Weer een nieuw hoofdstuk! dankje Jade voor je review! =) zoals ik had beloofd heb ik vannacht het volgende hoofdstuk gepost. ik ben nu echt eerlijk waar kapot en vraag mezelf af waarom ik nog om HALF VIJF achter de pc zit :') maar goed... ik kon toch niet slapen.

Hopelijk vinden jullie het leuk!!


At least that was the hope. Hope, she'd learned, was sometimes all a person had.


Nadat Hermelien waar had genomen dat Fred nog leefde, had ze snel de anderen geroepen. Voor zij waren gearriveerd had Fred langzaam zijn ogen voor de helft geopend, zijn eens zo stralende blik was nu dof en terwijl ze zijn bebloede lippen zag bewegen, "Hermelien... ben jij dat? Wat zie jij er uit zeg..." de schorre woorden kwamen over zijn lippen en klonken zwak.

Ze keek hem aan, tranen vulden opnieuw haar ogen terwijl ze een verwoede poging deed te glimlachen en haar hand op zijn grauwe wang legde. Er waren al te veel mensen gestorven, Fred mocht niet ook nog eens sterven. Ze liet haar blik over zijn lichaam glijden, zijn kleren waren gescheurd en helemaal vuil en grauw van het bloed vermengd met stof. Haar blik gleed terug naar zijn gezicht en ze zag dat zijn ogen weer gesloten waren. Met een wat angstige uitdrukking op haar gezicht keek ze om zich heen, waar was iedereen? Waarom kwam er niemand? Hadden ze haar wel gehoord?

"Fred..." piepte ze benauwd, "laat me niet alleen, alsjeblieft..." op dat moment hoorde ze snelle voetstappen en kwamen er mensen aangehold. Ze durfde niet om te kijken, in de angst dat wanneer ze dat zou doen, Fred zijn laatste adem ongemerkt uit zou blazen. Dat mocht niet gebeuren. Vandaar dat zij met ingehouden adem moest toekijken hoe Fred zo snel mogelijk werd afgevoerd naar het St. Hollisto's.

Daar zou hij dagen, weken, zelfs maanden in coma liggen. In die tijd had Hermelien in het Nest gelogeerd, en ging zo vaak mogelijk mee naar het St. Hollisto's om Fred op te zoeken. Niemand wist of hij überhaupt ooit nog uit zijn coma zou ontwaken, en telkens bleef één en dezelfde vraag door ieders hoofd spoken: waarom was Fred nog in leven, terwijl hij eerst als dood waargenomen was?

Het was weer zo'n dag geweest, waarop ze samen met Harry, Ron, George en meneer Wemel naar het St. Hollisto's ging. Onderweg hadden ze besloten dat ze in groepjes van twee naar binnen zouden gaan, omdat het anders te druk zou worden. Vandaar dat, toen meneer Wemel en George op de vierde verdieping uitstapten, Harry, Ron en Hermelien doorgingen naar de vijfde verdieping.

Op de vijfde verdieping was het cafetaria, daar gingen ze aan een tafeltje zitten en Harry wilde net drie glazen pompoensap bestellen toen Hermelien zei: "ik hoef niets, dank je..."

Ron en Harry begonnen te discussiëren over Anderling's brief van die ochtend, waarin ze informatie stuurde over de gang van zaken op Zweinstein. Dat de school nog steeds niet helemaal herbouwd was, maar dat dat niet lang meer zou duren. En over het feit dat zij komend schooljaar weer terug zouden moeten komen om hun zevende jaar alsnog te doen.

"Net of ik zin heb om weer terug naar school te gaan," had Ron chagrijnig gemurmeld, "wat heb ik daar nog te zoeken?"

"Nou, jij gaat toch maar mooi dat laatste jaar volgen!" had mevrouw Wemel streng gezegd, terwijl ze Ron dreigend aankeek. Niemand kon tegen zo'n blik op, Ron ook niet. Vandaar dat hij haar niet tegensprak, en stilletjes zijn ontbijt verder op at.

Ron vroeg aan Harry wat hij ervan vond, om na dat alles toch weer terug naar Zweinstein te gaan. Maar Harry had geen duidelijke mening gehad. Ook hij had, net als Hermelien, dubbele gevoelens daarover. Zij had echter niet eens geantwoord, maar enkel afwezig voor zich uit gestaard. Opeens voelde ze zich misselijk, iets waar ze de laatste tijd wel vaker last van had gehad. "gaan jullie zo meteen maar eerst, dan wacht ik wel."

Ron en Harry keken naar haar op, alsof ze waren vergeten dat zij er ook nog was. Ron keek haar bedachtzaam aan en zei toen: "ben je mal, we gaan gewoon met z'n drieën."

"Maar je vader zei..." ze zweeg even toen ze Ron's vreemde blik zag, toen zei ze met enige tegenzin: "nou, goed. Dan gaan we met zijn drieën."

Ron ging weer verder met zeuren over school, toen opeens George en meneer Wemel naast hun tafeltje verschenen, "en?" vroeg hij hoopvol, maar meneer Wemel schudde zuchtend zijn hoofd, "niets, geen vooruitgang..." terwijl hij dat zei keek Hermelien naar George, hij zag bleek en had grote, blauwe kringen onder zijn ogen. Hij had het nauwelijks kunnen verkroppen dat zijn tweelingbroer al maanden daar lag, terwijl ze niets voor hem konden doen. En niet eens zeker wisten of ze hem nog wel ooit terug zouden krijgen.

Nu was het hun beurt om naar de vierde verdieping te gaan, de verdieping voor mensen met 'Spreukschade'. Had Fred wel spreukschade? Vroeg ze zich af toen ze voor de deur van zijn kamer stonden. Was het niet iets simpeler, iets meer Dreuzel-achtigs? Was het niet mogelijk dat hij gewoon door de muur die op hem neer was gekomen zo zwaar gewond was, dat hij in coma was geraakt?

Ze betraden de kamer en Harry en Ron gingen voor haar uit naar zijn bed, daar gingen ze vervolgens op een stoel zitten en keken naar Fred. In de loop van de tijd waren zij meer gewend aan het zien van Fred in de spierwitte kamer, terwijl zijn hoofd op een spierwit kussen rustte en afstak tegen zijn rode haar, dat inmiddels tot op zijn schouders kwam. Hermelien kon hier echter, net als George, maar niet aan wennen. Ze vond het vreselijk om Fred zo hulpeloos te zien liggen, hij was alles behalve degene die hij ooit geweest was, en ze durfde er niet aan te denken hoe hij zou zijn wanneer hij zou ontwaken. Of hij nog wel normaal kon praten, kon functioneren. Dat hij niet té erg beschadigd was. Ten minste... als hij nog ontwaakte. Het gaf haar een miserabel en tegelijkertijd gelukkig gevoel, ze konden hem ten minste nog bezoeken. Hem zien, aanraken. Ze konden nog altijd de hoop blijven koesteren dat hij er ooit weer bovenop zou komen, al was die kans nog zo klein.

Harry keek opeens naar haar op, hij wenkte haar en ze besefte dat ze nog altijd in de deuropening stond. Met langzame passen liep ze in de richting van het ziekbed en bleef staan terwijl ze meelevend een hand op Ron's schouder legde. Harry ving haar blik en gebaarde of zij wilde zitten, het was alsof ze niet durfden te praten in Fred's bijzijn. Omdat hij dat ook niet kon.

Hermelien schudde haar hoofd, hij kon gerust blijven zitten. Dat maakte haar niets uit. Haar blik gleed naar Fred's gezicht en minutenlang bleef ze staren, terwijl ze zijn gelaatstrekken in zich opnam. Opeens hoorde ze zichzelf zeggen: "weet je Fred, over één week gaan we terug naar Zweinstein. Harry, Ron en ik..." ze zweeg even en voelde hoe de jongens haar aanstaarden, maar ze bleef haar blik op Fred's gezicht gericht houden, "... dat is best wel raar, als je ziet wat er allemaal gebeurd is..." Ze had in een Dreuzel tijdschrift gelezen dat je het best tegen coma patiënten kunt praten, want wie weet horen ze je wel. Harry leek dit ook te begrijpen en vervolgde: "ja, raar om een jaar te beginnen zonder de hulpjes van Voldemort die staan te popelen om je in mootjes te hakken. Het zal wel saai worden zonder..." zijn stem stierf weg, alsof hij opeens niet meer wist wat hij wilde zeggen, of alsof hij het niet kón zeggen.

Ron keek hen aan alsof ze gek geworden waren, "denk maar niet dat hij opeens zal antwoorden," zei hij bruusk. Hermelien keek geschokt waarop hij antwoordde: "ik bedoel... we komen hier al maanden, hij heeft nog nooit enig tegen van leven vertoond. Ik betwijfel of hij ooit nog wakker wordt." zei hij somber, Hermelien kneep zonder het te merken in zijn schouder en antwoordde onthutst: "zeg dat niet waar hij bij is, wie weet hoort 'ie je."

Hij keek naar haar op, in zijn blik glommen tranen van woede en onmacht, "dit is voor het eerst dat ik je onzin hoor uitkramen Hermelien, waarom zou hij ons horen? Hij ligt daar maar een beetje te liggen, terwijl ma zichzelf iedere nacht in slaap huilt, George zich de hele dag in zijn kamer opsluit en geen woord meer zegt en Ginny niets meer eet. Waarom zeg je zoiets, Hermelien? 'hij zou ons best eens kunnen horen', hij is gewoon op één haar na dood. Hij kan ons niet horen." met die woorden stond hij op en beende met grote passen de kamer uit, Hermelien keek hem onbeholpen na en Harry stond op en legde zijn hand op haar schouder. "ik ga maar even achter hem aan," mompelde hij, en vervolgens verdween ook hij uit het zicht.

Hermelien zakte met een diepe zucht op de stoel naast Fred's bed neer, terwijl ze triest naar zijn gezicht staarde. Had Ron gelijk, was Fred inderdaad zo goed als dood?

Bij die gedachte kreeg ze het gevoel alsof alle hoop in één keer uit haar hart werd gezogen, ze sloot haar ogen en probeerde ergens anders aan te denken. Toen dit niet lukte stond ze op om achter Harry en Ron aan te gaan, maar voor ze de deur bereikt had hoorde ze een akelig gerochel.

Met een ruk draaide ze zich om en staarde met grote ogen in de richting van het bed, Fred hapte op datzelfde moment naar adem en het zag er even naar uit dat hij stikte. Zijn ogen nog altijd gesloten.

Oh nee, dit had ze vaak zat op Dreuzel-tv gezien in dokterseries. Zo'n moment kwam vaak gevolgd door een angstaanjagende piep, die het noodlot aankondigde.

Ze trok de deur open en schreeuwde: "Er is een heler nodig, snel!" en direct verscheen er een tweetal helers voor haar neus en duwden haar opzij, terwijl ze in de richting van Fred's bed beenden en zich over hem heenbogen. Hermelien bleef enkele seconden staan kijken, tot ze zich realiseerde dat ze de anderen erbij moest halen. Zo snel als ze kon beende ze weg en kamde de vierde verdieping af, net toen ze concludeerde dat Harry en Ron hier niet waren zag ze een bos rood haar om de hoek verdwijnen. Ze begaf zich, nog net niet rennend, in de richting en liep om de hoek Harry, Ron, George en meneer Wemel tegen het lijf. "ah Hermelien, hier ben-" begon meneer Wemel, maar ze onderbrak hem abrupt door te zeggen:

"Het is Fred, hij... het is niet goed- de helers zijn nu bij-" nu kon zij haar zin niet afmaken, omdat George al om haar heen was gesprint in de richting van Fred's kamer. Ron's blik kruiste de hare even terwijl ook zij zich zo snel mogelijk naar de kamer begaven, hij straalde niets behalve ongerustheid uit. En zo voelde zij zich ook.