Hoofdstuk 6
Gebogen over haar ontbijtbord, met haar steile, zwarte haren als een beschermend gordijntje voor haar gezicht, wachtte Patty op de naderende storm.
Het had wat geduld en sluwheid vereist, maar uiteindelijk had ze ongemerkt de toren van Griffoendor kunnen verlaten, en na vijf dagen had ze weer voor de muur gestaan die haar toegang gaf tot haar eigen afdeling. Gelukkig had niemand in de tussentijd het wachtwoord veranderd.
Het had als een kleine cultuurschok gevoeld om de leerlingenkamer binnen te stappen. Was het altijd zo kil en ongezellig geweest? Groen en zilver waren toch rustgevende kleuren, niet zo fel en schreeuwerig als dat bordeauxrood en goud dat ze helemaal niet miste. Echt niet. Een paar leerlingen hadden haar gegroet, maar niemand had gevraagd waar ze geweest was, of waarom ze een dag voor Kerst weer terug was. Twee vierdejaars treiterden een klein, bleek meisje.
'Hee,' riep Patty, 'schei daar eens mee uit!'
De jongens keken verbaasd op, maar verlieten mopperend de leerlingenkamer toen ze haar herkende. Het meisje keek haar aan alsof ze haar wilde omhelzen en Patty liep zo snel ze kon naar haar eigen slaapzaal, foeterend op zichzelf voor haar bizarre gedrag.
Ze was vroeg voor het ontbijt; het had haar beter geleken om niet in de Grote Zaal te arriveren als het grootste gedeelte van de leerlingenpopulatie aanwezig was. De vernedering zou des te groter zijn. Het handjevol leerlingen aan de andere afdelingstafels schonk haar geen aandacht, maar misschien had de roddel hen nog niet bereikt. De grootste vraag was hoe het verhaal opgepakt zou worden. Zou ze vooral belachelijk worden gemaakt en hele dagen 'gepiep' moeten horen als ze bij anderen in de buurt kwam? Of zou het serieuzer zijn en zou men het als een poging zien van een Zwadderaar die Potter al eerder 'bedreigde' en nu anoniem 'bij de vijand geïnfiltreerd' was? Ze had geen idee wat ze in haar minuscule gedaante voor dreiging had kunnen vormen, maar daar zou men vast wel ideeën over hebben.
Langzaam maar zeker stroomde de Grote Zaal vol. Hoewel ze geen enkele keer opgekeken had, en stilletjes probeerde om tegen heug en meug een paar stukken toast weg te werken, kon ze horen dat er een opgewonden sfeer hing. Het klonk eerder vrolijk dan kwaadaardig, maar ze durfde zich nog niet al te optimistisch te voelen.
Pas toen er een groepje vijfdejaars in de buurt kwam zitten dat druk kwetterde over feestgewaden en kapsels, realiseerde ze zich dat het al de dag van het Kerstbal was. Morgen was het Kerst en in plaats dat ze thuis was – ook al zou ze daar zonder gezelschap zijn geweest – zat ze nu hier te bibberen in de verwachting nog meer een paria te worden dan ze zich de afgelopen maanden op Zweinstein had gevoeld.
Een steelse blik door haar pony liet haar weten dat de tafel van Griffoendor zo goed als vol was, maar ze durfde niet te kijken of Mar– Lubbermans er al was.
Met wie zou hij naar het bal gaan? Ze vervloekte zichzelf om die vraag. Wie kon dat wat schelen tenslotte? Haar niet!
'Waar blijft de post toch?' mopperde Astoria even verderop op luide stem. 'Als mijn oorbellen niet gebracht worden, moet ik een andere jurk aan!'
'Nee!' zei een ander vol ontzetting.
Patty rolde met haar ogen, ook al was het iets wat zijzelf ook gezegd zou kunnen hebben.
'Als ik geen uitnodiging krijg, wil ik dood,' klonk het wanhopig aan de overkant van de tafel.
Op een uitnodiging hoefde Patty niet eens te rekenen. Ze begreep niet dat ze nog niet aan de schandpaal was genageld.
Een luid geklapper van vleugels kondigde de komst aan van de uilen. Patty voelde meer dan ze zag, hoe bijna iedereen rechtop schoot en vol verwachting omhoog keek, was het niet voor zichzelf dan wel voor een vriend of vriendin.
Opnieuw gluurde ze voorzichtig naar de overkant om Lubbermans te lokaliseren. Ze had net zijn postuur herkend – naar gezichten durfde ze niet te kijken – toen een kleine, karamelkleurige uil boven op haar toast landde. Ze keek het dier chagrijnig aan omdat hij zover uit de richting leek te zijn, maar hij maakte een opgewekt geluid en stak triomfantelijk zijn pootje naar voren, waaraan een rolletje perkament hing.
Ze aarzelde even – in ieder geval is het geen Brulbrief – en maakte het toen met trillende vingers los. Het uiltje nipte even aan haar vinger, hapte in de toast en vloog weg. Patty keek hem een beetje verdwaasd na.
'Van wie is het, Patty?' klonk het nieuwsgierig.
'Is het een uitnodiging?' vroeg een ander.
Dat betwijfelde ze. Haar hart klopte wild van de spanning, maar ze schokschouderde nonchalant alsof het vast niets belangrijks was. Op het moment dat ze het groene, fluwelen lint losgepeuterd had en het rolletje losser werd, rolde er iets zilverachtigs uit. Tot haar verbazing was het een lange, zilveren ketting, met fijne schakeltjes. Voorzichtig trok ze eraan en van tussen het perkament verscheen een hangertje.
Patty slaakte een kreetje bij het zien van het kleine, gladde, gepolijste, zwarte steentje. In het midden stond het runenteken Pertho. De veertiende rune die stond voor de letter P, maar ook voor vrouw en voor geheimen. Ze beet op haar onderlip. Het kon onmogelijk van hem zijn, toch? Maar ...
Ze sloeg haar ogen op. Voor het eerst die ochtend keek ze rechtstreeks naar de tafel van Griffoendor. Haar blik viel op Mar – Lubber – ach, stik, Marcel, die haar gespannen aankeek, bijna alsof hij verwachtte dat ze het betekenisvolle, delicate sieraad in een vlaag van woede door de zaal zou smijten. Wat natuurlijk een rare gedachte was.
Ze voelde hoe een warme blos opsteeg uit haar hals en zich over haar wangen verspreidde, maar het was onmogelijk om weg te kijken. Iemand stootte Marcel aan en hij zei iets, maar draaide zijn hoofd niet weg. Pas toen de nagels van de vingers die ze om het miniatuur runensteentje had geklemd pijnlijk in haar handpalm drongen, was ze in staat haar blik weg te trekken.
Ze keek naar de tafel, ketting in de ene hand, brief in de andere. Ze wilde geen van beide loslaten, maar kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. Het konden geen al te lelijke woorden zijn als hij een cadeautje bijsloot.
En wat voor een cadeautje, dacht ze terwijl ze bewonderend naar het perfecte miniatuurtje keek. Ze vroeg zich af waar hij het vandaan had, maar wist dat het niet uitmaakte omdat hijzelf degene was die het bedacht had.
Het zwarte steentje glom alsof het urenlang door een huis-elf was gepolijst. De ketting waaraan het steentje hing, was zo delicaat ontworpen, dat het bijna Koboldenwerk leek.
Onhandig bevestigde ze het kettinkje om haar nek. Het runensteentje viel precies boven de opening van haar blouse en leek warmte uit te stralen. Vol verwachting – maar ook enigszins nerveus – opende ze tenslotte het rolletje perkament.
'Hallo, meiske,'
Haar mondhoeken plooide zich in een glimlach en ze zat er niet eens mee dat ze waarschijnlijk op een zoetsappige Huffelpuf leek.
'Ik hoop dat je het niet erg vind dat ik je zo aanspreek, maar je achternaam klinkt zo onpersoonlijk voor iemand met wie ik vijf dagen heb doorgebracht –'
Ze kleurde nog heviger toen ze bedacht waar ze het grootste gedeelte van die tijd had doorgebracht.
'– en ik wilde me niet de vrijheid aanmeten om je bij je voornaam aan te spreken. Ouderwetse opvoeding, vrees ik.'
Ze herinnerde zich dat hij door zijn oma was opgevoed nadat zijn ouders in St. Holisto's beland waren. Voor het eerst voelde ze sympathie voor de Griffoendor, en schaamte voor alle keren dat ze hem met dat feit bespot had.
'Maar bovenal past het bij degene die ik nu steeds voor me zie als ik aan je denk.'
Haar hart maakte een sprongetje.
'Misschien zie jij het heel anders, en kijk je vol afschuw terug op de laatste dagen. Misschien wil je er het liefst niets meer over horen en nooit meer aan denken. Als dat zo is, wees dan gerust: van mij zal niemand iets horen.
Wel zou ik graag willen weten of je er verder niets meer aan over hebt gehouden, al snap ik het als je nooit meer een woord met me wilt wisselen.'
De oer-Griffoendor, dacht ze, maar de gedachte bevatte minder venijn dan gebruikelijk. Oh Zalazar, hij breekt mijn weerstand. De nieuwsgierigheid om door te lezen was echter te groot.
'Voor het geval je daar anders over denkt, zou ik je graag willen vragen of je me vanavond zou willen vergezellen naar het Kerstbal.'
Haar mond zakte onelegant open en ze keek geschokt naar de overkant. Hij keek haar nerveus aan. Hij wil met mij naar het bal? Met mij, een Zwadderaar, degene die zijn vriend een half jaar geleden wilde verraden?
Haar ogen schoten onbewust naar Potter en terug. Marcel glimlachte nu alsof hij haar gedachte begreep,alsof hij haar wilde geruststellen. Haar wereld leek plotseling op zijn kop te staan. Alles wat ze vroeger geleerd had, schreeuwde: 'Ben je gek? Het is een Griffoendor, een volger van Potter, een Strijder van Perkamentus. Hij is onhandig en stuntelig, een sukkel.'
Vijf dagen geleden zou dat afdoende zijn geweest. Maar de afgelopen dagen had ze geleerd dat hij dat was, een beetje, maar zoveel meer. Hij was loyaal, en wilde haar niet stiekem zien, maar haar meenemen naar het bal. Hij dwong respect af bij veel leerlingen en zijn onhandigheid was wel … vertederend.
Ze sloot haar ogen. Oh jee, ik heb het flink te pakken. Van Marcel Lubbermans. De Zwadderaars zouden haar massaal de rug toekeren. Oh wacht, dat doen ze al. Ze voelde hysterie opborrelen. De Slangenslachter en de Zwadderaar, samen naar het bal.
Het zal mijn aanzien in één klap verhogen, dacht ze met haar gebruikelijke sluwheid. Niemand zou haar iets maken, zelfs Potter zou zich inhouden, vermoedde ze.
Maar toen ze haar ogen opende en zijn kalme uitdrukking ontmoette, wist ze dat berekening niets met haar antwoord te maken zou hebben, maar alles met de persoon die ze de afgelopen dagen had leren kennen. En hoe vreemd het ook leek, blijkbaar wilde hij haar ook leren kennen.
De verraste uitdrukking toen ze spontaan naar hem lachte, bleef haar de rest van de middag bij.
