[bHoofdstuk 2 – Herinneringen aan verloren tijden.[/b
Filmpje van de I'm Too Sexy[/url
De nacht gaat voorbij en voor Sneep er klaar voor was stond de zon al weer hoog aan de hemel.
Vermoeid, vanuit zijn aftandse hemelbed kijkt hij naar de schaduwen die door zijn kamer worden geworpen, vervormd en vertekent, als delen van zijn droom op de muren afgebeeld.
Hij besluit maar eens uit bed te gaan, hier blijven liggen en niets doen helpt hem niet om zijn gedachten te ordenen. Langzaam kleed hij zich aan en het volgende moment voelt hij een stekende pijn in zijn linkerpols. De Heer van het Duister roept hem.
Hij heeft geen zin om te gaan, wetend dat hij zonder het te willen weer informatie prijs zal geven.
Met een schok herinnerd hij zich de woorden van Narcissa, Bellatrix wil hem verraden, wat nou als ze haar verhaal heeft gedaan terwijl hij er niet bij was?
Hij schudt zijn hoofd, daar moet hij nu nog maar even niet aan denken.
Hij loopt de gangen door naar de kamer van zijn Meester, er komen stemmen vandaan, veel stemmen. Blijkbaar heeft de Heer van het Duister alle Dooddoeners bij elkaar geroepen.
Als hij binnenkomt kijkt iedereen om.
"Ah, Severus, ga zitten, ga zitten." Zegt de Heer van het Duister met zijn overdreven vriendelijke stem.
Een beetje bedachtzaam gaat hij zitten en hij weerhoud zichzelf ervan om de groep rond te kijken, wetend dat dit ervoor zorgt dat hij verdacht lijkt.
Zijn Meester kijkt hem indringend aan en automatisch sluit hij zijn gedachten af voor de man.
"Ik heb rare geruchten gehoord, Severus." Begint hij. "Geruchten dat jij meer dan één Meester zou dienen."
Sneep's gezicht verraad geen angst of woede, in feite, het verraad helemaal niets, maar in zijn binnenste voert een oorlog. Het is dus waar, Bellatrix had inderdaad eerder met de Heer van het Duister gesproken dan hijzelf.
Hij kijkt de Heer van het Duister recht in zijn slangachtige ogen. "Heer, vergeef me, maar ik weet niet waar u het over heeft." Zegt hij met zijn gebruikelijk koude stem.
De ogen van Heer Voldemort vernauwen zich tot spleetjes. "Dat weet je niet, zeg je? Bella hier heeft me vertelt dat je al tijden onder één hoedje speelt met de Orde van de Feniks. Dat je helemaal niet zo loyaal aan me bent als dat je werkelijk zegt." Sist hij, zijn toon nog steeds vriendelijk, maar zijn stem klinkt kil.
"Zoals Bellatrix wel weet ben ik een tijd lid geweest van de Orde van de Feniks." Antwoord Sneep met een hoofdknikje in de richting van Bellatrix, deze wordt niet beantwoord. "Zoals ze ook weet deed ik dat alleen om hun vertrouwen te winnen, zodat ik u op de hoogte kon brengen van alles wat er daar gebeurde. Ik heb hen in ruil daarvoor valse informatie gegeven over de Dooddoeners en hun activiteiten. Dit alles heb ik gedaan op uw commando."
Heer Voldemort knikt. "Dat is allemaal wel bekend inderdaad. Dus jij zou zeggen, Severus, dat jouw banden met de Orde nu compleet verbroken zijn?" vraagt hij rustig, terwijl hij ook een blik werpt op Bellatrix.
Sneep knikt enkel, maar houd verder zijn mond. In de dagen dat hij hier is geweest heeft hij geen enkel contact gehad met de Orde, dus ze kunnen hem niet betrappen op een leugen.
Bellatrix lijkt hier anders over te denken, ze springt omhoog. "Leugens!" schreeuwt ze, ze pakt haar toverstok en richt deze op Sneep. "Ik ben gisteren naar buiten geweest en heb woorden opgevangen over hoe jij de avond ervoor nog bij ze was geweest! Je kan niet tegen me liegen! Heer, geloof me, Heer, ik zou nooit tegen u liegen, ik ben uw meest betrouwbare
dienares!" ze kijkt naar Heer Voldemort en heft haar borst, alsof het een grote eer is om deze titel te dragen.
Heer Voldemort knikt. "Ga zitten Bella." Gebied bij. Bellatrix gaat verslagen weer zitten en kijkt woedend in de richting van Sneep.
"Het spijt me dat ik je moet teleurstellen, Bellatrix. Gisteravond was ik hier, bij de Heer van het Duister, zoals hij," Sneep knikte eerbiedig in de richting van Heer Voldemort, " waarschijnlijk wel zou kunnen vertellen."
Heer Voldemort knikt en kijkt boos naar Bellatrix. "Misschien moest jij in het vervolg je bronnen maar even beter natrekken, Bella. Het is waar dat Severus de hele avond bij mij heeft doorgebracht. Ik stel het niet op prijs dat je me komt lastigvallen met dit soort praatjes." Zegt hij met een kille stem.
Bellatrix zag eruit alsof ze elk moment flauw kon vallen. Ze opent haar mond om iets te zeggen, maar de woorden komen er niet uit. Eerbiedig valt ze op haar knieën voor haar Meester. "Ja Heer…" mompelt ze verstikt.
Heer Voldemort knikt naar Sneep als teken dat hij kan gaan. Hij staat op en loopt de kamer uit, gevolgd door de rest van de Dooddoeners.
In de gang naar zijn kamer wordt hij ingehaald door Narcissa. "Ik ben blij dat het allemaal opgelost is. Bella had blijkbaar toch niet de goede informatie gevonden, ook al zei ze van wel." Zegt ze, blijkbaar opgelucht dat de beschermheer van haar zoon nog in leven is.
Sneep lacht flauwtjes. "De tijd dat Bella waardevolle informatie weet te verstrekken moet nog komen." Antwoord hij met een sarcastische stem. Dan slaat hij de gang naar zijn kamer in en laat Narcissa achter.
Terug in zijn kamer valt hij op zijn bed, zijn lichaam voelt alsof het gebroken is.
De ontmoeting liep goed, daar kan hij niets over zeggen, maar het voelt alsof hij nog meer verraad heeft gepleegd dan hij in de eerste plaats al gedaan heeft.
'Onzin.' Houd hij zichzelf voor. 'Het is waar dat ik niets meer met de Orde te maken heb, na wat ik gedaan heb zou het me verbazen als ze zelfs nog maar een woord in mijn richting willen zeggen.'
Hij grijnst somber. Wat verlangt hij terug naar de tijd waarin hij nog gewoon kon zijn wie hij werkelijk was. Een jongen op Zweinstein, verliefd op Lily Evers, een Griffoendor meisje die later trouwde met zijn aartsrivaal James Potter. Later een Dooddoener, een tijd die hij liever wil vergeten. Hoe kon hij zo stom zijn om de Potters aan de Heer van het Duister te verraden? Hij wil er niet meer aan denken, zijn hart doet teveel pijn om hier aan herinnerd te worden.
Zijn gedachten stromen door naar zijn tijd op Zweinstein, als leraar. Hij werd door alle leerlingen gehaat, behalve natuurlijk zijn eigen afdeling. Hij was een zeer beruchte leraar, nam punten van iedereen af behalve zijn eigen afdeling.
Het kwam allemaal door Harry Potter, hield hij zichzelf voor. Hij is het voortbrengsel van de liefde tussen Lily en James, een liefde die aan hem voorbestemd had moeten zijn.
Hij schudt zijn hoofd, daar moet hij niet meer aan denken.
Het was een leuke tijd op Zweinstein, dacht hij bij zichzelf, maar het is een tijd waar hij niet meer naar terug kan.
Het gevecht in Zweinstein speelt af in zijn hoofd. Hoe hij wakker werd gemaakt omdat er Dooddoeners in het kasteel waren, hoe hij ervoor moest zorgen dat Draco veilig was…
Hij herinnerd zich dat hij uit bed was gesprongen, professor Banning Verlamd had en naar boven was gerend, naar de toren waar Draco probeerde Perkamentus te vermoorden. Hij kon het niet, dat zag hij meteen en zonder te wachten vermoorde hij Perkamentus met de meest traumatische Avada Kedavra die hij ooit in zijn leven had gebruikt.
Hij rende terug naar beneden met Draco, schreeuwde naar de Dooddoeners dat het gebeurt was, dat Perkamentus niet meer in leven was.
Hij draait zich om in zijn bed, wensend dat de herinneringen zouden verdwijnen, wetend dat ze voor altijd zullen blijven.
Weer denkt hij aan de woorden die Draco gisteren gesproken had. 'Ontsnappen…' denkt hij.
Als dat mogelijk zou zijn, hoe zou hij dat dan proberen?
Zonder door te hebben wat hij precies aan het doen is, begint hij te plotten over hoe je het beste van de Dooddoeners kan ontsnappen, wetend dat hij het waarschijnlijk toch nooit ten uitvoer zou brengen.
De gedachte zorgt er in ieder geval voor dat hij zijn schuldgevoelens even kan vergeten.
