A/N 2 reviews? Wow.. dat is 2 meer dan ik verwacht had. Dank jullie wel! Hier het eerste échte hoofdstuk.

Hoofdstuk 1: Hoe het begon

Vlissingen, een drukke havenstad. Het middelpunt van de koopvaart in 1673. Aan de haven zelf waren overal mensen, overal geluid. Vrouwen die hun echtgenoot uitzwaaiden, meisjes die hun liefjes vaarwel kwamen zeggen. Er lagen verschillende schepen aangemeerd aan de kade. Koopvaardijschepen, vissersschuiten, schoeners. Zeelieden liepen af en aan, met koffers, balen en tonnen. Te midden van al die schepen lag één bijzonder groot schip, een galjoen, prachtig om te zien. Het schip heette de Vrouwe Fortuna, en was een van de meeste succesvolste schepen in het noordelijk halfrond. Ook hier werd druk gewerkt, het schip werd in gereedheid gebracht voor vertrek naar Jamaica, de nieuwste kolonie van de Britten. Vol trots werd de oranje, wit, blauwe vlag gehesen en het sein schalde over het terrein:"Alles los voor en achter!". Onder luid gejuich voer het schip uit, richting de Noordzee.

Het schip vervoerde de vrouwen en dochters van de mannen die gestationeerd waren op Jamaica, Port Royal om precies te zijn. Zo ook ik, mijn twee jongere zusjes en mijn moeder. Mijn vader, luitenant-admiraal, voerde op dat moment het bevel over de Vrouwe Fortuna. Wij waren ook onderweg naar Port Royal, naar mijn broers die daar gestationeerd waren.
De reis verliep voorspoedig, en na een paar dagen ruwe zee kwamen we in rustiger water, waar we weken zonder problemen zeilden.
Tot die ene dag.

Probeer het je voor te stellen, 7 uur 's ochtends, de matrozen waren druk in de weer met de zeilen. De zon is al op en de buiten temperatuur begint langzaam maar zeker op te lopen. Er staat een licht briesje en de golven breken op het schip. Zeemeeuwen vliegen boven het dek, zelfs op dit vroege uur al op zoek naar voedsel. Aan de railing, kijkend naar de meeuwen en dromend over een onbekend land, staat een vrouw. Een meisje nog, amper 19 jaar. Haar lange haar is half opgestoken, op een paar krulletjes na die telkens in haar gezicht geblazen worden. Haar jurk zit onder de vlekken van het zoute water dat met vaste regelmaat tegen haar aan spat. Dit meisje.. zo lang geleden.. was ik. Ben ik nog steeds, diep van binnen.

Als mijn moeder toen had geweten dat ik genoot van de schunnige liederen die de mannen zongen, van de zilte lucht van de zee, van het gekrijs van de meeuwen, dan weet ik niet wat ze had gedaan. In zwijm vallen, dat zeker. Maar moeder was van mening dat het niet getuigde van stijl om vroeg uit bed te zijn. Dat was iets dat mensen van adel, van klasse, niet deden. Wie weet had ze gelijk, maar wie zal het zeggen? Ik hield van de zonsopgang, of dat nou getuigde van stijl en nobiliteit of niet.

Zo ook deze ochtend, een ochtend als elke andere. Het enige verschil was dat we bijna aan het einde van onze lange reis waren.
Ik liep zo te dromen dat ik niet eens doorhad dat de stuurman had geroepen dat er een ander schip aan bakboordzijde te zien was. Op zich geen grote belevenis, we waren meerdere schepen tegengekomen onderweg, heel af en toe werden voorraden uitgewisseld, maar meestal lieten we elkaar met rust. Het viel me pas op dat het andere schip er was toen ik het praktisch aan kon raken. Het was een fregat, wendbaar en zeer groot.

Het voerde een Nederlandse vlag, net zoals wij. Maar aan boord was niemand te zien. De zeilen waren gehesen en er hing een griezelige stilte om het schip heen. De matrozen aan boord van de Vrouwe Fortuna keken nerveus om zich heen, er deden geruchten over een vervloekt schip de ronde. De stuurman zetten zijn handen aan de mond en riep duidelijk naar het andere schip: "Schip ahoy!". De stilte hield aan, geen antwoord. De stuurman riep nog éénmaal, dit maal was er een duidelijk antwoord. Maar niet zozeer in woorden. Éen voor een werden de zeilen gestreken, en de kleur van de zeilen deed een schok door de bemanning gaan. Ze waren zwart, gitzwart. Met bijna kinderlijke fascinatie bleef ik naar het schip staren, wou het niet loslaten, ik wou weten wat er gaande was. Lijkbleek snelde de stuurman naar beneden, naar mijn vader. Ik zie het nog zo voor me, hoe mijn vader toen bovendek kwam. Zijn pet en stropdas zaten scheef en ik kon hem duidelijk horen mopperen: "Den duvel, wat zijn dit voor praktijken? Een beetje onschuldige mensen de stuipen op het lijf jagen?"

In het kielzog van mijn vader schreed mijn moeder, mijn moeder liep nooit, ze schreed voort. Hoe ze dat voor elkaar kreeg in die onmogelijke hoepeljurken is me tot de dag van vandaag nog steeds een raadsel. Mijn zusjes lagen waarschijnlijk nog steeds in bed, die hadden de levenswijze van mijn moeder feilloos overgenomen.
"Eliza! Kom onmiddellijk bij de railing vandaan! Wat moet dat zo vroeg uit bed? Ga direct naar beneden!" Dat is een van de dingen die ik me nog haarscherp kan herinneren van mijn moeder, ze kon bevelen geven als geen ander. Schoorvoetend en met hangend hoofd liep ik naar haar toe. Op de achtergrond kon ik mijn vader horen schreeuwen: "Schip ahoy! Maakt u bekend!".
Ditmaal kwam wederom een antwoord, en weer niet in de gesproken vorm. Een geweerschot weerklonk over het water en ik kon de kogel over mijn hoofd horen vliegen voor hij in de mast insloeg.
"Mannen te wapen! Vrouwen benedendeks! Nu!" In zijn haast duwde mijn vader mij opzij, zodat ik op niet bepaald zachtzinnig op het dek belandde, tussen het tumult van de mensen.

De mannen riepen van alles door elkaar, en geen van hun scheen mij op te merken. Een klein meisje, verloren tussen het gedrang. Van het andere schip kwam opeens een hoop lawaai, en terwijl ik opstond kon ik duidelijk zien wat er gebeurde: de kanonnen werden in gereedheid gebracht. Het waren piraten! Ze gingen enteren! Met veel gedonder en lawaai werden de kanonnen afgeschoten, maar in plaats van de kogels en puin dat ik verwachtte, zag ik haken naar ons schip toe vliegen. Haken die zich om de railing grepen, zich om de mast slingerden. Aan elke haak zat een touw. Aan het uiteinde van elk touw zwaaide een piraat naar ons schip toe. Wonderbaarlijk genoeg was alles heel snel voorbij. Binnen luttele minuten was de gehele bemanning gevangen genomen, inclusief passagiers. Zonder gewonden. Wat was er gebeurd?

Onder schot gehouden door een aantal woest uitziende mannen werden we ontdaan van al onze waardevolle goederen. Ook dit was zeer goed georganiseerd en nam niet meer dan 5 minuten in beslag. Vanuit de grote groep piraten stapte één man tevoorschijn. Hij was niet lang, in ieder geval kleiner dan mijn vader en broers. Zijn lange zwarte haar zat vol kleine muntjes, botjes en andere curiosa. Het geheel werd bijeen gehouden door een smerig uitziende rode sjaal. Zijn ogen waren zwart omlijnd, zijn kin ongeschoren. Een angstaanjagend individu, dat was mijn eerste gedachte. Zijn manier van lopen was op zijn zachtst gezegd apart, bijna alsof hij dronken was, maar toch gecontroleerd.

Hij ging voor ons staan, één hand in zijn zij, de ander op zijn pistool. Even keek hij dreigend naar ons, maar niet lang daarna brak een glimlach op zijn gezicht door. Een gouden glimlach, wat zeer letterlijk genomen moet worden. In een taal die ik niet verstond, maar wel kon identificeren als Engels zei hij iets tegen ons, daarbij een kleine buiging makend. Met een verwarde blik bleef ik hem aanstaren. Mijn vader verstond hem echter wel: "Wees een heer en spreek een taal die we allemaal verstaan, zowel de vrouwen als de minder geleerde heren onder ons." gebood hij de piraat, een smalende blik in zijn ogen.
Even verdween de glimlach van het gezicht van de man, hij zette zijn wijsvinger aan zijn onderlip en keek even nadenkend omhoog. Blijkbaar zag hij daar de Hollandse vlag wapperen, want op hetzelfde moment verscheen de grijns weer en maakte hij een verontschuldigende buiging naar ons toe, zijn handen voor zich gevouwen als in een gebed :"Vergeef me, Admiral, Hollanders? Als ik het goed heb? Welcome to the Caribbean. Ik hoop dat mijn bemanning u niet al te veel last heeft bezorgd," deze opmerking werd begroet door minachtend gesnuif van mijn moeder, "we zullen nu vertrekken, gelieve zonder al te veel problemen van uw kant. En onthoud goed, heren, dames, dat u zojuist begroet bent door Captain Jack Sparrow, en zijn beloved Black Pearl."

A/N: Ok, misschien een beetje een oud taalgebruik, maar ik vind eigenlijk wel dat het een beetje bij dit verhaal past. Hoewel het waarschijnlijk wel een beetje lastig lezen wordt voor jullie. Tips en aanwijzingen worden zeer gewaardeerd!