Hoofdstuk 3
Patty keek toe hoe Lubbermans met doelgerichte precisie de zaden van een Fladderbladstruik verwijderde en in een schaaltje verzamelde. Ze weigerde nog steeds als één of ander beest in het stro te gaan zitten dus had Lubbermans zijn trui uitgetrokken, een verwarmende spreuk over zijn overhemd uitgesproken en de trui als een nestje naast haar neergelegd.
Het had nog een uur geduurd voordat ze haar trots opzij had gezet en op de zachte wol was gekropen. Hij had gegrinnikt toen ze eindelijk toegegeven had. Een moment had ze overwogen de crèmekleurige wol te bevuilen, maar de gedachte dat hij ooit zou kunnen ontdekken wie ze was, had dat tegengehouden. In ieder geval droeg Lubbermans vandaag geen Griffoendorkleuren.
De kas was overweldigend in haar kleine vorm. Ze had het altijd al beneden haar stand gevonden om met haar handen in de potgrond te moeten zitten. Op dit moment was het verblijf in de kas behalve een walgelijke, ook nog een angstaanjagende ervaring. De bloemen waren enorm; lange tentakels zwiepten af en toe over haar heen, maar bleven dankzij Lubbermans' spreuken net buiten haar bereik. De felle kleuren bezorgden haar een migraineaanval en dat was in deze gedaante geen pretje.
Het ergste waren de insecten en ander ongedierte. Kleine kevertjes hadden nu het formaat van babydraken en de libel die langs zweefde, herinnerde haar aan die afschuwelijke Hippogriefen.
Ze wierp een nijdige blik op Lubbermans omdat hij haar had overgeleverd aan de gevaren van de plantenkas, ondanks dat hij om de paar minuten een blik op haar wierp. Stiekem was ze blij dat hij haar niet een hele dag had achtergelaten in de slaapzaal, maar dat zou ze nooit toegeven. Dus piepte ze af en toe klagelijk en gniffelde als hij dan direct een bezorgde blik op haar wierp, de stomme Griffoendor.
Hij humde af en toe irritant en zat praktisch tot zijn ellebogen onder de aarde. Eén wang was besmeurd doordat hij een beestje weggeveegd had en zijn overhemd vertoonde donkere plekken bij zijn oksels omdat hij blijkbaar te onbekwaam was om een goede antitranspiratiespreuk te gebruiken. Walgelijk.
Ze rimpelde haar neus en zuchtte toen snorharen als ruitenwissers in haar gezicht zwiepten. Gelukkig had hij geen spreuk over haar uitgesproken al moest ze het nu wel met zijn trui doen. Ze moest toegeven dat hij zacht was, maar lekker rook hij niet. Absoluut niet!
Ze moest zijn weggedommeld – wat slapen muizen ongelooflijk veel! – want ze had gemist dat Lubbermans ervandoor was gegaan. Voor ze in paniek kon raken, hoorde ze hem echter neuriën en potten verplaatsen iets verderop in de kas.
Verveeld keek ze opzij om oog in oog te zitten met een reusachtige spin. Het monster was praktisch even groot als zijzelf en keek haar met glimmende, zwarte ogen aan. De kaken maakten een angstaanjagend geluid en hij leek elk moment de laatste centimeters te overbruggen die hen nu scheidden.
Ze piepte in doodsangst en krabbelde zo snel haar vier pootjes toelieten uit het holletje van de trui en sprong op de werkbank. Tot haar afschuw hoorde ze het getik van meerdere poten achter zich. Het leek wel of het beest tientallen poten had.
In paniek rende ze over de werkbank, maar kwam abrupt tot een halt bij de rand. Ze keek naar beneden in de duizelingwekkende diepte en wist zeker dat ze een sprong nooit zou overleven.
De spin – Acromantula was een beter woord in haar opinie – kwam nu in volle vaart op haar af. Wat mankeert dat beest? Hebben zijn ouders hem niet geleerd dat muizen niet in zijn voedselketen thuishoren?
In wanhoop keek ze om zich heen, ondertussen zo hard mogelijk piepend in de hoop dat die stomme Lubbermans haar hoorde. Zalazar, wat zal ik hem hard bijten als ik dit overleef.
Op dat moment kwam weer één van die vervaarlijk uitziende tentakels haar kant op zwaaien. Haar enige alternatief was de afgrond dus sprong ze met de moed der wanhoop en klemde haar pootjes krampachtig om de stengel heen. De plant leek die behandeling niet op prijs te stellen en begon met alle stengels te zwiepen zodat het leek alsof ze aan een miniatuurbeukwilg hing. Alleen was ze zelf ook mini, dus de verhoudingen ...
Ze gilde opnieuw toen ze rakelings langs de tafelrand vloog en kneep haar ogen stijf dicht, ondertussen schietgebedjes prevelend naar wie er ook maar wilde luisteren.
'Oh nee! Hou vol, meiske.'
Juist ja, Lubbermans dus. Waarom had hij niet kunnen luisteren voor ze het gevaar liep haar maaginhoud kwijt te raken, of als een bloedige massa van de muur te druipen. Oké, dat is wel erg luguber. Maar het leidde in ieder geval haar gedachten een paar tellen af.
Helaas verslapte daardoor ook haar greep op de stengel en werd ze weggekatapulteerd. Lubbermans schreeuwde, Patty gilde, maar de klap waar ze op rekende, bleef uit. In plaats daarvan landde ze tegen een stevige, maar flexibele muur aan die bekleed was met ... het overhemd van Lubbermans.
In een reflex zette ze haar nagels in de stof, wat de Griffoendor scherp deed inademen. Mooi, ik hoop dat het bloedt, dacht ze venijnig. Tot ze de stenen vloer onder zich zag. Gedachten aan wraak verdwenen acuut en ze wilde alleen nog maar dat hij haar weer mee terugnam naar zijn bed – slaapkamer, bedoelde ze!
Ze beefde van angst dat ze nogmaals te pletter zou slaan en wachtte tot hij haar zou vastpakken, en beschermend in zijn handen zou vasthouden.
Gek genoeg gebeurde dat niet en toen ze haar hoofdje omdraaide, ontdekte ze waarom. Hij hield zijn hand op zodat ze erop kon kruipen. Misschien was hij bang dat ze zou bijten als hij haar zou pakken. Haar trots was groot, maar haar gevoel voor zelfbehoud nog altijd groter, dus gaf ze hem een blik die moest waarschuwen geen adremme opmerkingen te maken en stapte zo nuffig als dat op vier trillende pootjes ging, voorzichtig op zijn hand. Ze hoorde hem zuchten van opluchting en voelde hoe zijn vingers zich ontspanden. Het gaf haar een vreemd gevoel, iets ontroerends. Geen gevoel waar ze veel ervaring mee had.
Voorzichtig, om haar zo min mogelijk te storen, trok hij zijn mantel aan, propte zijn trui en andere spullen in zijn tas en vertrok, terwijl ze veilig verborgen onder zijn vingers tegen zijn borstkas lag.
