Disclaimer: Ik heb geen recht op POTC.. het is allemaal van de muis!
Hoofdstuk 4: Ontsnapt?
Zo gingen er dagen voorbij dat er alleen maar in het Engels tegen me gesproken werd. Met de dag begon ik me eenzamer te voelen, en ik sloot me steeds meer af voor mijn omgeving. Ik weigerde tegen de bemanning te praten, ik at zeer weinig. Ondanks het feit dat ik de beste verzorging kreeg die ze me konden bieden. Ik had een bed waar een prinses jaloers op zou worden, zijden lakens, kussens gevuld met dons. De tafel werd 's avonds gedekt met een katoenen kleed, zilveren bestek en porseleinen borden werden voor me klaargezet.
De meest exotische vruchten stonden voor me klaar, dure en voortreffelijke wijnen stonden in kristallen karaffen op de tafel. Maar ik weigerde om veel te eten, ik nam een paar happen brood om de ergste honger te verdrijven en dronk alleen maar water. In die weken viel ik veel af, het mollige dat veel Hollandse meisjes hebben, was bij mij niet meer te zien. De jurk die ik aan had bij mijn ontvoering, ging steeds wijder en ruimer zitten.
's Avonds huilde ik mezelf in slaap bij het kaarslicht. De boeken die ze mij ter beschikking hadden gesteld liet ik links liggen, niet geïnteresseerd in dingen die niets met mijn vrijlating te maken hadden.
Soms, heel soms, als de werkzaamheden het toelieten, kwam Jack bij me zitten. Dan vertelde hij korte verhalen over zijn avonturen op zee; allemaal in het Nederlands. Waarschijnlijk om mijn eenzaamheid te verdrijven en om me een beetje het gevoel te geven dat er ook nog mensen waren met wie ik kon praten.
Maar hoe hij ook zijn best deed, hij kon niet verhinderen dat ik steeds meer verlangde naar vaste grond onder mijn voeten. En boven alles wilde ik mijn ouders weer zien, mijn zusjes en mijn broers.
Elke keer als we een haven aandeden, werd er zorgvuldig voor gezorgd dat ik in mijn eigen kamer zat opgesloten.
Tot we op een dag een haven aandeden, vlakbij de Britse kolonies. Het was ondertussen ruim 6 weken geleden sinds ik aan boord The Black Pearl was gekomen. Niet één keer in die tijd had ik voet aan wal gezet. Tot die dag. Ze waren vergeten om mijn deur op slot te doen.
Zonder te aarzelen greep ik de kans die voor me lag. Heel voorzichtig deed ik mijn deur open en keek om me heen. Zelfs geen bewaker te zien. Iets wat ik achteraf zeer vreemd vond, maar wat ik op dat moment alleen maar kon waarderen. Het maakte mijn ontsnapping in ieder geval een stuk gemakkelijker.
Ik sloop de trap op, ineenkrimpend bij elke krakende trede, voortdurend bang dat ik gesnapt zou worden. Ik wou niet nogmaals opgesloten worden in die hut, niet nog een keer. Elk moment verwachtte ik dat er iemand zou roepen dat de gevangene ontsnapt was. Maar buiten aangekomen bleek het dek geheel verlaten te zijn, op een enkele man na, die tegen de mast aan lag te slapen.
Zonder ook maar één moment verder te twijfelen rende ik zo snel ik durfde de loopplank af, op zoek naar hulp, naar iemand die mij kon redden van deze piraten. Iemand die mij terug kon brengen naar mijn familie.
Het moet er vreemd uit hebben gezien, een meisje met een lichtgele jurk en loshangende blonde krullen, dwalend door de duistere stegen van een onbekende stad. Maar niemand hield me aan, niemand bood aan om me te helpen, en voor het eerst in mijn, tot dusver, relatief beschermde en veilige leventje sliep ik buiten op straat.
Ik werd wakker door een plens koud water in mijn gezicht, veroorzaakt door een langsratelende koets. Hoe lang ik daar had geslapen weet ik niet, maar het was in ieder geval weer licht. Nog steeds wanhopig op zoek naar hulp liep ik de eerste de beste kroeg binnen die ik tegenkwam.
Binnen rook het naar verschraald bier en zweet, het was er donker en bedompt. Zelfs op dit vroege uur zaten er al mannen achter de ronde tafeltjes, hoewel het waarschijnlijk meer naar de waarheid zijn geweest als ik zou zeggen dat ze er nog steeds zaten. Ik liep naar de toonbar, waar de barman bezig was om de pullen om te spoelen.
Voor het eerst was ik blij met mijn Engelse lessen, ik kon me in ieder geval min of meer verstaanbaar maken.
"Alstublieft, kunt u mij helpen? Ik ben op zoek naar de meest dicht bijzijnde marine post. Dit is van groot belang!". De man zei niks en negeerde me compleet. Hij spuugde op de doek en ging verder met het poetsen van de bekers. Ik moet er ook wel afschuwelijk uit hebben gezien, onder de modder, nog nat van het water, haar dat in strengen naast mijn hoofd hing...
"Meneer... alstublieft!" probeerde ik normaals, tevergeefs. Van ergens achter in de kroeg riep iemand: "Wij willen hier niks te maken hebben met de marine! Maak dat je wegkomt!" Deze opmerking werd nog eens gesterkt door een aantal van zijn maten, die een aantal onbehoorlijke voorstellen erbij deden, die ik hier niet zal herhalen.
Geschokt en verslagen door dit gebrek aan begrip en medewerking baande ik me een weg naar buiten, mijn zicht belemmert door hinderlijke tranen in mijn ogen. Ik heb daarna uren door onbekende straten gezworven, op zoek naar iemand die mij kon helpen. Eindelijk, tegen de avond, vond ik iemand die bereid was om mij de weg te wijzen naar de marine post.
Bij de Britse marine post werd ik evenmin warm onthaald, maar in ieder geval vriendelijker dan in de stad zelf. Pas toen ik met veel moeite duidelijk had gemaakt dat ik de dochter was van de gezagvoerder van de Vrouwe Fortuna, hadden ze eindelijk door dat ik niet zomaar een armoedige wasvrouw van de straat was.
De bevelhebber van de post werd geroepen en ik werd gevraagd om in zijn kamer te wachten. Daar lag een deken voor me klaar en een kop thee stond op het bureau.
Een klein, gezet mannetje kwam even later binnen. De bevelhebber zelf, Mr. George White. Hij zag er nogal, vreemd, uit. Zijn pruik was bijna net zo groot als zijn hele hoofd, een potsierlijk snorretje prijkte onder zijn neus en zijn uniform leek net een maat te groot. Maar uit zijn hele houding sprak gezag.
Hij ging achter zijn bureau zitten, en vouwde zijn handen voor zich. Zijn gezichtsuitdrukking stond bezorgd, alsof hij iets moest vertellen en vreesde voor mijn reactie.
"Mejuffrouw van Zwol, gaat u zitten. Ik heb nieuws over de Vrouwe Fortuna… en uw vader."
"U weet waar ze zijn? Godzijdank! Kunt u me naar ze toebrengen?"
White slikte en keek nog ongemakkelijker.
" Ik vrees...eh... dat dat helaas niet zal gaan mejuffrouw. Ik.. erhm.. het spijt mij zeer dit aan u te moeten mededelen, maar de Vrouwe Fortuna is een aantal dagen geleden gezonken vlak voor de kust van Jamaica. We hebben géén overlevenden gevonden."
