Hoofdstuk 2
Marcel schrok wakker uit een droom over een kas met reusachtige, pratende planten die hem allemaal vragen wilden stellen over de onthoofding van Nagini, hem Verzetsstrijder noemden en zelfschrijvende pennen vasthielden met hun gebladerde zijtakjes. Een van de planten uitte een schril klinkend, angstig gepiep. Het duurde even voor hij besefte dat het geluid niet uit zijn droom afkomstig was.
Een gefrustreerd gegrom van de andere kant van de slaapzaal hielp: 'Marcel! Stop dat verrekte gepiep! Ben je erop gaan liggen of zo?'
Dat hielp hem in één keer bij die enge planten vandaan. Geschrokken schoot hij overeind. Oh Merlijn, ik ben toch niet echt op haar gaan liggen? Tot zijn opluchting zag hij de muis op zijn hoofdkussen zitten. Ze trilde een beetje, maar was opgehouden met piepen en staarde hem met haar donkere oogjes strak aan.
'Hé meiske,' zei hij geruststellend, 'kom maar, het is al goed.'
Hij strekte zijn arm met zijn handpalm omhoog, maar ze deed geen poging om dichterbij te komen.
'Willen jullie zeggen dat onze Marcel de eerste is die dit jaar een meisje in zijn bed heeft?' klonk het gedempt vanachter Simons gordijnen. Van Rons kant hoorde hij zacht gesnurk, maar Daan en Harry grinnikten zachtjes.
'Jaloers dat jij geen slang hebt gedood, Simon?' plaagde Daan. Marcel rolde zijn ogen; was het niet veel te vroeg om alweer te beginnen?
'Natuurlijk,' klonk het in het Ierse accent, 'het is altijd mijn wens geweest om een meisje te hebben met meer gezichtsbeharing dan borsten!'
Terwijl de andere drie jongens in lachen uitbarstten, probeerde Marcel behoedzaam het muisje over haar ruggetje te aaien, maar ze krabbelde snel achteruit, buiten het bereik van zijn vingers.
Hij trok berustend zijn hand terug en zei over zijn schouder: 'Vergeet de staart niet, Simon.' Het geschater dat volgde, wekte Ron die knorrig wat onbegrijpelijke woorden mompelde. Terwijl de slaapzaal tot leven kwam, besloot Marcel om zich te gaan aankleden. Hij had de vorige avond met behulp van Hermeliens dupliceerspreuk een stapel pamfletten gemaakt, met daarin de vraag of iemand zijn huisdier was kwijtgeraakt. Hij wilde ze voor het ontbijt over de verschillende mededelingenborden in het kasteel verspreiden.
Het duurde even voor Patty's hartslag rustiger was geworden. Ze ontweek de uitgestrekte hand van Lubbermans en luisterde verbaasd naar de interactie tussen de Griffoendors.
De leeuwen in hun eigen territorium, dacht ze enigszins spottend. De opmerkingen over en weer misten elk kwaadwillend gevoel. Er was geen venijn, geen intentie om elkaar te kwetsen. Ze snoof. Watjes! Heel even flitste de gedachte door haar heen dat het prettig moest zijn om niet altijd in je eigen afdeling op je hoede te hoeven zijn, maar ze schoof die verraderlijke gedachte snel opzij.
Vanaf het rode kussen bekeek ze de achtstejaars. Lubbermans liep met zijn toiletspullen naar één van de twee deuren. Potter en Wemel zaten op de rand van hun bed te praten. Tomas rommelde in zijn hutkoffer en kwam tevoorschijn met een schetsboek en potlood. Half gevleid sloeg ze hem gade toen hij een stoel naast het bed van Lubbermans zette en met een geconcentreerde blik begon te tekenen. De Ier – ze vergat zijn naam altijd – lag languit op bed en floot een vals deuntje.
Patty bleef gewillig zitten want zelfs als muis was ze ijdel genoeg om het onderwerp van zo veel aandacht te willen zijn. Mocht Tomas haar geen recht doen dan zou ze vannacht het schetsboek kapot knagen. Als ze hier dan nog was natuurlijk. Ondertussen was dit een uitgelezen gelegenheid om de Griffoendors te observeren nu ze zich onder elkaar waanden. Wie weet wat voor interessante nieuwtjes ze op kon vangen. Jammer dat de hemelbedden van Potter en Wemel niet naast dat van Lubbermans stonden.
Ze keek om toen ze een beweging hoorde in het bed naast haar; de Ier – van wie ze zich nu herinnerde dat hij Simon genoemd werd – was opgestaan en liep naar het hoofdeinde van Lubbermans bed. Ze bleef aarzelend zitten en wachtte gespannen af.
'Hé, klein muisje,' zei hij op zangerige toon. Hij ging verder tegen Tomas: 'Zou het een mannetje of een vrouwtje zijn?' Tegelijkertijd stak hij zijn hand uit.
O nee, niet nog eens, hé? dacht ze en beet letterlijk en figuurlijk van zich af. Ze kon nog net voorkomen dat ze weggeslingerd werd toen Simon abrupt zijn hand wegtrok.
'Au, rotbeest,' gilde hij en stopte zijn bloedende duim in zijn mond. Patty hoorde Wemel hysterisch lachen terwijl Tomas zijn vriend een vermanende blik gaf en zei dat het zijn eigen schuld was.
Patty zelf zat als bevroren, de halve luchtsprong al vergeten bij de realisatie dat ze net de duim van een Griffoendor in haar mond had gehad. Machtige Morgana! Halfbloedbacteriën! Hoe moet ik in Zalazars naam aan een antigif komen? Bij het idee dat ze misschien ook wel bloed binnen had gekregen, begon ze in paniek te piepen.
Te midden van al dat tumult werd de badkamerdeur opengegooid en stapte Lubbermans de slaapzaal in. Hij had enkel een handdoek omgeslagen en waterdruppels rolden vanuit zijn natte haren over zijn borstkas naar beneden. Patty merkte dat Lubbermans' ogen direct naar het bed schoten, en zijn opgeluchte gezicht toen hij haar zag zitten.
'Wat is er hier aan de hand?' In zijn stem was verbazing en bezorgdheid te horen.
'Wat er is?' riep Simon gelijk verontwaardigd. 'Die rotmuis van je, dat is er!'
Tomas probeerde Lubbermans uit te leggen wat er gebeurde, terwijl Wemel opnieuw begon te lachen. Vervelende kerel!
Toen hij de grote lijnen had meegekregen, liep Lubbermans naar het bed en hurkte bij het hoofdeinde. Zijn bezorgde ogen keken haar van dichtbij aan alsof ze haar scanden op botbreuken of andere verwondingen. Hoewel ze het verwachtte, probeerde hij haar niet aan te raken. In plaats daarvan zei hij zachtjes: 'Dat zal niet meer gebeuren hoor, meiske.'
Toen richtte hij zich in zijn volle lengte op, keek zijn vrienden één voor één aan en deelde mee: 'Niemand, maar dan ook niemand, raakt haar nog met één vinger aan! Duidelijk?' Hij klonk kalm, maar er zat een gevaarlijke ondertoon in zijn stem. De Griffoendors leken net zo onder de indruk als Patty was; ze knikten zwijgend en hoewel Simon eruit zag alsof hij nog wat wilde tegenwerpen, slikte hij na een por van Tomas zijn woorden snel in.
Indrukwekkend, dacht ze en herinnerde zich hoe Lubbermans voor de Heer van het Duister had gestaan, weigerend zich over te geven ook al leek te strijd gestreden.
Een stomme Griffoendor, had ze gedacht. Dacht ze nog steeds! Humeurig draaide ze zich op het kussen om en krulde haar staart om zich heen, vastbesloten de Griffoendors voor de rest van de dag te negeren.
Op zondagmorgen was Marcel degene die als eerste wakker werd. Lange snorharen streken langs zijn neus en zijn wang was warm van het zachte hoopje 'bont' dat er tegenaan gekruld lag. Het kistje met stro stond onaangeroerd naast het kussen. Hij glimlachte. Hoewel ze overdag schuw was en absoluut niet bij zijn hand in de buurt wilde komen, voelde ze zich 's nachts wel veilig bij hem. Of warmer.
Zijn neus begon te kriebelen. Voorzichtig draaide hij zijn gezicht weg. Ze bewoog een beetje, maar nestelde zich toen in het warme kuiltje dat zijn hoofd in het kussen achterliet. Na een snelle douche en een nog sneller ontbijt haastte hij zich weer terug naar de slaapzaal. Hij negeerde de plagende opmerkingen van zijn vrienden, ongerust over zijn nieuwe ... zijn nieuwe wat eigenlijk?
Op de posters die hij gisteren had opgehangen had niemand gereageerd, maar het was nog te vroeg om haar zijn nieuwe huisdier te noemen. Want er bestond geen twijfel aan dat hij haar zou houden, mocht de eigenaar zich niet melden. Tot zijn opluchting lag ze nog steeds opgekruld op hetzelfde plekje te slapen.
Zachtjes stopte hij wat spullen, waaronder het kistje, in zijn rugzak en schepte toen behoedzaam de muis in zijn handen, bedacht op een sprong uit paniek. Tussen zijn vingers door zag hij hoe ze slaperig met haar oogjes knipperde. Hij durfde haar niet in één van zijn zakken te vervoeren dus hield hij haar met één hand tegen de voorkant van zijn wintermantel en hield met de andere zijn toverstok vast, rugzak om zijn schouders. Door de gangen van het slaperige kasteel liep hij naar de grote, eiken deuren in de Grote Hal. Hij moest hoognodig verder werken aan zijn project voor Kruidenkunde en durfde het kleine diertje niet de hele dag in de toren achter te laten. Hij was niet bang dat zijn zaalgenoten zijn waarschuwing in de wind zouden slaan, meer dat het muisje op onderzoek zou gaan en wat zou overkomen.
Bewapend met extra broodjes die hij van de ontbijttafel had meegenomen, zijn boeken, zijn dikke trui en de benodigdheden die hij nodig had voor het kleine diertje, hoopte hij een groot gedeelte van de dag in Kas 3 te kunnen werken.
