Disclaimer: Niet van mij.. niks niet. Alleen Eliza.

Hoofdstuk 10: Vaarwel Jack.

Port Royal, de haven waar ik mijn broers kon vinden. De haven waarvandaan ik naar huis zou zeilen, terug naar Holland. De haven waar ik de Black Pearl voorgoed zou verlaten, waar ik Jack voor het laatst zou zien.

Jack had me de afgelopen paar dagen genegeerd, hij probeerde me zoveel mogelijk te ontwijken. Zelf had ik daar weinig moeite mee, na die rampzalige nacht durfde ik hem nauwelijks meer onder ogen te komen.

Met lede ogen zag ik het vasteland dichterbij komen, de gebouwen en mensen aan de kade begonnen steeds duidelijkere vormen aan te nemen. Het was riskant wat we deden, onder de Britse vlag Port Royal binnenvaren. Maar Jack was ervan overtuigd dat we niet herkend zouden worden, zolang we de witte zeilen en de Britse vlag voerden.

Behendig en snel werd het schip aangemeerd aan de kade en niet lang daarna was het tijd voor mij om afscheid te nemen. Met de nodige tranen en gelukwensen van de bemanning ging ik aan land, zonder Jack vaarwel te zeggen. Hij was niet meer op het schip, hij was aan land gegaan nog voordat het schip goed en wel stil lag. Proviand inkopen, vertelde Mr Gibbs me.

Heel eventjes bleef ik bedroefd naar The Black Pearl staren, herinneringen oproepen van de afgelopen paar maanden. Maar ik kon zo niet blijven mijmeren, mijn leven als piraat was op dit moment een afgesloten hoofdstuk. Een herinnering, meer niet. Met mijn kin in de lucht en rechte schouders draaide ik me om en liep weg van de haven, de smalle straatjes in.

Marty had me het adres gegeven van een respectabele herberg, en na heel even zoeken had ik deze dan toch eindelijk gevonden. The Black Crow. Toepasselijke naam. Binnen hing een prettige sfeer, oude zeelui zaten bij elkaar bier te drinken en serveersters liepen af en aan met schotels brood en vlees. Wat een verschil met de eerste keer dat ik een kroeg binnenstrompelde, op zoek naar hulp. De herbergier glimlachte me vriendelijk toe: "Ah, goedemorgen Miss, wat kan ik voor u doen? Iets te eten, drinken, een kamer misschien?"

Een beetje verlegen keek ik naar hem omhoog, en legde een goudstuk op de bar: "Een kamer alstublieft. Ik weet niet hoe lang ik zal blijven, maar ik betaal u alvast vooruit voor drie nachten. Inclusief maaltijden."
De kamer die ik toegewezen kreeg was klein, maar acceptabel. Een eenpersoonsbed met schone lakens stond in de rechterhoek en in de linkerhoek stond een bureau, vlak naast het raam waar de zonnestralen van de warme tropische zon door binnen vielen.

Met een zucht liet ik me op het bed vallen, peinzend over de volgende stap die ik zou maken. Mijn broers. Hoe moest ik ze vinden. De snelste manier zou zijn om het gewoon na te vragen bij de mariniers. En als zij het niet wisten, dan zat er niks anders op dan elke kroeg en elke herberg na te lopen. Mocht dat niet werken... dan moest ik iets anders verzinnen. Maar daar wilde ik op dat moment liever niet aan denken. Zo al mijn opties overdenkend viel ik uiteindelijk in slaap.

Het was een rustloze slaap, vol vreemde dromen en nachtmerries. Maar één ding hadden ze gemeen, ze gingen allemaal over Jack. Zijn gezicht domineerde mijn slaap die nacht.
Toen ik wakker werd voelde me gedesoriënteerd, waarom bewoog het schip niet? Waarom was het zo stil? Het duurde even voordat tot me doordrong dat ik niet meer op het schip was en dat mijn bed inderdaad zo stil hoorde te staan.

Na een vlug, maar stevig, ontbijt vertrok ik naar het fort. Bijna was ik daar gearriveerd toen ik plots omver werd gelopen door een soldaat. Beduusd door de schrik en de val kon ik even niks uitbrengen. De soldaat sprong snel weer op zijn voeten en bood me zijn hand aan terwijl zijn collega's ons voorbij renden, blijkbaar in achtervolging: "Excuseert u mij, heeft u zich bezeerd?"

Verbaasd keek ik op in een jong gezicht, blauwe ogen, blond haar dat wild en slordig onder zijn hoed vandaan piekte. Ik pakte zijn hand en hij trok me moeiteloos overeind. Heel even bleef ik hem aan staan staren, waarschijnlijk met mijn mond open: "Jacob? Ben jij het?"
De jongen keek me verbaasd aan, een spiegeling van mijn eigen gezicht: "Hoe weet jij dat? Wie ben je? Waar ken je mij van?"

Snel zette ik mijn hoed af en trok de spelden uit mijn haar zodat mijn zorgvuldig opgestoken krullen los over mijn rug hingen. Jacob staarde terug, zijn ogen groot van schok, verbazing en ongeloof: "Eliza? Dat kan niet waar zijn... ze hebben ons verteld dat je dood was. Verdronken." We werden onderbroken door nog een groep soldaten die ons voorbij kwamen rennen. Jacob pakte mijn arm en nam me mee: "Kom, we kunnen hier niet blijven staan. Ga mee naar het fort, daar kun je me alles uitleggen. Gijs zal daar ook wel zijn.

Ze waren allebei nog in orde. Ik kan het gevoel van blijdschap dat ik toen voelde nauwelijks omschrijven. Eenmaal in het fort was Gijs snel gevonden en we hebben heel lang in een kamertje zitten praten. Ik heb verteld wat er gebeurd was met de anderen, ik vertelde dat ik was ontvoerd door piraten en ik vertelde dat diezelfde piraten genade hadden getoond en me hier in Port Royal weer hadden laten gaan. Met geen woord repte ik over Jack of mijn eigen aandeel in de misdaden die we hadden begaan. Wel sprak ik mijn vrees uit over Commodore Norrington, dat hij misschien wel eens zou kunnen denken dat ik met die piraten samenwerkte.

Gijs schudde meewarig zijn hoofd: "Ik denk niet dat je bang voor hem moet zijn, Liza, hij heeft een paar maanden geleden zijn functie als Commodore neergelegd." Jacob legde zijn grote hand over mijn eigen samengevouwen handen heen: "Eliza, je zegt dat je terug wilt naar Holland. Maar kun je hier niet blijven? Er zijn genoeg mannen die naar je hand zullen dingen, bouw hier je eigen toekomst op. Blijf bij ons."

Blijven? In Port Royal? Daardoor werd de kans dat ik Jack nog eens zou zien wel groter. Heel even twijfelde ik nog. Maar na aandringen van mijn broers besloot ik toch in Port Royal te blijven.

En ze hadden gelijk. Twee jaar na mijn vertrek van The Black Pearl was ik verloofd met een Luitenant van de Britse marine. William Grey, jouw grootvader. Ik was verliefd, maar ik was Jack nooit vergeten. Alle verhalen over hem volgde ik gretig. Maar na het bijzonder vreemde en ongeloofwaardige verhaal dat Jack opgegeten zou zijn door een zeemonster, was het al tijden stil. Ik had de hoop opgegeven hem ooit nog terug te zien.

Tot die ene mooie zomerdag, ongeveer een maand na mijn huwelijk met William. Ik was op bezoek bij Jacob, ik had iets voor ze meegenomen, een cake geloof ik. We waren gezellig aan het bijpraten toen er opeens veel lawaai van buiten kwam. Een groepje soldaten hadden een piraat gevangen genomen en sleepten deze mee naar de gevangenis. Omstanders schreeuwden en joelden dat de piraat direct terecht gesteld moest worden zodat hij geen gevaar meer kon zijn voor de samenleving.

Een half uurtje later stond Jacob op, een ondeugende glinstering in zijn ogen: "Eliza, kom. Ik zal je de cellen eens laten zien. Wie weet zit er wel een oude vriend van je." De laatste opmerking ging gepaard met een vrolijke knipoog, waardoor hij liet merken dat hij het zo kwaad niet bedoelde. Lachend en protesterend liet ik me meeslepen naar het cellenblok, onderin het fort. De meeste cellen waren leeg, op een paar kruimeldieven na. De Britten hadden de touwtjes strak in handen en ze hadden piraterij bijna onmogelijk gemaakt.

Tot we bij de laatste cel kwamen. In die laatste cel lag een man vredig te slapen, zijn hoed tot over zijn ogen naar beneden getrokken. Het leek alsof hij in een herberg lag in plaats van een cel. Een rode sjaal was nog maar net zichtbaar boven een enorme bos zwart haar waar allerlei muntjes, kralen en botjes in verweven zaten. Aan zijn vingers zaten prachtige gouden ringen, bezet met smaragden en robijnen. En iets verder omhoog op zijn arm, prijkte trots de afbeelding van een musje. Of een Sparrow.. zoals de Engelsen dat zeggen.

Geschokt bleef ik staan, mijn ogen groot van schrik en verbazing. Jacob draaide zich naar me om: "Wat is er Eliza? Zie je iemand die je kent?"
Beduusd knikte ik, niet in staat om een woord uit te brengen. Daar lag Jack. Gevangen. Jacob keek naar Jack en zonder een woord te zeggen pakte hij mijn arm en trok me weer mee naar boven.
Boven keek hij me diep in mijn ogen, terwijl ik wanhopig probeerde de tranen terug te dringen: "Wie is hij Liza? Wat heeft hij gedaan?"
Ik glimlachte waterig: "Hij? Hij heeft niks gedaan. Ik ben degene die hem wat heeft aangedaan. Het enige waar ik hem van kan beschuldigen is het stelen van mijn hart."

Jacob zei niks meer en liet me los. Beverig liet ik me vallen op een stoel, terwijl Jacob me nadenken aan bleef kijken. Opeens haalde hij een sleutel uit zijn jaszak: "Vanavond. Ik zorg ervoor dat jullie ongeveer 3 uur de tijd en de privacy hebben. Bespreek wat je moet bespreken."
Ik wist absoluut niet wat ik moest zeggen toen hij de sleutel in mijn hand drukte en me vervolgens het fort uitloodste. Hevig verward liep ik richting mijn huis, waar William op me zat te wachten. Jacob riep mijn naam nog even en toen ik me omdraaide drukte hij me op het hart: "Eliza, doe geen domme dingen, ok? En met dom bedoel ik onder andere je nogmaals laten gijzelen zodat hij weg kan komen. En onthoud... je bent nu getrouwd met William."

's Avonds ben ik teruggegaan naar het fort. Jacob had de wacht en de rest van de cellen waren nu helemaal leeg.
"Drie uur, zusje. Drie uur. Niet meer." fluisterde hij me toe.

Met kloppend hart liep ik naar de cel van Jack, waar hij nog net zo vredig lag te slapen als eerder die dag. Daar drukte ik mijn verhitte hoofd tegen de koele spijlen van de deur: "Captain Jack Sparrow... hoe ben je toch in deze puinhoop verzeilt geraakt?" fluisterde ik.

"Heel erg simpel love, Mr. Blake was mijn gezicht nog niet vergeten. En ik liep hem toevallig in een pub tegen het lijf, zonder een van mijn bemanningsleden in de buurt." antwoordde hij opeens vanonder zijn hoed.

Van schrik deinsde ik achteruit, bijna de sleutel loslatend die ik in mijn hand geklemd had: "Ik.. ik dacht dat je sliep." Jack kwam overeind, een gouden grijns op zijn gezicht: "Ah, een man bespioneren terwijl hij slaapt eh? Niet echt gedrag dat je van een dame kunt verwachten."
Ik glimlachte hem toe: "Jack Sparrow in de cel. Ook niet echt iets wat ik had verwacht."
Hij stond op en liep naar de celdeur: "Ik had ook niet verwacht dat je echt weg zou gaan, Eliza. En ook dat is iets dat toch gebeurde."
Ik slikte een brok in mijn keel weg en liet hem de sleutel zien: "Jacob heeft ons drie uur gegeven Jack. Dat zijn drie uur waarin je kunt ontsnappen. Ik zeg wel dat je me overmeesterd hebt. Jacob weet het niet, maar... ik heb een sterk bedwelmend middel in zijn drinken gedaan. Dat geeft jou de kans om.."

Jack had zijn armen door de tralies heengestoken en legde zijn vingers op mijn lippen om mij het zwijgen op te leggen: "Sht. Nee. Ze zullen door je plannetje heen kijken, love. Dan ben ik weg en jij zult worden berecht vanwege het helpen ontsnappen van een piraat. Ik heb het al eerder zien gebeuren. Weet je wat de straf daarvoor is?"
Ik knikte. Ik was immers getrouwd met een marinier: "De dood. Door ophanging." fluisterde ik, mijn stem dik van tranen.
"Inderdaad. De dood. En ik wil dat niet op mijn geweten hebben."

Zo bleven we een poosje staan, ik met mijn handen om de spijlen geklemd en hij met zijn vingers mijn haar strelend. "En nu?" vroeg ik.
Jack grijnsde zijn gouden glimlach: "Very simple love,ik wacht hier rustig af tot mijn bemanning me komt redden. Wees maar niet ongerust" En ik geloofde hem. Ik was gerustgesteld.

Speels trok Jack aan een van mijn krullen: "Weet je? Je kunt daar niet zo blijven staan, waarom kom je niet binnen? Dan kun je fatsoenlijk zitten en kunnen we een beetje bijpraten.
Ik deed de deur open met de sleutel en stapte naar binnen. Veel ruimte was er niet, maar op het bankje was ruimte genoeg voor twee personen. Twijfelend ging ik naast Jack zitten, zenuwachtig op mijn lip kauwend. Het was zo lang geleden dat ik hem gezien had, zo lang sinds ik met hem had kunnen praten.

Opeens kon ik er niet meer tegen, ik barstte in tranen uit en sloeg mijn armen om zijn hals. Wat ik precies gezegd heb weet ik niet meer, ik was hysterisch en kon niet meer op houden met huilen. Jack troostte me zo goed als hij kon, een beetje ongemakkelijk mijn rug aaiend en lieve woordjes spreken. Eindelijk was ik weer wat bijgekomen en opeens besefte ik dat ik met rode ogen en kletsnatte wangen in zijn armen lag. Beschaamd keek ik naar hem op, alleen maar om hem glimlachend terug te zien kijken: "Zie je nou wel love? Je hebt het piratenbloed in je. Je mist het. Ik had het je voorspeld."

Terwijl ik in zijn bruine ogen keek, flapte ik er opeens iets uit: "Jack, ik hou van je. Ik weet dat jij niet hetzelfde voelt, maar ik.." Zonder enige waarschuwing vooraf werd ik onderbroken door Jack, door een zoen van Jack om precies te zijn. Het was net zoals mijn eerste zoen en nog meer. Hij duurde langer, was intenser en dit keer werd hij niet plotseling onderbroken door twijfels en spijt. Eindelijk liet Jack me gaan, een duistere blik in zijn ogen. Voor een paar secondes zat ik daar nog een beetje na te genieten, ik liet mijn vingertoppen over mijn lippen glijden alsof ik daar de zoen nog kon voelen: "Ik dacht dat jij niet hetzelfde voor mij voelde?" vroeg ik hem even later.

Jack grijnsde vreugdeloos: "Pirate" Daarna nam hij me weer in zijn armen. Ik zal je de details besparen, maar de drie uurtjes die we hadden was bij lange na niet genoeg. Bij mijn vertrek gaf Jack me een medaillon, eentje die hij altijd bij zich droeg: "Just so you will always remember dear old Jack." "Ik zal je nooit vergeten Jack, zelfs niet als ik zou willen." Een laatste zoen nog, en toen was het tijd om te gaan.

De dag erna was zijn executie. William en ik zijn er samen heengegaan. Het was vreemd, maar ik had geen spijt van wat ik had gedaan. Ook was ik ervan overtuigd dat Jack hier levend uit zou komen.

Het was een zonnige dag, geen wolkje aan de lucht. Een enorme menigte stond rond het schavot, en Jack zag er klein en eenzaam uit. Ik bleef om me heen kijken, op zoek naar een glimp van de bemanning van de Pearl. Tot ik Jack naar mij zag kijken, een sombere blik in zijn ogen. Toen snapte ik het pas; hij had tegen me gelogen. Niemand zou hem komen redden. Dit was voor hem het einde. Een seconde later was het voorbij. De drums stopten en het luik vloog open.

Het einde was snel. Hij was op slag dood. Nek gebroken, vertelde William me later. Stil en levenloos hing Jack daar, zachtjes wiegend op de zeewind.

Ruim anderhalf uur hebben William en ik daar gestaan, stille tranen baanden hun weg over mijn wangen. Pas na anderhalf uur wist William me ervan te overtuigen dat er niemand voor hem zou komen, hij was echt dood. Samen hebben wij zijn begrafenis geregeld, ik kon het niet verdragen dat hij voor de havens van Port Royal zou worden gehangen zoals de meeste andere piraten.

Jack heeft een waar zeemansgraf gekregen. Als een echte piraat.

Negen maanden later beviel ik van je moeder. Een gezonde meid met bruine ogen en zwart haar. De dochter van Captain Jack Sparrow.

Een na laatste hoofdstuk.. bijna klaar dus ;)