Ah... hier maakt hij niet meer de automatische (dubbele) enters...
Nogmaals bedankt voor de reviews!
HOOFDSTUK 3
Herinneringen
Tranen rolden over mijn wangen terwijl ik door de spullen ging waar zoveel herinneringen aan zaten. Alles begon langzaam terug te komen. Het leven wat ik nooit meer zou hebben. Mijn ouders, mijn zus, mijn familie, mijn vriendinnen. Ze waren er allemaal niet meer. Er waren natuurlijk nog een hoop mensen die ik kende die nog wel leefden, maar zonder mijn vrienden en familie kon ik niet terug.
Ik kan beter hier een nieuw leven opbouwen, dacht ik en legde de twee foto's waar ik een tijdje naar had zitten staren terug in de kist legde, bovenop wat kleren. Niet alle kleren waren dus verloren gegaan.
Sneep had me naar zijn kantoor gebracht samen met de drie kisten die alles bevatten wat gespaard was door het vuur.
Vreemd dat ik me niets van een brand of iets kan herinneren, dacht ik. dMaar Perkamentus had gezegd dat het allemaal wel weer terug zou komen.
Ik liep door het kantoortje en bekeek de inhoud van alle potten. Ik verbaasde mezelf dat ik niet gruwelde bij het zien van een oog op sterk water, maar dat ik vrij geïnteresseerd was. Ik schrok van het openen van de deur achter me en draaide me snel om. Hij keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan.
"Ben je klaar met het bewonderen van mijn collectie?" vroeg hij hatelijk.
Ik glimlachte maar wat en haalde mijn schouders op.
"Volg me," zei hij en met een zweefspreuk nam hij de drie kisten mee.
We liepen door de donkere gangen van de kerkers en Sneep stopte voor een blanke muur. Het was blijkbaar de ingang van de leerlingenkamer, want Sneep zei "Kronkelende pracht" en de muur schoof opzij. We liepen de leerlingen kamer en tientallen kinderen, variëren van leeftijd tussen de tien en achttien jaar keken ons aan vanuit stoelen en banken.
Ik ben dus lekker een van de oudste, dacht ik met een inwendige glimlach. De aandacht maakte me wel wat verlegen en ik stond wat verloren een halve stap achter Sneep.
"We hebben het plezier om een nieuwe leerlinge in onze afdeling te verwelkomen," zei hij sarcastisch. "Dit is juffrouw Samantha Sanders."
"Is dat niet die dreuzel die vier maanden in de ziekenzaal heeft gelegen?" vroeg een jongen en met afgrijzen in zijn stem vervolgde hij: "Wat doet ze in hemelsnaam in Zwadderich? Ze verpest onze goede naam."
Ik keek de jongen woedend aan en herkende hem meteen.
"Met jou in deze afdeling, Malfidus, is de 'goede naam' van jullie afdeling zo grondig verpest dat het onmogelijk voor mij is om hem nog verder naar beneden te halen." Zei ik kalm, verbazend dat ik ondanks mijn verlegenheid zoiets kon zeggen.
Er heeste een doodse stilte in de leerlingenkamer terwijl Draco Malfidus en ik elkaar aankeken. De een woedend en gekwetst, de ander kalm en zelfverzekerd. Ik was niet van plan me op mijn kop te laten zitten door zo'n arrogante knul. Sneep verbrak de spanning door aan te lopen en met nog een laatste vernietigende blik op zijn handlangers Korzel en Kwast volgde ik Sneep de trap op. We passeerden de slaapzalen van de eerstejaars en klommen helemaal naar boven tot we een deur bereikten met een zilveren naamplaatje waarop stond 'Samantha Sanders'. Ik glimlachte toen ik het zag.
"Een kamer helemaal voor mezelf," mompelde ik en volgde Sneep de kamer binnen.
Vol verbazing keek ik om me heen. Ik had niet verwacht dat de kamer zo groot zou zijn. De kamer was achthoekig en in de kleuren van Zwadderich. Er lag een groot donkergroen kleed met een zwarte slang middenin de kamer op het donkere parket. Een grote staande klok liet weten dat het twaalf uur was. Het hemelbed was net als de klerenkast, het bureau en de boekenkast van zwart hout en had zware groenzwarte gordijnen. Dat de kamer door al die donkere kleuren niet donker en kil was, kwam door het feit dat er een groot raam was dat uitkeek over het grasveld rond Zweinstein en het Verboden Bos. Ook een groot haardvuur, knapperend in een zwart marmeren schouw met twee zware zwartleren stoelen ervoor, zorgde voor licht. Het was prachtig, maar ik vroeg me af of alle andere leerlingen ook zo'n soort kamer hadden.
"Is dit niet meer een kamer voor een leraar?" vroeg ik nog onder de indruk van de grote kamer.
Sneep liet de drie kisten op het grote kleed landen.
"Ik dacht dat het wel iets uitgebreider mocht zijn," zei hij zuur. "Je hebt immers geen ander thuis meer en hebt daarom veel meer spullen bij dan de gemiddelde leerling."
Ik schrok van de kilte in zijn stem. Hij had blijkbaar het idee dat ik het niet mooi vond.
"Oh, o nee, maarre, ik… ik vind het prachtig," zei ik stamelend.
Hij leek niet overtuigt en ik begon te lachen.
"Echt waar! Je dacht toch echt niet dat ik in staat was zoiets gewoon niet mooi te vinden?"
Hij trok zijn wenkbrauwen op, maar zei niets.
"Je hebt ook een eigen badkamer," zei hij na een korte pauze en wees op een deur die ik nog niet gezien had.
"Echt?" vroeg ik verwondert.
"Wow, prachtig!" riep ik bewonderend terwijl ik het grootste bad bekeek dat ik ooit had gezien. Het zwarte oppervlak glom oogverblindend en ik vroeg mezelf af of ik in staat was zoiets moois als bad te gebruiken. Er stond gelukkig ook een douchecabine in de met donkergroene tegels bedekte badkamer die goed paste bij de grote spiegel met zilveren frame. Het thema van het kleed in de kamer kwam terug in de lijst en ik bewonderde de perfectie van de kronkelende slangen. "Ik… ik sta versteld," zei ik verbluft tegen Sneep en liep de kamer weer in. "Ik weet niet wat ik moet zeggen."
"Geen dank," zei die kortaf. "Het is mijn plicht om je hier thuis te laten voelen."
Ik lachte. "Als je dacht dat het er thuis ook zo geweldig uit zag heb je het helemaal mis, maar ik waardeer je poging."
Met die opmerking lukte het me om een kleine glimlach bij hem te produceren en ik grijnsde. De stilte die volgde werd opgevuld door een luid gerommel van mijn buik, die smeekte om gevoed te worden. Ik keek met een verontschuldigende blik naar Sneep.
"Ik heb nog niet gegeten."
"Dat weet ik," antwoordde die en liep naar het haardvuur. Hij haalde wat poeder uit zijn zak en strooide het in het vuur. Ik zette angstig enkele stappen achteruit toen de vlammen begonnen te razen en fel groen kleurde. Een huiself stapte tot mijn verbazing uit de het vuur en richtte zich tot Sneep.
"U wenst, meester?"
"Zeg maar wat je wilt," zei die tegen mij.
Ik keek hem verbaasd aan. "Maakt niet uit wat?" vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd en ik dacht even diep na.
"Dan wil ik… een hargekookt ei, een snee wit brood en een croissantje," zei ik tegen de huiself.
"Een kippenei, juffrouw?" vroeg die.
"Hebben jullie nog andere dan?" vroeg ik vol verbazing.
"Jazeker. We hebben ook struisvogeleieren, fwoepereieren, augureieieren…" Begon de huiself.
"Gewoon kippenei, dankje," zei ik snel.
"Nog iets te drinken, juffrouw?"
"Een glas eh… wat drinken jullie hier gewoonlijk?" vroeg ik aan Sneep.
"Ik weet niet waar je het over hebt."
"Nou, bij ons, ik bedoel dreuzels, drinken sinasappelsap bij het ontbijt, maar ik geloof dat jullie een ander soort sap drinken," legde ik uit.
"Als je sinasappelsap wilt kun je dat ook gewoon vragen," zei die kortaf.
"Ja, maar ik wil die sap die jullie drinken eens proberen," zei ik geïrriteerd.
"Het is pompoensap," zei die humeurig.
"Hèhè. Dank je," zei ik kribbig en richtte me glimlachend weer tot de huiself. "Ik zou graag een glas pompoensap hebben en een kop thee met twee suikerklontjes."
De huiself glimlachte.
"Komt eraan, juffrouw," zei die en vertrok weer door het haardvuur.
Ik huiverde. Dat vuur stond me niet aan.
"Hebt u al gegeten?" vroeg ik aan professor Sneep.
Hij keek me aan zonder antwoorden. Er viel een ongemakkelijke stilte en om maar iets te doen verschoof ik een van de zware stoelen een eind van het vuur af en ging zitten in de tot mijn verbazing zachte kussens. Sneep scheen mijn bezigheid met verbazing te observeren, maar zei nog steeds niets.
"Ehm… U mag wel gaan zitten, professor," zei ik aarzelend en wees naar de andere stoel die nu een heel eind van me vandaan stond.
"Nee, dat is niet nodig," zei hij en bleef staan.
Koppig, acht ik.
"Ik moet zo weer gaan. Je wordt vanavond om zeven uur verwacht bij het diner. Je wordt dan voorgesteld aan de rest van de school. Meld je morgenvroeg om acht uur bij mijn kantoor, dan gaan we je schoolspullen kopen."
Ik knikte en hij vertrok. Meteen daarna verscheen de huiself weer met een groot dienblad met wat ik had besteld. Ik bedankte hem en hij vertrok weer.
Ik mis iets, dacht ik terwijl ik op mijn croissantje kauw. Muziek. Thuis stond altijd de radio aan terwijl we aan het eten waren. Maar muziek betekent meer voor me dan alleen de radio tijdens het eten.
Ik herinnerde me iets en zette mijn eten aan de kant. Terwijl ik naar de kist liep waarvan ik wist dat daar de foto's in zaten, zei een stemmetje in mijn achterhoofd dat ik dat beter niet kan doen, wetend dat het alleen maar meer pijn zou doen.
Ik rommelde door de kleine stapel fotoboeken, op zoek naar iets wat ik niet precies wist, maar als ik het zou zien, zou ik weten dat dat het was. Toen zag ik het. Langzaam pakte ik een zilveren plakboek van de stapel. Het gezicht van Suzan lachte me toe vanaf een krantenknipsel. Ik glimlachte van de herinneringen die bij me opkwamen.
Ik speelde piano. Samen met Suzan componeerde ik liedjes. Zij schreef de tekst, ik de muziek. Maar ik speelde niet alleen piano, ik zong ook. We zongen tweestemmig en het was een succes. Onze stemmen pasten perfect bij elkaar en onze liedjes werden goed ontvangen door het publiek van de open podia waar we speelden. Suzan en ik droomden ervan beroemd te worden.
Een kille hand klemde om mijn hart. Dat was nu voorbij. Suzan was er niet meer en we zouden nooit meer samen muziek maken. Nooit meer samen zingen. Hoe zou ik in 's hemels naam nog iemand kunnen vinden die zo goed bij me zou passen. Een traan liep over mijn wang. Snel legde ik het plakboek weg en nam een grote slok pompoensap, sloot mijn ogen en haalde diep adem.
Het heeft geen zin om te huilen, het zal me alleen maar uitputten. Dacht ik en ik liep naar de badkamer. Een heet bad zal me goed doen. Terwijl het bad volliep kleedde ik me uit. Ik kon het niet laten om even in de spiegel te kijken naar mijn lichaam. Ik was erg vermagerd in de tijd dat ik in de ziekenboeg gelegen had, maar ik had een mooi figuur. Ik wist nog dat ik toen niet tevreden was met mijn lichaam, ik sportte te weinig en at teveel. Een andere herinnering kwam bij me boven: paardrijden.
Ik heb zeven jaar paardgereden. Dacht ik en met die gedachte kwam nog een ander gezicht bij me bovendrijven terwijl ik in het bad stapte.
Krijntje.
Krijntje was mijn vriendin die ik het langst kende. We waren 14 jaar vriendinnen geweest. Bij haar thuis hadden ze paarden en ik ging wel eens mee buiten rijden. Ik sloot mijn ogen en dacht aan het paardrijden. Ik beeldde me in dat ik aan het galopperen was door het bos dat overging in heide. De zon scheen lekker warm op mijn hoofd en een koele bries waaide door mijn haren. Toen hoorde ik iets achter me, een ander paard.
Dat zal Krijn wel zijn, dacht ik, maar keek toch om.
Het was Krijntje niet. Achter me rende een prachtig, zwart paard, met iemand op zijn rug, een zwarte gedaante. Ik keek wat beter en zag dat het professor Sneep was. Ik zwaaide vriendelijk naar hem.
Plotseling verduisterde de lucht en ik keek naar de zon, verwachtend dat er een wolk voor zou zijn geschoven, maar ik zag dat er in plaats van een zon, er een groot zwart gat was. Geschrokken keek ik achter me, om Sneep erop te wijzen, maar toen schrok ik nog erger en spoorde mijn paard aan. Het prachtige zwarte paard was veranderd. Niet alleen waren zijn ogen nu rood en stond het schuim in zijn bek, maar in plaats van Sneep, zat er een in een zwarte cape gehulde gedaante op, met een angstaanjagend wit masker op.
Ik keek nog een keer om en opeens was ik aan het rennen. Ik rende voor mijn leven, want de hei langs me vloog in brand, alles stond in brand. Ik moest stoppen, want ik was ingesloten door het vuur. Vlug draaide ik me om, om de in zwart gehulde gedaante op me af te zien lopen, zijn toverstaf op mij gericht. Een spreuk kwam op me af razen en ik probeerde aan de kant te springen, maar de touwen waarmee ik aan een stoel was gebonden hielden me op mijn plaats.
Toen schrok ik wakker. Het water klotste over de rand terwijl ik me vast probeerde te grijpen aan de rand van het bad. Ik ging rechtop zitten met een hart dat uit mijn borst leek te springen en probeerde tot rust te komen.
"Een droom, een droom, alleen maar een droom." Sprak ik mezelf kalmerend toe. Ik keek naar de magische klok boven de deur. Het was vier uur. Nog tijd zat. Met een zucht leunde ik weer naar achter, maar bedacht me. Ik klom uit bad en begon me af te drogen en aan te kleden. Ik zag dat er in een beker naast de wasbak een tandenborstel en tandpasta en ik begon mijn tanden te poetsen. Toen ik klaar was keek ik in de spiegel.
Eigenlijk heb ik wat make-up nodig, dacht ik en ik liep naar de kisten die nog midden in mijn kamer stonden, onuitgepakt.
Ik kan ze beter meteen helemaal uit pakken, dacht ik terwijl ik er een opende.
De kist die ik opende, was de kist met foto's en boeken, schilderijen en papieren. Ik haalde de kist leeg en zette de boeken zorgvuldig weg in de grote, donkere boekenkast. Ik lette erop om kinderboeken niet langs literatuur te zetten en literatuur niet langs fantasieboeken.
Er waren boeken van mij bij, als 'De Griezelbus' en 'Magiër', maar ook boeken van mijn ouders, zoals 'Geisha'. De fotoboeken kwamen op de onderste plank en de ruimte die daar over was vulde ik met strips van 'Suske en Wiske' en 'Kuifje'.
Terwijl ik zo bezig was, kwamen er allerlei gevoelens en herinneringen boven, bijvoorbeeld dat Inge helemaal gek was van 'Lord of the Rings' en dat Suzan helemaal niet van lezen hield, maar ik drukte ze weg.
Toen kwam ik aan de stapel met losse foto's. Ik legde ze op mijn bureau, maar kon het niet laten om er even naar te kijken. Dat had ik beter niet kunnen doen. Met de stapel foto's in mijn hand plofte ik op de grond neer, verslagen. De bovenste foto was een familiekiekje. Vakantie in Kroatië. Op een boot in een blauwe zee lachte ik, mijn vader, mijn moeder, mijn zus en haar vriend vrolijk in de camera.
Ik kon het niet meer. Golven van misselijkheid raasden door mijn lichaam. Snel rende ik naar de badkamer en gaf over boven de wc. Tranen stroomden over mijn wangen en ik snikte als een bezetene. Met de foto's nog in mijn hand perste ik me in een hoekje van de badkamer, me zo klein mogelijk makend. Hopend dat de pijn over zou gaan.
Maar dat gebeurde niet. Integendeel. Ik kneep mijn ogen samen. De beelden in mijn hoofd probeerde ik buiten te sluiten, maar dat ging niet. De gedachten schoten door mijn hoofd als kogels uit een geweer. BAM. Ik zag Krijntje lachend bovenop het paard toen ze me een keer kwam ophalen van school. BAM. Ik zag Krijntje in een vreemde houding, hangend in een stoel, dood. BAM. Ik zag Suzan zingend op het podium. BAM. Ik zag Suzan ineen gezakt op de grond, dood.
Ik hield het niet meer uit. Ik gilde, ik gilde de longen uit mijn lijf om maar niet aan al die gezichten te denken. BAM. Ik zag mijn zus Sara zeggen dat ik moet lachen voor de foto. BAM. Ik zag Sara zittend tegen de muur met gescheurde kleding, Mark haar vriend langs haar, beide dood.
Ik gilde, ik gilde en gilde en gilde. Sloeg met mijn handen tegen mijn hoofd, kronkelde van verdriet en pijn over de grond tot ik een hand op mijn schouder voelde. Een hand die iets in mijn opengesperde mond goot.
Een drankje. Zei mijn gezonde verstand voordat ik erin stikte. Ik voelde hoe de kalmerende vloeistof door mijn lichaam trok en mijn verkrampte ledematen tot rust dwongen. De handen hadden mij beschermend tegen een lichaam getrokken en snikkend greep ik me aan de donkere stof van de kleding vast. Zo bleven we zitten tot ik helemaal tot rust was gekomen. Ik voelde hoe ik op werd getild en op mijn bed werd gelegd. Ik rolde op mijn buik en greep het kussen vast. Zo viel ik in slaap.
