Hellewaarts
Alleen in zijn kantoortje, keek Albus Perkamentus naar het vervagende licht buiten Zweinstein. Hij nipte van zijn warme chocolade, genietend van de smaak. Hij had iedere troost die hij kon krijgen nodig op dit moment.
Het rapport over juffrouw Griffels welzijn, dat Severus hem een paar minuten geleden had gegeven, baarde hem meer zorgen dan hij aan de man had laten zien. Het waren niet alleen haar koorts en andere lichamelijke functies die hem nu de nacht in deden staren, als op zoek naar antwoorden.
Het was de koude en totaal onverschillige toon geweest waarop de Toverdrankmeester hem van deze feiten op de hoogte had gebracht. Severus maakte zich niet zo'n zorgen om juffrouw Griffel als Albus deed, hij voelde niets eens medelijden. Iets in zijn gezicht had voldoening met juffrouw Griffels toestand uitgedrukt.
In al de jaren dat hij Severus kende, had de jonge man Perkamentus altijd te beschermend geleken. Hij gaf te veel om zijn leerlingen, stopte er veel te veel van zijn ziel en zaligheid in om te zorgen dat ze het goed maakten. Hij maakte zichzelf ziek van de zorgen over Zwadderaars die gewond raakten, of zich aan de Duistere Zijde schaarden. Iedere leerling die het had opgegeven, elke jongen en elk meisje dat het Pad des Lichts verlaten had werden door Severus als een persoonlijk falen beschouwd. Hij had altijd meer zichzelf de schuld gegeven dan zijn beschermelingen.
Maar zo was het niet met juffrouw Griffel. Was het een fout geweest om Severus de zorg over haar te geven? Maar het leek destijds zo logisch. De man had veel meegemaakt van waar juffrouw Griffel nu doorheen ging, hij wist hoe het was zich te moeten verschuilen in duisternis, en Perkamentus had gehoopt, op zijn typische, waanzinnig optimistische manier, dat de twee elkaar misschien konden helpen.
En het was zo nodig dat het meisje slaagde in haar taak!
Een jaar geleden, toen Voldemorts terugkeer eindelijk openbaar werd gemaakt en het Ministerie het gevaar wat dit meebracht erkende, was Perkamentus nog vol hoop. Hij had complicaties verwacht, natuurlijk, maar hij had er nooit aan getwijfeld dat het gevecht snel over zou zijn.
Maar nu, een jaar van falen, verraad en teleurstellingen later, was hij er niet meer zo zeker van. De Schouwers van het Ministerie en de Orde werkten nauw samen, additionele programma's en enorme fondsen waren opgesteld, maar wat ze ook deden, Voldemort leek hun altijd een stap voor te zijn.
De enige successen die ze de laatste paar maanden geboekt hadden waren dankzij juffrouw Griffels informatie geweest. Voordat hij het zelfs maar in de gaten had gehad, was deze jonge vrouw de sleutel tot Voldemorts ondergang geworden, Perkamentus enige en laatste hoop.
Een jaar geleden, had deze hoop op Harry gerust. Harry…
Perkamentus zuchtte en wierp nog een blik op de duisternis buiten, op zoek naar antwoorden die niet gevonden zouden worden. Harry had zich niet zo ontwikkeld als hij verwacht had. Nadat Perkamentus hem over de profetie had verteld, had hij gehoopt dat Harry snel zou opgroeien en zich zou schikken in het lot dat hem wachtte.
Hij haatte het de jongen te beroven van wat er nog van zijn jeugd over was, maar hun vijand was te sterk geworden om hem nog langer te negeren. Maar Harry leek niet geïnteresseerd in lessen, duelleren of voorbereidingen op de dingen die zouden komen. In plaats daarvan, leek Harry zich te hebben teruggetrokken in de geruststellingen van het gewone leven, schoolwerk makend, Zwerkbal spelend en streken uithalend met zijn vriend, Ronald Wemel.
Het was Hermelien die aan zijn verwachtingen had voldaan, het lid van het Gouden Trio dat hij het minst serieus had genomen. What fools we mortals be, dacht hij gelaten.
Een geklop aan zijn deur onderbrak zijn mijmeringen. Maar, voordat hij kon antwoorden, vloog de deur al open en stormde Minerva Anderling de kamer binnen.
"Minerva" groette hij haar beleefd. Hij stond op uit zijn stoel en liep naar haar toe. "Wat een plezier je te zien! Ik moet je helaas wel vertellen dat ik een afspraak heb vanavond, waar ik absoluut naartoe moet. Daarom, als je het je niets kan schelen, kunnen we misschien beter later…-"
"Het kan me wel wat schelen, Albus" viel ze hem bruusk in de reden. "Het kan me een heleboel schelen. Stop dingen van me te verbergen, jij onuitstaanbare man!"
"Ik weet niet waar je het over hebt, mijn beste" antwoordde hij vriendelijk. "Deze tijd van het jaar is altijd erg druk – maar als je denkt dat ik je verwaarloosd heb, zal ik zeker…-"
"Albus Perkamentus! Ik mag dan wel niet zo oud zijn als jij, maar ik ben geen dwaas! Er is iets mis met Hermelien Griffel, en ik ben van plan erachter te komen wat."
"Wat kan je dat idee gegeven hebben, Minerva?" Perkamentus' ogen twinkelden nu wanhopig, maar Minerva ging meedogenloos verder.
"Ten eerste: ze verdwijnt in het holst van de nacht. Ik word niet geïnformeerd tot een dag later, ik ben niet degene die haar het nieuws brengt, ik krijg haar niet eens te zien voor ze weg is. Nooit sinds ik het Hoofd van Griffoendor ben geworden heb je me zo 'verwaarloosd' als dat, Albus. Ten tweede: ze heeft me geschreven noch me gesproken de laatste twee dagen. Dit is Hermelien Griffel waar we het over hebben! Zelfs nadat de Basilisk haar Versteend had, was het eerste waar ze om vroeg haar huiswerk. Ze zou nooit onderduiken zonder twee maanden aan lesmateriaal! En ten derde: Severus is plotseling weer zijn oude, chagrijnige zelf. Toen ik hem aansprak nadat hij Remus had afgesnauwd, gedroeg hij zich als een klein jongetje dat betrapt is op een leugen. Een leugen die in direct verband staat met juffrouw Griffel."
Ze stopte en staarde hem aan, en haar intimiderende blik brachten hem onmiddelijk terugbrachten tot een zesjarige Albus die werd betrapt met zijn hand in de koektrommel.
"Dus kun je nu stoppen met erom heen te draaien en me vertellen wat er met juffrouw Griffel is gebeurd?"
Hij wist dat hij had verloren. Dus vertelde hij haar alles.
Toen hij klaar was, zag hij tranen in haar ogen. Stilzwijgend bood hij haar een zakdoek en een mok warme chocola aan. Ze accepteerde beiden.
"Het arme kind" zei ze uiteindelijk, nadat de kamer een paar minuten met stilte gevuld was. "Ik had zo gehoopt dat ze tenminste tot het einde van school zou wachten."
Ze keek op van haar schoot en vond dat Perkamentus haar verstomd aanstaarde.
"Wist je ervan, Minerva?" vroeg hij perplex.
"Nee, hemeltjelief, Albus! Natuurlijk wist ik het niet! Ik had haar onmiddellijk tegengehouden als ik het geweten had! Maar niet zoals iedereen als jij-" ze pauzeerde en keek hem geringschattend aan, "heb ik haar ooit onderschat."
"Mijn beste Minerva, ik heb nooit…" protesteerde Perkamentus, maar ze viel hem weer in de rede.
"Niet bewust, Albus. Maar jij en alle anderen hebben zich altijd geconcentreerd op Ron en Harry. Zij waren het duo voor de roekeloze stunts; zij veroorzaakten de problemen en maakten er een mooie show van. Hermelien was niet degene van de actie. Zij onderzocht, ondersteunde hen, hielp hen door school. Wat geen van jullie opviel waren haar geslepen, briljante geest, haar meedogenloosheid en haar wil om alles op te offeren, zelfs zichzelf, om haar vrienden te redden. Meneer Potter en meneer Wemel waren altijd gemakkelijk tegen te houden. Maar vanaf haar eerste jaar, heb ik mezelf zorgen gemaakt om juffrouw Griffels capaciteiten. Omdat ik wist dat als ze besloot om "in actie te komen", dat we haar niet tegen konden houden."
Ze zuchtte, en plotseling leek haar gezicht versleten en afgetobd. "Ze is te briljant voor haar vrienden, Albus. Ze waren nooit een uitdaging voor haar. En ik vraag me af of, over een paar jaar, zelfs jij nog een uitdaging voor haar zal vormen."
--
Na twee etmalen van razende koorts, verdwenen de symptomen en lieten Hermelien zo zwak als een pasgeboren kitten achter. Ze had zich nog nooit zo ziek en alleen gevoeld.
De hoofdpijn was het ergst geweest. De rillingen, de koorts, dat kon ze allemaal wel aan, maar die pijn had haar hoofd gespleten, als een bliksemstraal een boom. Ze kon niet nadenken, ze kon niet praten. Ze kon zelfs niet huilen van de pijn. Slapen was onmogelijk geweest.
En het enige wat ze gezien had – als ze de koortsdromen lang genoeg kon afvechten om haar ogen te openen – was zijn sardonische glimlach geweest, zijn gezicht waarop levensgroot 'ik haat je en je verdient dit' leek te staan.
Sneep was haar kamer in en uit geweest, schoonmaakspreuken toepassend, haar water en toverdranken gevend. Nooit had hij ook maar een woord méér gesproken dan absoluut nodig was. Nooit leek hij te geven om hoe ze zich voelde.
Maar toch, ondanks zijn afkeer en walging, was zijn aanwezigheid iets vertrouwds geworden. In al haar eenzaamheid, deed alleen hij haar weer een beetje menselijk voelen. Het kon haar niet schelen dat hij dit deed door haar constant te beledigen, daar was ze inmiddels aan gewend. Ze had hem nooit veel anders gekend. Ze hoopte alleen dat haar koortsdromen niet meer onthuld hadden dan goed voor haar was…
Denk niet zoveel na, zei ze tegen zichzelf, Tijd om wat te doen, Hermelien!
Voorzichtig liet ze haar voeten op de vloer zakken en probeerde op te staan, om zich vervolgens hals over kop vast te moeten grijpen aan het bed omdat haar benen onder haar wegvielen. Zo zwak als een jong poesje, inderdaad. Ze dacht er even over na om weer te gaan liggen en op Sneep te wachten om haar te helpen.
Maar het mentale beeld van Sneep die haar in zijn armen naar de badkamer draagt, gaf haar genoeg kracht om het zelf te redden.
Het was zwaar werk, een bad nemen. Het kostte haar bijna een uur om zich weer schoon te voelen. Ze viel zelfs even in slaap in de badkuip, en ze werd pas weer wakker toen een roze zeepbel haar neus kietelde. Maar uiteindelijk, na een hoop gevloek en heel langzame, voorzichtige bewegingen, kreeg ze het voor elkaar om zonder ernstige ongelukken de badkamer uit te komen, een pyjama en een warme wollen badjas aan te trekken en weer op haar bed te gaan zitten om haar haren te borstelen.
Zo vond Sneep haar toen hij de kamer binnenstormde, zoals gewoonlijk zonder te kloppen. Hij had haar niet verwacht, en hij stopte verbaasd, struikelde bijna en kwam vlak voor haar neus tot een nogal abrupte stop.
"Ik zie dat u zich vandaag beter voelt" merkte hij ijzig op.
"Inderdaad. Bedankt voor het vragen, Professor."
"Het was niet mijn bedoeling beleefd te zijn, juffrouw Griffel. Ik zie geen reden om beleefd te zijn tegen iemand als u. Mijn bezorgdheid geldt slechts uw gezondheid, niets anders."
"Ik denk dat ik dat onderhand wel begrepen heb, Professor."
Hij nam niet eens de moeite haar aan te kijken, zag ze boos, hij trok alleen zijn toverstok en richtte hem op haar.
"Uw lichaamsfuncties lijken in orde. Weet u wie en waar u bent?"
"Dat doe ik" antwoordde met een schaduw van een glimlach op haar gezicht. "Jammer genoeg."
Hij knikte kort, zonder haar poging tot sfeerbevordering te erkennen.
"U weet ook dat dit slechts een tijdelijk herstel is? Het zal snel erger worden, veel erger. U zult uw acties binnenkort uitermate betreuren, kan ik u verzekeren."
Nou, dat was een hoopgevende gedachte! Hij had wel een speciaal talent om haar zout in de wonden te strooien.
"Ik zal nooit betreuren wat ik gedaan heb, meneer" antwoordde ze stil. "Maar ik realiseer me dat ik het ergste nog voor me heb liggen."
Hij trok een gezicht, maar vond het blijkbaar geen opmerking waard.
"Dan moet ik u informeren dat meneer Malfidus de laatste twee dagen getracht heeft mijn voordeur eruit te kloppen. Ik kon hem alleen wegsturen door te beloven hem te informeren, wanneer u in staat was met hem te spreken."
"Ik zou hem graag spreken" antwoordde ze gehaast. Haar hart begon sneller te kloppen. Ze verlangde naar een vriendelijk gezicht, een woord dat niet alleen bedoeld was om haar te beledigen. "Kunt u hem zo snel mogelijk informeren?"
"U kunt niet wachten, hè?" vroeg Sneep op bittere toon. "Misschien herinnert hij u aan Lucius, juffrouw Griffel? U kunt waarschijnlijk ook niet wachten tot u zich weer in de armen van uw geliefde kunt gooien."
Hij draaide zich om en verliet de kamer, zonder te zien hoe bleek Hermelien was geworden bij zijn woorden. Ze had nooit Draco's warme, gevoelige gezicht willen verbinden aan dat van zijn vader. Die ogen, van een zo'n doorborend blauw, die haar aankeken, haar uitkleedden terwijl zijn gladde stem obsceniteiten uitten.
Hermelien rilde, en liep vlug naar het raam. Ze had volkomen verkeerd gedacht over Sneep. Hij was niet vertrouwd, geen troost. Hij was een rotzak, en ze zou zich nooit veilig voelen voordat ze zijn kamers voorgoed verlaten had.
--
Sneeps uil had Draco's ongerustheid in een golf van opgewondenheid veranderd. Nadat hij voorzichtig het korte briefje dat niets meer zei dan "Je mag haar bezoeken" had verbrand, rende hij haast de leerlingenkamer uit, zonder zelfs maar zijn gewaad op te halen uit zijn slaapkamer.
Toen hij het Toverdrankenlokaal bereikte, stond Sneep hem al op te wachten voor de open deur van zijn kantoortje.
"Professor" begroette Draco hem enthousiast. "Hoe is het met haar?"
"Ze leeft nog" antwoordde Sneep koel. "De rest kun je aan haar vragen. Volg me."
Sneep leidde hem snel door zijn kale kamers en door het magische tapijt, zonder zijn ongenoegen over de constante invasie van zijn kamers door leerlingen proberen te verbergen. Hij had deze kamers voor een reden verborgen, verdomme!
Hij gaf Draco geen tijd om zich aan zijn bibliotheek te vergapen, of aan de magische antiquiteiten, maar ging hem voor naar de eerste verdieping en Hermeliens slaapkamer.
"Vijf minuten" waarschuwde hij Draco voordat hij de deur opende. "Ze heeft rust nodig."
Diep inademend, probeerde Draco zichzelf moed in te spreken voor de confrontatie die vrijwel zeker op handen was. Hij zweette als een nerveuze eerstejaars! Maar voordat hij een kalme houding kon aannemen, duwde Sneep hem al naar voren en sloot de deur achter hem.
Hij was nauwelijks de kamer binnen, toen Hermelien zich op hem stortte en zich in zijn armen begroef. Hij hield haar stevig vast en streek haar rug in kalme, ronde bewegingen. Draco voelde zich zo opgelucht, dat hij het gevoel door zich heen kon voelen gaan, terwijl het de knoop in zijn maag ontwarde.
Ze had hem vergeven, op de een of andere manier. Ze hield hem niet op een afstand.
"Hoe is het met je, lief?" fluisterde hij in haar oor, zijn favoriete koosnaampje voor haar gebruikend.
"Hij maakt me horendol" hoorde hij haar antwoorden door de groene wol van zijn schoolgewaad. "Ik word gek hier, Draco!"
Plotseling was ze weer weg, hem alleen achterlatend bij de deur. Ze begon door haar kamer te ijsberen, nerveuze energie en agressiviteit uitstralend.
"Ik ben hier opgesloten!" gooide ze er ineens uit. "Ik word krankzinnig, en hij wil me er niet uitlaten, die uit zijn krachten gegroeide vleermuis."
"Behandelt hij je wel goed?"
Ze stopte abrupt, en maakte een draai zodat ze hem recht aankeek, haar ogen plotseling alert en wantrouwend.
"Waarom vraag je dat?"
"Omdat ik om je geef, Hermelien! Bij alle Goden, ik weet heus wel dat jij en Sneep ruzie krijgen zo gauw jullie in dezelfde kamer zijn. Ik maakte me vreselijk zorgen!"
Iets in zijn woorden kalmeerde haar, en ze reikte naar hem, raakte teder zijn gezicht aan.
"Dat hoeft niet" antwoordde ze zachtjes. "Maar ik ben blij dat je kwam. Er is tenminste een persoon in deze vervloekte school die om me geeft als een persoon, niet als iets wat hij kan gebruiken."
Tot zijn verbazing zag hij haar ogen vullen met tranen. Wat gebeurde er in vredesnaam met haar?
"Ik dacht dat ik je verloren had" fluisterde hij. "Ik was bang dat je nooit meer met me zou praten. En ik zou het hebben begrepen. Het spijt me zo, lief! Ik had je moeten vertrouwen!"
"Nee" zei ze bedachtzaam, haar hoofd op zijn schouder rustend. "Je had totaal gelijk. Ik had de volgende maanden niet overleefd. Voel je niet schuldig, en maak je geen zorgen over mijn gedrag. Het is de ontwenning die me zo anders maakt. Ik heb dit over mezelf afgeroepen, en ik alleen moet de gevolgen ervan dragen."
"Hermelien" begon hij. Hij wilde haar beloven haar nooit meer tekort te doen, maar Sneeps koude, snerende stem sneed zijn woorden af.
"Nou, nou, hoe vervelend ik het ook vindt zo'n lieve vertoning te onderbreken, vrees ik dat het tijd voor je is om te gaan, Draco."
Hij zag Hermelien van hem terugdeinzen, plotseling alle lichamelijke contact vermijdend alsof ze zich verbrand had.
"Maar, Professor…"
"Ik ga er niet met je over discussiëren, Draco."
Hij keek haar nog een laatste keer aan, maar ze wilde zijn blik niet meer ontmoeten.
"Roep me als je iets nodig hebt" zei hij en draaide zich om.
Ze sprak geen woord, maar haar ogen volgden hem door de kamer met een vreemd hongerige uitdrukking, totdat de deur achter hem sloot.
"Er is nog een ding dat ik met u moet bespreken, Professor" zei Draco, terwijl hij Sneep de trap af volgde.
"Ga zitten" antwoordde Sneep vriendelijk en bood hem een stoel aan.
"Twee dagen geleden" begon Draco langzaam, "sloot mijn vader een brief aan Hermelien in een die aan mij was gericht. Hij vroeg me haar de brief te geven zogauw ik de kans zag. Ik wist niet zeker… U kent de aard van hun… relatie," hij bloosde, "en ik was bang dat het haar misschien zou ageren, maar als de informatie die hij bevat belangrijk is, kan ik hem beter niet te laat geven…"
"Je deed er goed aan het mij te vertellen, Draco" zei Sneep, met een onleesbare blik in zijn ogen. "Geef maar aan mij, en ik zal met het Schoolhoofd overleggen of we hem haar zullen geven."
Draco knikte, opgelucht van zijn last verlost te zijn, en trok voorzichtig de donkergroene envelop uit een van zijn zakken.
Sneep nam hem aan, en leidde Draco daarna naar de magische toegang tot zijn kamers.
"Doe de kantoordeur goed achter je dicht" zei hij, en toen, terwijl Draco's silhouet al versmolt met de gouden gloed: "Ik zal je op de hoogte houden."
Draco's dankbare glimlach veroorzaakte een pijn in zijn borst. De jongen had zijn vertrouwen en innerlijke warmte behouden, ondanks een vader als Lucius Malfidus, en nu misbruikte dat kleine kreng precies die kwaliteiten om hem te manipuleren. De wetenschap van haar verraad zou hem de das omdoen.
Hij keerde terug naar de sofa terwijl hij de brief opende, en langzaam ging zitten om hem te lezen. Hij las hem tweemaal, met een grimmige uitdrukking op zijn gezicht.
Toen stond hij weer op, liep naar de eerste verdieping en opende Hermeliens deur zonder te kloppen. Hij vond haar zittend op haar bed. Het was duidelijk dat ze hem al verwachtte.
"Dus de vader is niet genoeg voor u?" vroeg hij ijzig. "Je moest de zoon ook verleiden?"
"Draco en ik zijn alleen vrienden" antwoordde ze stijfjes. "Er is niets ook maar een beetje romantisch tussen ons."
"Ik betwijfel of u zelfs maar de betekenis van het woord 'romantisch' kent, juffrouw Griffel" beet hij haar toe.
"Waarom laat u me niet gewoon met rust, Professor?" vroeg ze. Slaperigheid sluimerde in haar stem. "Ik voel me niet zo goed."
"Dat is mijn probleem niet, of wel soms?" vroeg hij agressief, maar toen veranderde hij abrupt van toon. "Hoe dan ook, ik verspil uw kostbare tijd niet omdat uw aanwezigheid mij zo'n plezier doet. Ik heb een brief te bezorgen."
"Wie zou mij nou schrijven?" Wanhoop en frustratie maakten haar toon strak. "Spot niet met me, Professor. U hebt me al op de knieën."
Ze voelde zich verschrikkelijk, en haar emoties zaten haar hoog. Ze wilde op hem afstormen en hem schoppen, maar op hetzelfde moment wilde ze niets liever dan een stevige omhelzing en eens goed uithuilen. Ze kon haar hart er wel uitjanken, geloofde ze, en dat was niet als metafoor bedoeld.
"Uw favoriete positie, is het niet, juffrouw Griffel?" snauwde hij. "Maar ik denk dat ik het aanbod maar afsla, dank u. Uw geliefde minnaar heeft u geschreven.
Hij zag het bloed naar haar wangen rijzen, haar ogen zich verwijdend in langzame realisatie.
"Laat me hem u voorlezen – het is zo'n prachtige brief" hij gaf haar geen tijd voor een reactie, maar ontvouwde het perkament en begon op een misselijkmakend lieve toon: "Lieve Hermelien!"
Hij wist dat wat hij deed verkeerd was, maar eerlijk gezegd, was hij te kwaad om er om te geven. Dit stomme meisje had hem vriendschap, vrije tijd en geestesrust gekost, en hij wilde die arrogante uitdrukking van perfecte controle van haar gezicht vegen.
"Niet doen, Professor" fluisterde ze, haar gezicht nu doodsbleek. "Alstublieft, doe me dit niet aan! Ik kan er niet tegen…-"
"O, maar u kon er wel tegen met hem naar bed te gaan, of niet soms?" onderbrak hij haar ruw. "Waarom kunt u zijn liefdesverklaringen dan niet aanhoren, juffrouw Griffel?"
"Lieve Hermelien" begon hij nogmaals, haar smeekbede te stoppen negerend. "Draco vertelde me over je… poging. Briljant als je idee was, had je dit niet op je eentje moeten proberen. HIJ, nochtans, is erg tevreden over je ijver. HIJ vertelde me zelf dat je, voor een modderbloedje, een indrukwekkende moed toont. Ik hoop echter wel dat die hersenloze idioten je niet te lang laten onderduiken."
Hij pauzeerde en zag dat ze zich van hem afgedraaid had, haar gezicht naar de haard gekeerd, haar beide handen op het ijzeren rooster dat om de haard stond rustend.
Zo, dus ze negeerde hem, hè? Hij was eerst van plan daar te stoppen, hij wilde haar de rest van de brief niet opdringen. Dit was verdomme zo walgelijk dat hij het niet eens hardop wilde zeggen! Maar haar stijve rug bespotte hem, daagde hem uit, en twee konden dit spelletje spelen.
"We bereiden iets speciaals voor, voor je terugkeer. Ik kan niet wachten tot je lichaam weer onder mij kronkelt, Hermelien. Je zult voor me kruipen, me smeken om meer, en ik zal manieren verzinnen om zelfs jouw grenzeloze lust voor pijn te overschrijden. Weet je nog, die keer met de zweep? Dat geknoopte stuk leer dat door je tedere huid beet, je gillen van lust? Ik zal je weer laten gillen, Hermelien! Ik zal je laten smeken om medelijden, je laten snikken van opluchting als ik je neem, je lichaam op elke mogelijke manier onteer…"
Hij stopte. Dit was te ver gegaan. Zelfs als ze van deze vuiligheid genoot, was ze onder zijn zorg, en hij zou niet op haar kinderachtige uitdaging gereageerd moeten hebben.
Maar ze bewoog nog steeds niet. Ze stond bij de haard, haar vuisten om de scherpe punten van de ijzeren staven geklemd, stijf en levenloos als een standbeeld. Er was iets mis met haar. Misschien voelde ze weer een aanval aankomen?
"Juffrouw Griffel?" vroeg hij koud. "Keer onmiddellijk terug naar uw bed."
Ze kromp ineen alsof zijn stem haar pijn deed.
"Juffrouw Griffel" herhaalde hij ongeduldig.
"Nee" fluisterde ze hees, de woorden bijna grommend. "Ik maak mezelf van kant voor je me weer aanraakt!"
Was ze nu totaal waanzinnig geworden? Geïrriteerd begon Sneep naar haar toe te lopen, maar stopte abrupt toen ze zich wild naar hem omdraaide. Bloed droop van haar handen; ze had de rand van het rooster zo stevig vastgegrepen dat het in haar palmen was gedreven en diepe, bloedende wonden veroorzaakt had. Maar het waren haar ogen die hem deden schrikken. De ogen van een waanzinnige, groot en donker in een gezicht dat verstoken was van alle kleur.
"Wat zei u, juffrouw Griffel?"
"Kom niet dichterbij, Lucius! Alsjeblieft, doe me geen pijn!"
Ze hallucineerde, begreep hij plotseling. Iets in de brief had haar zo aangegrepen dat het zo'n sterke reactie veroorzaakte. Hij vervloekte zijn eigen onvoorzichtigheid.
"Ik ben Lucius Malfidus niet, juffrouw Griffel. Ik ben Severus Sneep, je Toverdrankprofessor, en ik zal je geen pijn doen. Wees niet bang."
Maar waarom zou ze hem vrezen, zelfs als ze hem met Malfidus verwarde? Haar… haar minnaar zou haar zeker toch geen pijn doen, tenminste niet als ze dat niet wilde.
"Is dit een spel?" vroeg ze, steeds hysterischer klinkend. "Want ik wil het niet meespelen… Laat me die dingen niet nog eens doen… Laat me gaan… Alsjeblieft, Lucius, ik kan het niet! Doe me geen pijn!"
"Maar is dat niet precies wat je wil?" antwoordde hij bitter. Zijn geduld raakte op. "Dat hij je pijn doet?"
Ze gilde toen hij de afstand tussen hen sloot, en knielde neer met haar rug tegen de haard. De angst schudde haar magere lichaam.
"Nee!" paniekte ze. "Dat zou ik nooit willen…nooit meer! Waarom martel je me zo? Je zou zelfs een hond niet zo behandelen… ik ging er bijna aan onderdoor de vorige keer, had je dat niet door? Doe het niet, ik smeek het je, Lucius!"
"Kalmeer, juffrouw Griffel!" Haar agitatie maakte hem bang, en hij kon nog steeds die grote ogen hem bevreesd zien volgen, denkend dat hij Malfidus was, en bij elk van zijn bewegingen ineenkrimpend.
"Alles is in orde nu. Er is niets om bang voor te zijn. Ontspan je."
"Ik kan dat spel niet meer spelen! Het spijt me… Ik heb het geprobeerd… Ik weet dat ik sterker zou moeten zijn… Ik kan er niet meer tegen dat je me aanraakt! Alsjeblieft, wees niet kwaad op me!"
"Het is goed" probeerde hij haar te kalmeren. "Niemand zou je dat kwalijk nemen. Je hebt niets verkeerd gedaan."
"Maar ik heb hen gefaald" snikte ze. De laatste overblijfselen van realiteit verlieten haar, haar in haar eigen, persoonlijke hel achterlatend. "Ik moet ze levend door deze oorlog krijgen, maar ik ben te zwak! Ik heb ze gefaald! O God, ik heb ze allemaal gefaald! Ik ben niets meer dan een smerige hoer, en zelfs dat kan ik niet goed doen!"
Plotseling leek een idee de waanzinnige chaos van haar gedachten binnen te dringen en ze probeerde op te staan, half ondersteund door de haard.
"Maar je zult hen niets doen, toch Lucius?" fluisterde ze ademloos, angst en de behoefte te bedriegen vechtend om de overhand. "Ik kan heel lief zijn, Lucius. Ik kan je plezier schenken waar je nog nooit van gedroomd hebt!" De tranen stroomden over haar gezicht, maar ze merkte het niet eens. "Doe met mij wat je maar wilt, maar laat de anderen met rust, alsjeblieft!"
Horror overweldigde Severus toen haar trillende vingers uitreikten naar zijn gezicht, om hem onhandig te strelen, haar hele lichaam verwrongen in een grimas van verlangen. Hij deinsde terug van haar, nam zoveel afstand van haar als mogelijk was, en ze leek zijn aanwezigheid onmiddellijk te vergeten.
Ze gleed weer op de vloer, haar armen om de knieën die ze had opgetrokken tot haar borst. Zo schommelde ze heen en weer, in een hulpeloze poging zichzelf te kalmeren.
"Ik zal doen wat gedaan moet worden… Ik zal doen wat gedaan moet worden" fluisterde ze weer, nu compleet in zichzelf gekeerd.
Nog nooit in zijn leven had hij zich zo hulpeloos gevoeld, zelfs niet toen hij moest toekijken hoe de Heer van het Duister dreuzels martelde. Want zij martelde zichzelf vlak voor zijn ogen, zichzelf straffend voor iets wat hij niet kon begrijpen, en er was niets dat hij kon doen.
"Je bent dom" murmelde ze nu fel tegen zichzelf. "Je bent gewoon te dom! Domme kleine hoer, modderbloedje Hermelien!"
Tegen beter weten in, besloot Severus dit te stoppen. Hij kon het gewoon niet meer aanzien. Voorzichtig kwam hij dichterbij, centimeter voor centimeter, de ene langzame stap na de andere. Het kostte een eeuwigheid om de kamer over te steken, maar ze had hem, in haar paniek, niet eens in de gaten. Pas toen hij naast haar neerknielde, realiseerde ze zich dat hij er was en begon ze weer te gillen, de angstige, meelijwekkende gillen van een klein dier.
Hij nam haar bij de schouders voordat ze van hem kon wegkruipen, en begon haar zachtjes door elkaar te schudden.
"Juffrouw Griffel" riep hij. "Juffrouw Griffel, luister naar me."
Het leek geen enkel effect op haar te hebben, en haar paniek vermenigvuldigde zich alleen.
"Hermelien!" probeerde hij weer, hopend dat het gebruik van haar voornaam haar zou kalmeren. "Hermelien, ik ben het, Professor Sneep. Luister naar mijn stem! Niemand zal je kwaad doen, je bent hier veilig. Luister je naar me, Hermelien?"
Langzaam stopte ze met vechten en hief naar hoofd naar hem op. Haar gezicht was nog steeds een masker van pijn en angst, maar iets van rede was weer teruggekeerd in haar ogen en ze herkende hem. Tot zijn grote verbazing leek zijn aanblik haar onmiddellijk te kalmeren. Haar lippen bloedden van waar ze erop gebeten had. Ze probeerde iets te zeggen, maar haar stem was hees van het gillen en het kostte haar twee pogingen om zich verstaanbaar te maken.
"Pro…fessor Sneep" fluisterde ze. "Wat is er gebeurd?"
"Kunt u het zich niet herinneren, juffrouw Griffel?"
"Nee… u was me iets aan het vertellen, toch? En toen werd alles zwart. Het spijt me dat ik niet naar u luisterde, Professor" excuseerde ze zichzelf bezorgd.
"Ik denk dat ik daar deze keer geen afdelingspunten voor zal aftrekken" antwoordde hij droog. En, hoe schokkend ook, ze glimlachte daarbij. "U hallucineerde, juffrouw Griffel. U verwarde mij met iemand anders en raakte in paniek."
Angst trok weer over haar gezicht. "Zei ik iets?" vroeg ze.
Wat probeerde ze te verbergen, vroeg Severus zichzelf. Haar vrees voor Lucius Malfidus? Haar ware geest? Maar waarom had ze het hem dan niet verteld? En hoe pasten de beelden die hij in haar geest had gezien binnen dit plaatje? Een idee beving hem plotseling. Ze was immers de slimste heks die hij ooit had lesgegeven. Het was niet onmogelijk dat ze…
"Nee" antwoordde hij uiteindelijk, "niets verstaanbaars, in ieder geval." Maar nu moeten we u weer terug in bed krijgen. Het zou nu elk moment weer kunnen beginnen."
Ze knikte daarbij, en met zijn hulp kon ze opstaan en redde ze het tot haar bed. Als ze de zorg waarmee hij de dekens over haar uitspreidde, veel meer zorg dan hij haar de laatste dagen had getoond, al opmerkte, gaf ze er geen commentaar op.
"Er is iets wat ik u moet vertellen, Professor" murmelde ze, vechtend tegen de slaap die haar dreigde te overweldigen.
"Zeg het dan, juffrouw Griffel."
"Als het weer erg wordt… als ik begin te hallucineren, moet u mijn handen aan het bed binden."
Hij was met stomheid geslagen.
"Waarom, in vredesnaam, zou ik zoiets doen?" vroeg hij haar.
"Omdat ik stafloze magie kan uitoefenen" zei ze in een vermoeide fluistering. "Niet zoveel als u kunt, Professor, maar er zijn best veel spreuken die ik kan. Het zou te gevaarlijk zijn, voor u en voor mij, om me de controle over mijn handen te laten houden. Het is me nog niet zonder handen gelukt" legde ze uit. Zelfs in haar huidige staat leek dat haar te ergeren.
Severus moest een grijns onderdrukken. Een betweter tot het bittere einde, leek het. Al hoopte hij oprecht dat het niet haar einde zou zijn.
Maar ze had absoluut gelijk. Niet alleen kon haar ongecontroleerde magie schade en chaos veroorzaken, maar ze kon zichzelf ook doden als ze de magie op haar eigen lichaam gebruikte. De overblijfselen van Thanalos in haar bloed zouden de magie opnemen tot ze als een opgedroogd omhulsel achterbleef.
"Een waardevol advies" antwoordde hij neutraal. "Ik zal eraan denken. Slaap nu."
Ze knikte zwakjes, maar een vleugje paniek bereikte haar ogen weer toen hij zich omdraaide.
"Ga niet weg" fluisterde ze op indringende toon. "Alstublieft."
Haar ogen, donker van vermoeidheid, ontmoetten de zijne. "Waar bent u zo bang voor, juffrouw Griffel?" vroeg hij zachtjes. Hij ging op de rand van haar bed zitten.
"Ik ben niet bang" antwoordde ze met zo'n oprechte verrassing dat hij het voor echt zou hebben aangenomen, als hij haar niet een paar minuten geleden over de vloer had zien kruipen. God, ze was de beste leugenaar die hij ooit had gezien. "Ik wil nu gewoon niet alleen zijn."
Een uur geleden had hij hierop gereageerd met bijtende minachting. Nu knikte hij simpelweg.
"Ik ga nergens heen" antwoordde hij. "Ik ga alleen wat werk en een stoel halen, juffrouw Griffel."
Toen hij weer terugkwam, met een stapel opstellen die op nakijken wachtten, was ze al in een diepe, door nachtmerries geplaagde slaap gevallen.
"What fools we mortals be" – Wat een dwazen zijn wij stervelingen – uit Shakespeare's A Midsummer Night's Dream.
V/N:
Ik ben weer terug! Het spijt me dat het zo lang duurde, maar het is zoals het is… Tenzij ik meer reviews krijg! Maar de reviewers die ik heb wil ik graag bedanken, jullie zijn geweldig. Ga vooral door met reviewen, dan typ ik een stuk sneller. Het hoeft maar een woord of twee te zijn, en maar een seconde of twee te duren…
