Ik schrik op van de wekker en tuimel uit mijn bed. Met het grootste ochtend humeur ooit klop ik de wekker uit en val op de grond terug in slaap.
"Opstaan, Roxy! We gaan naar de zoo!" roept Jeroen die mijn kamer komt binnenstormen. Oja, de zoo! Ik spring recht en loop naar de badkamer. Ik poets mijn tanden, was mijn gezicht, lach naar mezelf en begin dan met de strijd tegen mijn haar om alle knopen eruit te krijgen. Na een tijdje geef ik het op en loop terug naar mijn kamer. Ik haal een korte broek uit de kast en een shirtje met korte; het is tenslotte nog zeven dagen zomervakantie. Ik ren naar beneden en mijn gouden medaillon bengeld aan mijn nek goed in het zicht van alles en iedereen. Ik huppel de keuken in waar ik Jeroen tegen mijn vader hoor roepen: "Laat je het weer onze uitstap verpesten?é vraag hij ongelovig. Pa slaat zijn ogen neer en knikt zacht. Jeroen loopt naar de woonkamer en ik hoor hem kwaad in de stoel vallen. Mijn ouders kijken me schuldig aan als ik naar de raam van de tuin loop. Het regent inderdaad pijpenstelen en om de zeven seconde is er een luide knal te horen en lichtflits te zien. Ik zucht diep ; Ik wou dat ze zon scheen vandaag, wens ik diep in mezelf.
In geen tijd verdwijnen de wolken en komen er felle zonnestralen door de raam op mijn gezicht geschenen. Ik sta met mijn mond vol tanden naar buiten te kijken als de bel gaat.
"Ik ga wel." Bromt Jeroen en hij loopt naar de gang.
Ik haar Jeroen gillen en hij loopt snel de keuken in en kruipt onder de keukentafel. "Er, er zit een reus in huis." Bibbert hij. Ik kijk op van de tuin en de zon en zie een grote man pogingen doen om de keuken binnen te komen.
"Tjonge, tjonge, wat een weer." Zegt hij en hij legt zijn natte roze paraplu op het aanrecht. "Dankje om het weer te veranderen." Zegt hij in mijn richting. Ik kijk hem verbaast aan. Wat zei hij nu juist?
"Tjonge, tjonge," zegt de reus en hij neemt plaats op mijn stoel, die na vandaag waarschijnlijk geen stoel meer zal zijn. "Je hebt ze al goed onder controle." Zegt hij en hij klikt goedkeurend. Dan opeens begint hij te lachen. "Haha, ik weet nog, de dag dat ik je naar hier bracht ; het regende niet, maar ik nam je op mijn motor en opeen begon het te donderen en te bliksemen." Lacht hij. Als hij uit zijn lachbui is kijkt hij me aan en een paar tranen bengelen aan zijn ogen. "Je lijkt echt sprekend op haar. Van kop tot teen hetzelfde." Huilt hij. Rustig loop ik naar de reus toe.
"Op wie lijk ik?" vraag ik zacht. De reus hikte: "Op je moeder natuurlijk." Riep hij. Ik keek verbaast naar de vrouw achter het fornuis. Blonde haren, bruine ogen, dikke wenkbrauwen, dikke, volle lippen. Ik zie echt geen gelijkenissen tussen ons. De reus volgde mijn blik en sprong woest op.
"Hebben jullie het haar niet verteld?" bulderde hij. "Hebben jullie het haar niet verteld?" vroeg hij weer. Mijn vader en moeder schudde bang hun hoofd. De reus zijn kaken werden langzaamaan rood en hij zuchtte diep. Ik stak zijn hand in de zak van zijn jas van mollenvel en hij nam er een grote goudbruine envelop uit die hij aan me gaf. Voorzichtig nam ik de brief aan en bekeek de envelop. Vooraan op de envelop stond in krullige paarse inkt:

Mejuffrouw M. Gryffindor
De Keuken aan het Raam
Singlelaan 15
Cowley
Oxford

"Wie is M. Gryffindor?" vraag ik verbaast. De reus zijn mond valt zowaar open van verbazing. "Dat ben jij, Miley. Miley Gryffindor." Stamelt hij.