
Voorgoed.
Ik voelde een zachte, warme hand op mijn schouder. Remus. Trachtend me te troosten.
Mijn schuld.
Die hand hoorde daar niet. Ik had het recht niet getroost te worden.
Sirius dood. Mijn schuld.
Ik maakte een schokkerige beweging met mijn schouder. Remus' hand gleed weg.
Voorgoed weg. Mijn schuld.
Ik beet op mijn tanden, probeerde zo rustig mogelijk adem te halen.
Mijn schuld.
Ik merkte pas dat Remus weg was toen ik weer naar rechts keek. Hij had niets gezegd, niets gedaan. Hij was gewoon weg gegaan.
Mijn schuld…
