Tot Rust Komen
Zachtjes volgde Hermelien Severus door de donkere en nog steeds verlaten gangen van Zweinstein. Zelfs de trappen schenen tot rust gekomen te zijn. Toen ze de afslag passeerden die naar de Griffoendor Toren leidde, stopte ze, waardoor hij zich omdraaide, een verwijt op zijn lippen.
"Als ik de volgende weken in uw kamers door moet brengen, zal ik een aantal van mijn spullen nodig hebben", merkte ze op.
"Laat de huiselfen ze maar voor je halen", gromde hij haar toe.
Severus had verwacht dat ze met hem in discussie zou gaan, maar ze knikte slechts en volgde hem weer. Hij was opgelucht dat ze haar mond hield, opgelucht dat ze niet meer zo tegenstribbelde.
Hij was zo uitgeput. Er was niets over van de energie die hij die ochtend nog gevoeld had, niets van de gelukkigheid en tevredenheid die hem eerder vervuld hadden. Hij wist nu wat de prijs van zijn vrijheid geweest was. Het leven van een leerlinge. De toekomst van de slimste geest die hij ooit onderwezen had tijdens zijn carrière als docent op Zweinstein. De onschuld van een meisje.
Nee, onschuldig was ze niet langer. Ze bezat de geslepenheid en meedogenloosheid van een meesterspion, de bereidheid alles op te offeren als het haar in de weg stond. Haar werk in schaduwen verhullend, Draco, Perkamentus en zelfs hemzelf gebruikend, zoals een poppenspeler zijn creaties gebruikte.
In dit opzicht leek ze heel erg op de Dooddoeners, alle middelen waren geoorloofd, als het doel maar bereikt werd. Heel erg op hem, of eerder op de jongere Sneep van een andere tijd.
Maar terwijl hij Voldemorts volgelingen begreep in hun ambitie, idealen en arrogantie, terwijl hij eindelijk zichzelf kon begrijpen in zijn blinde zoektocht naar kennis en macht, begreep hij niets van Hermelien Griffel.
Wat dreef haar? Wat maakte dat ze haar eigen leven verwoestte, en er zo kalm over kon zijn, alsof het verliezen van haar lichaam en ziel aan de duivel niets meer was dan het verliezen van een potje Toverschaak?
Hij zal erachter moeten komen, besloot hij terwijl ze afdaalden naar de kerkers, maar niet vannacht.
Hij liep het Toverdrankenlokaal binnen, en, met Hermelien nog steeds gehoorzaam volgend, stak over naar de deur die naar zijn kantoortje en de aangrenzende kamers opende.
"Zwart bloed", fluisterde hij, voelde de beschermende spreuken zichzelf opheffen en hield haar vanuit zijn ooghoeken in de gaten. Tot zijn irritatie leek ze eerder geamuseerd dan iets anders.
Hij had zijn melodramatische wachtwoorden speciaal ontworpen om zijn nieuwsgierige leerlingen te shockeren, samen met hun vervelende ouders en de wat meer afgestompte stafleden. Leerlingen sidderden als hij langsliep, en ze hadden de roddels die zijn vampierachtige aard betroffen verder gevoed. Roddels die hij over de jaren zelf, voorzichtig, tot leven had gewekt.
Maar zij trok slechts een wenkbrauw op en glimlachte bewust. Onuitstaanbaar kind!
De deur zwaaide open en hij leidde haar door zijn koude, donkere en barre kantoortje kamers in die niet veel vriendelijker leken. Massieve boekenkasten, gevuld met stoffige en sjofele boeken, stonden langs de raamloze muren, de kale stenen vloer en de onaangestoken haard slechts de natuurlijke kilheid van de kerkers versterkend. De enige zitplaats in zijn woonkamer was een oude sofa, bekleed met een oud zwart kleed dat nogal op de vacht van een hond leek. Op een voetstuk bij de tegenoverliggende muur stond een enkele, glimmende witte schedel, verlicht door twee zwarte kaarsen.
Niet eens de moeite nemend rond te kijken, ging Hermelien op de sofa zitten en streek haar gewaad glad.
"Waar zal ik verblijven?", vroeg ze neutraal, "U hebt vast wel een slaapkamer hier ergens?"
Ze had niet eens rondgekeken! Was er dan niets waarvan dit meisje onder de indruk was? Zelfs Minerva was met stomheid geslagen tijdens haar eerste bezoek, en slechts een heel snelle verklaring had voorkomen dat ze hem meteen ontvlucht was.
Maar Hermelien verwachtte waarschijnlijk niets anders van haar Toverdrankmeester. De gedachte ergerde hem, en dat ergerde hem zelfs nog meer.
"We blijven hier niet, juffrouw Griffel", snauwde hij terug, "Dus u kunt van mijn bank afkomen en ophouden stomme vragen te stellen."
Dit verbaasde haar. Ze stond weer op en onderzocht de drie deuren die aan de andere kant van de kamer waren. Maar in plaats van er een te openen, liep Severus naar het enige meubelstuk dat ook maar een spoortje schoonheid en comfort uitstraalde – een besmeurd tapijt in donkere kleuren, dat de toegang tot een oud gebouw uitbeeldde, waarschijnlijk een tempel, met gigantische pilaren die links en rechts van een ingewikkeld uitgesneden deur oprezen.
Severus grijnsde toen hij de blik van totale verwarring in Hermeliens ogen zag.
"Hoe charmant het ook is dat u gelooft dat ik in kamers van zulk een depressieve sjofelheid zou leven, zou u meer van me moeten verwachten dan dat ik mijn tijd door zou brengen in kamers die zo minimaal beschermd zijn. De locatie van mijn echte kamers is een van de best bewaarde geheimen in dit kasteel. Alleen Albus, Minerva en Remus Lupos weten ervan, en de enige die binnen kan komen zonder mijn directe toestemming is Lupos. Het wachtwoord weten zal je niet helpen, aangezien de magie aan mijn oog en hand gebonden is. Ik geloof dat de dreuzels een soortgelijke techniek gebruiken om hun meest waardevolle bezittingen te beschermen. In feite zijn mijn spreuken gebaseerd op het dreuzelconcept, en voor zover ik weet ben ik de enige tovenaar die het gebruikt. In een notendop, juffrouw Griffel: het is voor u onmogelijk om mijn kamers te verlaten zonder mijn directe toestemming."
Hij draaide zich naar het tapijt, plaatste beide handpalmen op de pilaren en fixeerde zijn ogen op een plaats die niet te onderscheiden was van de rest van het tapijt.
"The nymphs have departed", fluisterde hij, en het scherpe inademen van juffrouw Griffel vertelde hem dat ze de zinspeling begrepen had. Hij had haar nooit voor een lezer van poëzie gehouden.
De deur naar de tempel gloeide plotseling op. Het silhouet vloeide uit het duister, aan structuur en echtheid winnend, totdat de rest van het tapijt niets meer leek te zijn dan een decoratie rond een echte deur.
Severus reikte ernaar en draaide de deurknop om. Met een spottende glimlach die niettemin ook een spoor van trots scheen te bevatten, gebaarde hij haar erdoor heen te stappen.
"Dit, juffrouw Griffel, is waar ik echt leef."
--
Voor een moment werd Hermelien omhuld door warm licht, toen stapte ze door de deur, een kamer in die haar deed uitroepen van verrassing.
Dit, besloot ze tussen de ene en de andere hartslag in, was het Paradijs.
Ze had nog nooit zoveel prachtige boeken op een plaats gezien, nog nooit een kamer zo comfortabel terwijl het ook perfect georganiseerd was. Boekenplanken bedekten iedere centimeter van de muur, reikten van het hoge plafond tot de vloer die verborgen werd door tapijten die zo dik en zacht waren, dat ze in verleiding kwam haar schoenen uit te schoppen en haar tenen erin te wriemelen. Voor een groot raam had Sneep een gigantisch bureau van rozenhout geplaatst, dat vol artikelen, brieven en half geopende rollen perkament lag. Banken en fauteuils met hoge ruggen nodigden haar uit zich op te krullen en uren en uren door te brengen met lezen, onderzoeken en de buitenwereld vergeten.
Hermelien voelde haar schouders zakken, haar rug wat van de stijve rechtheid verliezend. Voor de eerste keer sinds de confrontatie met Sneep, misschien zelfs voor de eerste keer sinds ze dit alles begonnen was, voelde ze zich ontspannen. Dit was een plaats waar ze veilig zou zijn. Dikke muren en sterke spreuken om gevaar van buiten weg te houden, en genoeg te leren om het duistere in haar stil te houden.
Ze had altijd geweten dat, diep van binnen, Professor Sneep een hedonist moest zijn. Alle boekenliefhebbers waren dat. Maar het maakte haar een beetje bang dat hij haar droomkamers bewoonde, dat zij, als ze maar genoeg geld had, haar kamers in zou richten op een manier die erg leek op die van Severus Sneep. Op de een of andere manier klopte het allemaal.
"Mijn bibliotheek", gaf zijn zijdeachtige stem koel commentaar, maar ze kon zijn ongemak voelen. Hij liet waarschijnlijk niet veel mensen hier komen, en zeker geen leerlingen.
"Het is prachtig", fluisterde ze, nog steeds onder de bekoring van de warme kleuren, de gloed van de kaarsen op de leren banden en de geur van oude boeken die haar omringden, "En het past perfect bij u."
Haar woorden verrasten hem, en ze kon zijn irritatie voelen groeien.
"Ik acht u niet competent genoeg om dit te beoordelen, juffrouw Griffel. En ik wens ook niet door u geanalyseerd te worden."
Het moet hem wel als een invasie voorkomen, realiseerde ze plots, mijn verblijf hier, van alle leerlingen. De onuitstaanbare betweter in zijn privé-kamers.
"Ik waardeer uw hulp heel erg, Professor", antwoordde ze zachtjes, "en ik beloof dat ik uw vertrouwen niet zal misbruiken."
"Dit is geen kwestie van vertrouwen, juffrouw Griffel", zei Sneep ijzig, "Het Schoolhoofd droeg me deze taak op, en ik zal zijn wens gehoorzamen. Geen reden voor Griffoendor-sentimentaliteit. Ik hoop dat u niet zal snikken of janken, of wat meisjes van uw leeftijd normaal gesproken ook doen."
Dit bracht haar weer terug naar de realiteit. Ze was voor een seconde vergeten dat ze niet tegenover Severus Sneep, briljante onderzoeker en gretig lezer stond, maar tegenover Professor Sneep, sarcastische rotzak.
Zijn maskers zaten stevig op hun plaats, en hij verafschuwde haar aanwezigheid meer en meer. Hij was geen vriend, en ze was hier niet veilig. Ze ging iedere gram kracht en overlevingswil nodig hebben, hopelijk zonder teveel van wat geheim moest blijven te verraden.
"Dat zal ik zeker niet, Professor". Ook haar maskers gleden weer op hun plaats, en ze concentreerde zich op de taak die voor haar lag. "Als u me nu mijn kamer kon laten zien?"
Hij had de barsten in haar verdediging net te laat opgemerkt. Pas toen ze zich weer teruggetrokken had, ieder spoor van emotie haar gezicht verlatend, realiseerde hij zich dat ze voor een moment open voor hem zou zijn geweest.
Stomme dwaas, vervloekte hij zichzelf, ik had haar daar kunnen krijgen.
"U bent vrij om elk boek te lenen wat u wil lezen", bood hij aan, in de hoop haar interesse weer te wekken, maar het was te laat.
Zijn plotselinge aardigheid verraste haar, maar ze was lang voorbij het stadium dat boeken haar konden afleiden van haar taak.
"Dank u", wees ze af, "maar ik heb al meer dan genoeg schoolwerk te doen."
Hij wachtte, maar dit was alles wat ze zou zeggen. Een plotselinge golf van vermoeidheid overspoelde haar, en liet haar zwak en depressief achter. Ze wilde niets anders dan een hete douche en een warm bed om de horror die haar de volgende weken te wachten stond te vergeten.
Ondanks wat Sneep leek te denken, had ze de Thanalos Drank niet zomaar gebruikt. Ze had het tot in de puntjes onderzocht en wist goed genoeg wat een terugtrekkingstherapie in dit stadium betekende. Koorts, bloed en waarschijnlijk waanzin. Als ze geluk had. Als ze dat niet had, kon het haar dood betekenen.
En ze kon dit niet meer alleen af. Ze had dit gerealiseerd toen zowel Sneep als Draco haar konden verrassen. Ze was slordig geworden, en de fouten die hieruit volgden konden haar eerder doden dan ze wilde riskeren.
Ze wilde het afmaken, moest het afmaken. Nog maar een paar maanden, en het zou allemaal voorbij zijn. Voldemort verslagen, en Harry, Draco en alle anderen vrij om hun levens te leven zoals ze het verdienden.
Een herinnering drong zich aan haar op, het silhouet van een man, knielend op de vloer in de duisternis, een angstig gezicht, wit van het bloedverlies, en een stem die trilde van angst.
Haar stilte ontmoedigde Sneep, realiseerde ze zich plotseling, maar hij wachtte op haar om weer wat te zeggen.
"Mijn kamer?", vroeg ze nogmaals. Het kon haar niet schelen dat ze nogal onbeleefd overkwam.
"Deze kant op." Hij leidde haar naar een wenteltrap in een hoek van de kamer.
Terwijl ze naar de volgende etage klommen, legde hij het ontwerp van zijn kamers uit: "Zoals u gezien hebt, is mijn bibliotheek op de begane grond. Op de volgende verdieping vind je mijn persoonlijke kamers en de gastenkamer, waar u zult verblijven zolang deze situatie duurt. Op de tweede verdieping zijn mijn laboratorium en privé-studeerkamer. Verboden terrein voor u. De bibliotheek en uw gast- en badkamer zijn open voor u, maar ik ga mijn waardevolle toverdranken of ingrediënten niet riskeren voor het plezier van een klein meisje."
Was hij met opzet zo onaardig, of hadden jaren van oefening en gewoontes het overgenomen? Het kon haar werkelijk niets schelen, haar opluchting overstemde haar irritatie toen hij haar de kamer liet zien waar ze de komende weken zou verblijven, beleefd vroeg of ze niets anders nodig had en haar toen alleen liet.
Ze viel in slaap zogauw haar hoofd de kussens raakte, te moe om lastig gevallen te worden door de nachtmerries die haar gewoonlijke metgezellen waren.
--
"Ik vraag me af wat er met de fret aan de hand is", fluisterde Ron nieuwsgierig.
Het ontbijt was een stille, onderdrukte gelegenheid geweest deze ochtend, en Ron scheen wild op jacht naar alles wat hem kon afleiden van het nieuws over Hermeliens ouders.
Anderling had hen vanmorgen wachtend op hun vriendin gevonden in de leerlingenkamer, en, na hen naar haar kantoortje geleid te hebben, had het verhaal over de aanval op meneer en mevrouw Griffel verteld, en de noodzaak voor het paar om onder te duiken uitgelegd.
Natuurlijk begrepen Ron en Harry dat Hermelien bij haar ouders wenste te zijn, hoewel Ron niet kon weerstaan op te merken hoe geschokt hij was dat Hermelien haar schoolwerk zo licht nam.
Maar ze waren wel licht teleurgesteld dat Hermelien niet de tijd had genomen het hen zelf te vertellen. Niet dat ze ook maar durfden dromen dit te zeggen tegenover Professor Anderling…
"Wat is er met hem?", vroeg Harry zonder echte interesse. Hermelien gedroeg zich vreemd de laatste paar maanden. De vrees voor haar ouders kon haar gedrag verklaren, maar Harry begreep niet waarom ze er dan niet eens met hem over sprak. Hij wist hoe het was om je ouders te verliezen, de angst voor de geliefden om je heen omdat jij ze in gevaar bracht. Wat had haar zo van hem vervreemd?
"Hij kijkt alsof hij zijn pap liever zou afmaken dan het op te eten. Ik bedoel, zo slecht is het toch niet? Hij mist vast pappies huiselfen om hem heen, denk je ook niet?"
Harry hief zijn hoofd op en keek naar de tafel van de Zwadderaars. Ron had gelijk, in plaats van lol te maken met zijn idiote vrienden, staarde Draco in zijn pap alsof hij niet kon beslissen het te vermoorden of nat te huilen.
Hij had het afgelopen jaar niet veel aan Draco gedacht. Het gevecht in het Ministerie en de daaropvolgende arrestaties van veel hooggeplaatste Dooddoeners hadden de Zwadderaars een toontje lager doen zingen. Goed, Malfidus, Korzel, Kwast en veel van de anderen waren slechts drie weken geleden op mysterieuze wijze verdwenen uit Azkaban, maar hoewel Perkamentus geloofde dat Droebel niet al te ingespannen naar Malfidus zocht, waren al hun bindingen aan het Ministerie officieel verbroken.
Zonder zijn invloedrijke vader die hem overal uit kon krijgen, was Draco snel wat nuchterder geworden. Nu dat Harry eraan dacht – hij had hem al een hele tijd niet met zijn maatjes Korzel en Kwast samen gezien. En er waren de laatste maanden ook geen aanvallen of beledigingen geweest die hij zich kon herinneren.
We zijn veranderd, dacht Harry, niet alleen ik of Hermelien, maar Draco ook. Er komt een oorlog aan, en we weten niet wie er zal winnen. We weten niet eens of we het komende jaar zullen overleven!
Maar natuurlijk, terwijl Harry en de Orde vochten voor vrijheid en rechtvaardigheid, zou Draco zich snel aan de zijde van zijn vader voegen.
"Hij fantaseert vast over hoe hij zijn eerste modderbloedje zal doden", fluisterde Harry terug, alleen om de laatste restjes conversatie naast hem te doen stilvallen. En er viel weer een humeurige stilte.
--
Draco luisterde niet naar de geanimeerde gesprekken over Zwerkbal om hem heen. Hij had niet goed geslapen de afgelopen nacht, eigenlijk helemaal niet. Iedere keer als hij zijn ogen sloot, was Hermeliens gezicht voor zijn geestesoog verschenen, haar ogen, zo donker tegen haar bleke huid, en vol verwijt.
Hij had het voor haar gedaan, maar hij had haar toch verraden. Hij wist dat hij die gekwetste blik, de gefluisterde woorden - "et tu, Brute" – nooit zou vergeten.
Hij had tegenover haar gefaald. Hij had een andere manier moeten vinden, in ieder geval Sneep er buiten moeten houden.
En nu was ze opgesloten in de kerkers met deze donkere, humeurige oude man, opgesloten om de waanzin van de ontwenningsverschijnselen te ervaren.
En het was allemaal zijn schuld.
Hij zuchtte en sloot zijn ogen, niet gevend om de blikken die zijn klasgenoten hem toewierpen. Zijn eigen Zwadderaars waren al veel eerder gestopt zijn vreemde gedrag op te merken. Ze geloofden dat het zijn vaders' gevangenneming was die hem zo veranderd had.
En op een bepaalde manier was dat ook zo.
Hij herinnerde het zich nu, maar al te duidelijk, de nacht dat ze terugkeerden. Perkamentus, Droebel, de bewusteloze Griffoendors en dat joch Potter, rondparaderend alsof het kasteel van hem was. Hij had geruchten gehoord dat Potter Perkamentus' kantoor later die nacht verwoest had, en hij had vreugde gevoeld. Maar natuurlijk, omdat het Potter was, waren er geen gevolgen geweest voor die stomme littekenkop.
Toen had Droebel hem in een kantoor bij zich geroepen, hij kon zich niet herinneren welk kantoor, en hem alles verteld over het gevecht, zijn vaders "loyaliteit aan de verkeerde zijde", zoals Droebel het noemde, en zijn arrestatie.
Het was het gesprek van de school geweest. Ze hadden achter zijn rug gefluisterd, hun stemmen vol vergif en boosaardigheid.
"Wie lacht er nu, Malfidus?"
"Je vader kan ons niet meer rondbazen, of wel?"
Ronald Wemel was het ergst geweest van allemaal, met Potter die te depressief was door de dood van zijn meelijwekkende verbannen peetvader. Hij had het hem betaald gezet, elke sluwe opmerking en belediging.
Draco had zich nog nooit zo hulpeloos gevoeld. Kwetsbaar. Gewoon. Verraden.
Hij had de school zo vaak als hij kon verlaten, een toevluchtsoord zoeken bij het meer, waar hij tegen een oude iep zat, urenlang naar het water starend en zich afvragen wat er met zijn leven gebeurd was, het leven waar hij slechts enkele weken geleden nog zo trots op was geweest.
En dat was de plaats waar ze hem gevonden had, vier dagen na het gevecht in het Ministerie. Ze had die dag net de ziekenboeg verlaten, en haar verwondingen waren nog niet helemaal geheeld.
Hij had haar niet zien aankomen, anders was hij weggegaan. Er waren al genoeg mensen die hem tartten, zonder dat Hermelien Griffel aan die lijst werd toegevoegd.
Maar ze had hem beslopen, en hij was zichtbaar geschrokken toen ze zijn naam riep, een verdere onwaardigheid die hem vanbinnen deed ineenkrimpen.
"Draco?"
"Wat wil je, Griffel? Kom je ook je wraak uitleven nu er nog iets van me over is?"
Tot zijn verbazing was ze naast hem komen zitten, haar rug tegen de oude boom en een tijdje stil in het water kijkend.
"Ik ben alleen gekomen om te zeggen dat het me spijt, Draco", zei ze uiteindelijk.
Hij was met stomheid geslagen. Dit moest een grap zijn! Zijn vader had geprobeerd haar te vermoorden, hij had haar op iedere mogelijke manier beledigd, en zij kwam zeggen dat het haar speet?"
"Spijt", had hij kort geantwoord. "Helemaal niet grappig. Doe waarvoor je hier kwam, en hoepel dan op naar je modderbloed-liefhebbende vrienden."
Ze had niet eens gereageerd op zijn woordkeuze.
"Ik weet dat je net zoveel als Harry verloren hebt die nacht in het Ministerie, Draco. En je denkt waarschijnlijk dat het niemand iets kan schelen. Maar mij wel."
"Je praat hier niet tegen Potter, Griffel", snauwde hij, en de bitterheid in zijn eigen stem maakte hem bang, "Ik ben een van de slechteriken."
"Dat ben je niet!" Ze klonk boos op hem. "Wat je vader wel of niet doet is jouw schuld niet. Je gedraagt je zoals van je verwacht wordt, en ook dat is niet jouw schuld."
"Nooit overwogen dat dit misschien is wie ik wil zijn? Ik heb lang geleden mijn kant gekozen, en mijn vader heeft daar niets mee te maken! Potter weet dit. Ik heb geen Griffoendor nodig om voor mij na te denken."
Hermelien zuchtte en ontmoette zijn uitdagende ogen. Haar blik doorboorde hem, alle verdedigingen brekend totdat zijn angst en pijn naakt voor haar lagen. Hoe vreemd ook, was het geen slecht gevoel. Op een bepaalde manier, was het een opluchting te weten dat er tenminste een op deze school was die hij niet voor de gek kon houden.
Oh, maar dat heb je wel, Draco", zuchtte ze. "Wat Harry nooit begrepen heeft is dat we allemaal onze rol moeten spelen. Jij kunt je rol niet méér veranderen dan de Jongen Die Bleef Leven, Sneep, Perkamentus, of ikzelf", het laatste deel fluisterde ze bijna. "Maar hoewel we geen keuze hebben over de maskers die we moeten dragen, kunnen we wel zelf bepalen wat we ermee doen. Je hoeft niet te worden wat iedereen van je verwacht, Draco. Je hoeft niet in je vaders voetstappen te treden. Maskers zijn dingen om te gebruiken, niet om door gebruikt te worden."
Ze stond weer op, haar hand een fractie van een seconde op zijn schouders rustend. Haar hand was warm, en vederlicht.
"En je kunt ervoor kiezen mensen een blik achter je masker te gunnen, op de ware Draco. Misschien niet veel, aangezien niet iedereen het wil of kan zien, maar sommigen, en soms. Ik ben niet gekomen om je te bekeren, Draco, en dat is waarom ik nu ga. Maar als je iemand nodig hebt om je te helpen je masker een tijdje af te nemen, of gewoon iemand om mee te praten, zou ik het als een eer beschouwen als je naar mij kwam. Goedenacht."
En voordat hij kon antwoorden, voordat hij zich zelfs maar realiseerde wat ze hem aangeboden had, was ze al verdwenen in de groeiende duisternis van de nacht. Ze had zeker zijn gefluisterde "dank je" niet gehoord, maar iets zei hem dat ze het toch al wist.
Draco herinnerde het zich, en begon zijn pap te eten, die nu al koud en vies was geworden.
Het had hem dagen gekost de nodige moed te verzamelen, maar uiteindelijk had hij haar opgezocht in de bibliotheek, elke stap van de weg vrezend dat ze een grap met hem had uitgehaald, of dat ze haar aanbod zogauw als ze het gedaan had al betreurde. Maar haar ogen waren opgelicht toen ze hem aan zag komen.
Ze had hem een kamer laten zien die ze "de Kamer van Hoge Nood" noemde, waarvan hij en wat andere Zwadderaars de "Strijders van Perkamentus" hadden opgejaagd in hun vijfde jaar. Comfortabele banken en warme thee wachtten hun op, en ze hadden urenlang gepraat.
Weer verscheen haar gezicht in zijn gedachten, haar smekende ogen in een stenen gezicht. Ze was zijn enige echte vriend, en hij had tegenover haar gefaald.
Op dit soort momenten was Draco dankbaar voor de strakke opleiding in manieren en discipline die zijn vader hem had opgelegd. Was het niet voor de beroemde zelfcontrole van de Malfidussen geweest, had Draco zijn hoofd op de gewreven tafel gelegd en zijn ogen eruit gehuild hebben.
In plaats daarvan, verzamelde hij zwijgend zijn spullen en ging op weg naar zijn eerste les van de dag.
"The nymphs have departed" – De nymphen zijn vertrokken – uit T.S. Eliots The Waste Land.
Ik zal er gelijk bij zeggen dat er in dit verhaal nog veel meer gedichten en citaten voorkomen, en dat ik ze niet zal vertalen. Dat zou maar een zootje worden en hun betekenis teniet doen.
A/N: Bedankt voor jullie reviews! Ga zo door, en geef de tip van mijn verhaal door aan anderen. Dan voel ik me ook weer wat gemotiveerder om door te gaan.
