Hoofdstuk 7: De Schat van de Lopende Hand
Disclaimer: I don't own any characters originally from POTC, nor do I intend to harm them, or their creators reputation. This story sprouted completely from my own imagination, with a little inspiration from a few Harlequin books I read and I wrote it because of my admiration for the creator of POTC..and Jack Sparrow ofcourse :)
Een paar weken na het incident met de marine, meerden we aan op een verlaten eiland. Jack beweerde dat het was om mij het gevoel van vaste grond onder mijn voeten terug te geven. Volgens hem zou een landrot nooit aan de zee kunnen wennen en had ik om de zoveel tijd het land weer nodig.
Aanvankelijk geloofde ik hem. Tot ik op een avond toevallig een gesprek tussen hem en Mr. Gibbs opving. Het was een donkere, zwaar bewolkte nacht. De maan en sterren lieten zich niet zien en er stond geen zuchtje wind. Ik lag al een poosje te slapen maar werd gewekt door een luid gelach dat uit Jack´s kamer kwam. Met een kreun draaide ik me om, Jack zou wel weer een mooie meid hebben gevonden in één van de vele kroegen in Tortuga.
Het duurde even voor tot me doordrong dat we niet eens in de buurt van Tortuga waren, het gelach moest dus door iets anders komen. Van nature zeer nieuwsgierig stapte ik even later mijn bed uit en trok mijn kleding aan. Jack had ervoor gezorgd dat ik normale dagelijkse kleding had om te dragen, een jurk op een schip was immers niet praktisch.
Ergens, ik weet niet waar, had hij een lange bruine broek voor me weten te vinden. Deze werd omhooggehouden door een oude riem van een van de bemanningsleden, een zwart ding met een grote zilverkleurige gesp. Hierboven droeg ik meestal een wit katoenen shirt van Jack zelf. Deze waren me meestal veel te wijd, maar zaten heerlijk. Hoewel de meeste mannen blootsvoets op het schip rondliepen had ik altijd mijn leren muiltjes aan, voornamelijk tegen splinters. Ik had nog niet zo´n dikke eeltlaag onder mijn voeten als de mannen aan boord, dus op blote voeten lopen was behoorlijk pijnlijk.
Moeder zou het beslist niet hebben goedgekeurd, haar dochter in een lange broek rondsluipend aan boord van een schip. Maar ach, moeder zou wel meer van mijn acties nooit hebben goedgekeurd. En om eerlijk te zijn, na een paar maanden aan boord van The Black Pearl dacht ik niet meer zoveel aan wat nou wel of niet keurig en goed was.
Lopend op mijn tenen sloop ik mijn kamer uit terwijl ik zo weinig mogelijk geluid probeerde te maken. Eigenlijk had ik geen moeite hoeven doen, Jack en Gibbs lachten zo hard dat ze zelfs een dode nog zouden kunnen hebben gewekt. Ik verborg me achter een kist die vlakbij het raam stond, op deze manier kon ik goed horen wat ze zeiden terwijl zij mij niet konden zien. Althans… dat dacht ik.
Ah, Jack. Iedereen
weet toch dat het dronkemansverhalen zijn? Er bestaat niet zoiets als
De Schat van de Lopende Hand."
Op het dek van het schip kon ik
hun silhouetten zien, donkere schaduwen in een poel van licht,
gecreëerd door de olielamp op Jacks bureau.
"Oh? En hoe weet jij dat? Heb je ooit gezien dat hij niet bestaat? Hm? Heb je er bewijs voor?" De Jack-schaduw zwaaide wild met zijn armen, een mok met rum in één hand.
Ik kon Gibbs horen
zuchten van frustratie, Jacks logica sneed niet altijd hout. Zo ook
deze keer.
"Jack, wees redelijk. Hoe kan ik nou zien dat het
niet bestaat? Laat ik het zo zeggen, heb jij al gezien dat deze schat
wél bestaat? Ey?"
Jack zette zijn mok met een klap
neer op tafel, ik kon de rum over de rand zien klotsen. Met veel
omhaal trok hij de revers van zijn jasje een beetje open en haalde
iets uit zijn binnenzak.
"Aye… dit is een kaart naar dat
zogenaamde fabeltje. Aan mij gegeven door een man die het heeft
gekregen van de kleinzoon van het nichtje van de broer van de bakker
die naast zijn neef woonde. En die heeft het weer van Kapitein Joshya
himself gestolen."
Zelfs zonder het te zien kon ik me helemaal voorstellen hoe Jack op dat moment keek, een schuine grijns op zijn gezicht en zijn ogen iets toegeknepen.
Gibbs leunde iets verder naar voren over de tafel vroeg aan Jack: "Kapitein… wie?"
Jack begon weer wild te gebaren:
"Jeweetwel.. Kapitein Joshya… die ene… met… dat schip…
ensow… in ieder geval… morgen gaan we aan land. Ik wil die schat
hebben."
Gibbs gaf Jack zijn mok weer en hield zijn eigen rum
omhoog "Een toast dan maar, op de Lopende Hand!"
"Nay mate… een toast… op ons!" besloot Jack, voordat hij zijn beker tegen die van Gibbs klonk en hem in één teug leegde.
Een zoektocht naar een schat dus… interessant. Net zo zachtjes als ik gekomen was, vertrok ik ook weer naar mijn bed. Die nacht droomde ik over gouden kronen en diamanten halssnoeren, de schat had mij in haar greep nog voor ik haar ooit gezien had.
De volgende ochtend werd ik gewekt door een paar ruwe handen die aan mijn schouders schudden: "Eliza dear, word wakker. Het is tijd om aan land te gaan."
Nog
dronken van de slaap keek ik Jack aan met dichtgeknepen ogen: "Ga
weg." Ik draaide me om en deed een poging om de indringer te
negeren. Zachtjes begon hij te grinniken.
Opeens kreeg ik een hele
lading ijskoud water over me heen, binnen een paar seconden was ik
klaarwakker: "Jij…jij… monster! Oh dat is koud!" Ik
schreeuwde tegen hem dat hij mijn kamer uit moest. In plaats daarvan
begon hij echter nog harder te lachen en gaf me een deken: "Nu leer
je tenminste dat de wil van de Kaptein wet is, luv." Zei hij, met
een knipoog.
Ongeveer een kwartier later stond ik aan dek, aangekleed en wel. Nog steeds niet bepaald blij met de behandeling die ik had gekregen besloot ik dat ik Jack zou negeren, voor één dagje maar. Zo zou hij wel leren hoe hij een dame moest behandelen.
We gingen met twee sloepen van boord, richting het strand. Jack bood me nog zijn hand aan om me te helpen met het instappen in de eerste sloep. Ik weigerde, ik kon toch zelf nog wel naar beneden van een simpel trappetje klimmen? Dit was niet een van mijn meest slimme besluiten. De touwladder was namelijk nogal vochtig, waardoor de sporten glibberig en verraderlijk waren. Nog voordat ik halverwege was verloor ik mijn grip op het touw en viel met een luide gil in het water. Voor de tweede keer die dag was ik kletsnat, dit was geen goed begin van mijn dag.
Jack greep mijn pols en trok me uit het water, de sloep in waar hij me een hele preek gaf over hoe dom het is om mijn eigen leven in gevaar te brengen. Een preek die me nog vastbeslotener maakte over mijn besluit om hem die dag te negeren.
Op het strand vertelde Jack me dat ik maar een paar rondjes langs de kust moest lopen, om mijn voeten weer aan de grond te laten wennen. Hij en zijn bemanning zouden het eiland gaan verkennen. Een persoon moest bij mij blijven, voor het geval de lokale bevolking niet zo vriendelijk gezind zou zijn.
Ik knikte en protesteerde niet, zwaaide ze zelfs nog vrolijk uit. Ik zal nooit meer die blik in Jacks ogen vergeten toen hij nog éénmaal over zijn schouder achterom naar mij keek, wantrouwend en argwanend.
Mijn
'lijfwacht', een grote gespierde kerel genaamd Jonas, keek nogal
beledigd, hij vond het niet zo geweldig dat hij was opgescheept met
de bewaking van een dom wicht. Hij was veel liever meegegaan op de
verkenningstocht, avonturen beleven.
Ik liep naar hem toe en
legde meelevend mijn hand op zijn schouder: "Weet je Jonas, je kunt
wel met ze meegaan. Ik heb een dolk en een pistool, ik kan mezelf
verdedigen mocht er iets gebeuren. Ik ga hier gewoon een dutje doen
op het strand totdat jullie terug zijn. Zeg nou zelf, hoeveel
problemen kan een meisje als ik nou veroorzaken?"
Jonas was nog vrij nieuw aan boord, hij wist dus ook nog niet hoe kwaad Jack zou worden als deze erachter kwam dat hij me alleen had gelaten. Of het nou hierdoor kwam of door mijn argumenten, ik weet het niet. Maar mijn opzet slaagde in ieder geval, na een beetje praten besloot Jonas dat hij wel achter de rest van de groep aankon.
"U blijft
dus zeker weten hier?" vroeg hij nog, zichtbaar nerveus "U gaat
niet zomaar het woud in?"
Ik glimlachte hem geruststellend toe,
terwijl ik op het zand neerplofte: "Wees maar niet bang, ik ga
nergens heen. Ga maar naar ze toe, ik vermaak me wel."
Meer aanmoediging had hij niet nodig, met een jongensachtige grijns op zijn gezicht rende hij het bos in. Heel eventjes nog bleef ik in het zand zitten, een voldane uitdrukking op mijn gezicht. Toen ik er zeker van werd dat hij niet snel meer terug zou komen sprong ik op en volgde zijn voetsporen. Zo makkelijk zou Jack niet van me afkomen, als ik deel uitmaakte van zijn bemanning dan wilde ik ook mee op de wat meer avontuurlijke tochten. Aanvankelijk leek dit me een geweldig plan, gewoon de voetsporen van de achtergebleven man volgen tot ik bij Jack kwam. Ik zou dan triomfantelijk naar hem toelopen en vertellen dat ik zeer goed wist waar hij mee bezig was en dat ik mans genoeg was om mee te kunnen met dit soort dingen.
Helaas verliep dit niet zoals gewenst. Het werd me al snel duidelijk dat voetsporen in een bos minder makkelijk te vinden zijn dan in los zand, en ik raakte al snel hopeloos verdwaald. Ik besefte dat ik de voetsporen niet meer zou vinden en probeerde de weg terug naar het strand te vinden. Ditmaal door mijn eigen voetsporen te volgen, wat net zo jammerlijk mislukte als voorheen. Op een gegeven moment was ik al vijf maal langs dezelfde boom gelopen en toen pas besefte ik dat ik écht verdwaald was. Door mijn eigen ego en zelfzucht had ik mezelf in deze problemen gebracht en ik zag geen manier om mezelf eruit te halen.
Urenlang heb ik door het bos gedwaald, regelmatig vloekend als ik erachter kwam dat ik wéér in een cirkeltje gelopen had. Meerdere malen heb ik me afgevraagd hoe groot een bos op een eiland in vredesnaam kon zijn. Het probleem was echter dat ik in het bos niet in een rechte lijn kon lopen, mijn route werd her en der versperd door omgevallen bomen, grote rotsen en wild stromende beekjes.
Vermoeid en wanhopig ging ik tegen de schemering op een boomstronk zitten, mijn hoofd in mijn handen. Wat had ik mezelf op de hals gehaald? Hoe kon ik zo stom zijn geweest? Ik zou er alles voor hebben gegeven om op dat moment de stem van Jack te kunnen horen, al was het maar om mij te berispen voor het feit dat ik zijn bevelen genegeerd had. Zouden ze al zonder mij vertrokken zijn? Ik wist dat een van de regels gold dat iedereen die achterbleef ook daadwerkelijk achtergelaten werd.
Hoe donkerder het werd, hoe angstiger ik werd. Ik zou sterven, daar op die boomstronk. Uitgehongerd en uitgedroogd, helemaal alleen. Ik zou niet naar de hemel gaan, maar naar de hel. Ik had niet geluisterd naar goed bedoelde bevelen en daar zou ik voor moeten boeten. Ik stelde me de stem van de duivel al voor die mijn naam riep: "Eliza! Eliza dear!"
Wacht… dat was de duivel niet… dat was Jack! Dolgelukkig sprong ik op en begon te roepen: "Jack! Jack! Hier ben ik!". In mijn enthousiasme sprong ik bovenop de boomstronk waar ik eerder op had zitten kniezen.
Tot mijn
grote schrik bleek dat de boomstronk door en door rot was, met een
luid gekraak bezweek het logge stuk hout onder mijn gewicht. Hoe diep
ik viel weet ik niet, maar blijkbaar was er een schuilkelder onder de
boomstronk. Want toen ik mijn ogen opendeed lag ik in een diep gat,
het enige licht dat ik zag kwam van hoog bovenaf.
Vaag in de verte
kon ik Jack in paniek mijn naam horen roepen, hij had de schrik van
zijn leven gehad toen hij mij naar beneden zag storten.
Na een
poosje zag ik zijn silhouet in de opening verschijnen: "Eliza,
alles goed? Een momentje luv, we halen je er zo uit… Erh… just…
don't go anywhere."
Alsof ik op dat moment in staat zou zijn
geweest om op te staan en weg te wandelen, alles deed zeer. Na een
poosje begonnen mijn ogen aan de duisternis te wennen en ik kon om me
heen kijken. Ik draaide mijn hoofd naar links en keek recht in de
lege oogkassen van een schedel. Ik heb nog nooit eerder zo hard
gegild, maar ik was ook nog niet zo erg geschrokken als toen. De pijn
was voor een momentje vergeten terwijl ik zo snel mogelijk naar de
uiterste hoek van het hol krabbelde.
Jack, gealarmeerd door mijn gil, kwam op dat moment ook de kuil in. Hij had een touw bij zich om ons er weer uit te halen. Half hysterisch van uitputting en schrik sloeg ik snikkend mijn armen om zijn hals, hem pas weer loslatend toen ik veilig en wel weer boven was bij de rest van de bemanning.
Jack ging nog een keer naar beneden, om te zien wat voor persoon daar beneden lag. Even bleef het stil, maar daarna kon ik Jack horen grinniken. Gerinkel van gouden munten weerklonk vanuit de diepte en even later kwam Jack weer boven. Hij had de hand van een skelet in zijn ene hand en hij haalde met zijn andere hand een buidel met goud uit zijn binnenzak.
Hij grijnsde al zijn tanden bloot en zei tegen Gibbs: "Ik zei toch dat er een schat zou zijn mate?"
Meer woorden maakte hij er niet aan vuil, hij gaf het bevel aan de mannen om de rest van de schat naar boven te halen. Peinzend keek hij even naar de beenderen in zijn hand, bijna alsof hij de mogelijkheid overwoog dat er eventueel toch een vloek zou zijn. Maar daarna haalde hij nonchalant zijn schouders op en gooide de arm achter zich in de bosjes.
Zonder al te veel poespas pakte hij mij daarna op en gooide me over zijn schouder, alsof ik niks anders was dan een zak meel. Ondanks al mijn protesten, dreigementen en geschreeuw zette hij me pas op de Black Pearl weer neer. Daar sloot hij mij in mijn eigen kamer op, om na te denken over de stommiteit die ik begaan had.
Later die avond liet hij me weer gaan en we gingen samen eten. Ik at alsof ik in maanden niet gegeten had, zo uitgehongerd was ik. Toen we klaar waren keek ik hem beschaamd aan en bood mijn verontschuldigingen aan. Jack zei niks en keek me alleen maar aan terwijl hij een slok van zijn rum nam. Daarna pakte hij een gouden muntstuk uit zijn broekzak en speelde er een beetje mee in het kaarslicht. Het goud glom verleidelijk in het zwakke licht, maar Jack keek alleen maar naar mij. Langzaam begon hij te glimlachen, zijn gouden tanden blonken me toe: "Excuses aanvaard love, dankzij jou hebben we er weer een paar mooie glimmers bij."
Nu keek ik hem aan, mijn wenkbrauwen opgetrokken, wachtend op de preek die zeker nog komen zou. Jack stond op en liep om de tafel heen. Voor mijn stoel bleef hij staan en pakte mijn hand. Nog steeds glimlachend bracht hij mijn hand naar zijn lippen en fluisterde voor hij er een zachte zoen op gaf: "Maar doe me een plezier Eliza, volgende keer als je weer op jacht gaat naar goud… zorg er dan voor dat je een twee meter lang touw bij je hebt."
