HOOFDSTUK 23
Katers en stiltes


Die avond genoot ik een lekker glaasje wijn in de docentenkamer samen met professors Anderling, Hooch en Stronk.

Ik was even gedachten verzonken terwijl mijn leraren ergens over aan het discussiëren waren. Plots wist ik het antwoord op al mijn vragen. Het was zo simpel.

'Ik doe het voor mijn ouders. Voor mijn hele familie. Voor al mijn vrienden.' Dacht ik en staarde uit het raam naar de miljoenen sterren in de zwarte lucht boven het meer. 'Ik zal sterven om hen te wreken.'

"En jij Samantha?" Vroeg Stronk opeens en ik schrok op uit mijn gedachten.

"Zo te zien is ze schuldig." Lachte Hooch.

"Goed, ik heb geen keus, ik beken." Zei ik en ze keken me bevreemd aan. "Ik heb de sokken van Sneep roze geverfd!"

En ik keek heel erg schuldig terwijl de drie dames het even lieten bezinken en toen samen met ze helemaal dubbel van het lachen lagen.

"Ik zie dat gezicht van Sneep al voor me wanneer hij de lade opendoet en alleen maar roze ziet!" Giechelde Stronk.

"Heb je dat echt gedaan?" Vroeg Anderling met grote ogen.

"Nee joh." Zei ik met een scheve glimlach.

"Niet dat ik het érg zou vinden." Zei ze afwerend. "Die man zou eens wat meer kleur moeten dragen."

Er snoof iemand luidruchtig en een duistere gestalte verliet de docentenkamer. We keken elkaar even aan en probeerden de opkomende giechelbui te onderdrukken. Maar we hadden teveel wijn gehad en het onvermijdelijke gebeurde.

Volgens mij kon professor Zwamdrift ons in haar toren horen lachen terwijl we de ene vreemde kleuren- en klerencombinatie na de andere verzonnen voor professor Sneep of Sev, zoals we hem noemde na nog een fles wijn.

"Volgens mij zie jij hem wel zitten." Zei Anderling plots serieus met twinkelende ogen.

De docentenkamer was verder leeg. Het was ook al half drie 's nachts, maar wij hadden het niet in de gaten. De vierde fles wijn was al bijna op.

"Wie ik?" Zei ik gespeeld geschrokken.

"Ja, jij ja." Zei Hooch met een beschuldigende vinger. "Wat doe jij anders de hele dag bij hem in zijn lokaal."

Ik keek haar even met grote ogen aan en begon toen te proesten. De vijfde fles wijn werd aangebroken.

"Ik zie het al helemaal voor me!" Zei ik en stikte bijna in de woorden, terwijl ik me nog een keer liet inschenken.

Toen trok ik een heel serieus gezicht en zei met een zwoele stem: "O professor Sneep, u bent zo onweerstaanbaar met uw glanzende, vettige haren, uw prachtige kromme neus en uw modderzwarte ogen! Ik hou van u!"

We lagen weer helemaal dubbel. Iemand kuchte en ik keek geschrokken op. Iedereen was meteen stil. Het was me niet opgevallen dat er iemand de docentenkamer binnen was gekomen en nu keek ik in de ogen die ik net had beschreven als modderzwart. De woede erin was onbeschrijfelijk. Ze waren nog zwarter dan ik me kon herinneren. Een verlammend schuldgevoel kwam bij me omhoog en ik kreeg een brok in mijn keel.

"Volgens mij hoort er een léérling al lang in bed liggen." Zei hij met vlammende ogen die mij niet verlieten, ik sloeg mijn ogen neer.

"Ach kom, Severus. Ze is al achttien." Verdedigde Hooch.

"Maar nog steeds een leerling." Snauwde hij en trok me omhoog aan mijn pols.

Zonder verder een woord sleurde hij me de docentenkamer uit, de lange gangen door naar de kerkers en gooide me letterlijk mijn kamer in.

Nu was ik degene die woedend was. Voordat hij de kamer kon verlaten rende ik hem voorbij en smeet de deur voor zijn neus dicht. Ik was in één klap weer nuchter geworden.

"Je had geen recht om dat te doen! Zoals je zei ben ik nog steeds een leerling." Riep ik en prikte met een vinger in zijn borst.

Toen keek ik in zijn ogen en daar zag ik pijn. Dat was nog erger dan een klap in mijn gezicht en geschrokken zette ik een stap achteruit. Ik had woede verwacht. Razernij en verachting. Maar pijn?

Met grote ogen bleef ik kijken. Zijn ogen werden weer neutraal, zoals ik ze kende, sarcastisch, afkeurend, maar nog steeds met de onderliggende hint van pijn en zo bleef hij me aankijken. Woorden van spijt en schuldbekenning tuimelden door mijn hoofd, maar ik durfde ze niet uit te spreken.

Niets wat ik kon zeggen zou het goed kunnen maken. Ik wist hoe het voelde als er iemand zo achter je rug over je sprak en toch had ik het nu zelf gedaan. Ik had beter kunnen weten.

Zonder nog een woord verliet hij de kamer. Ik hield hem niet tegen en bleef staan met hangende schouders en tranen die over mijn wangen gleden. Ik keek naar de piano.

'Kwam die van hem…?'

Ik was helemaal overstuur en kon niet slapen. Ik liep terug naar de docentenkamer en pakte de fles wijn die daar nog stond en waar nog nauwelijks iets van was gedronken. Blijkbaar waren de anderen ook meteen vertrokken nadat Sneep was gekomen. Ik nam een grote teug wijn en voelde de alcohol tot mijn tevredenheid meteen aanslaan. Nog een teug en ik waggelde de docentenkamer uit, richting het Verboden Bos.


"……… alcohol haar warm gehouden." Klonk er een stem.

Nee, hij dreunde in mijn hoofd en ik kreunde. Ik herinnerde wat er de vorige avond gebeurd was en ik draaide me op mijn buik. Daar had ik meteen spijt van.

Ik opende mijn ogen in paniek, zag gelukkig een emmer staan en gaf over.

"Wie heeft haar binnen gebracht?" Vroeg iemand vanachter een wit scherm.

"Professor Sneep." Antwoordde iemand anders.

"Waar is hij nu?" Vroeg de eerste stem weer en ik herkende nu de stem van Perkamentus. De tweede stem moest Madam Plijster zijn.

"Hij is meteen vertrokken toen hij haar hier neerlegde."

Er kwam een veelzeggende stilte.

Perkamentus kwam in zicht. Ik knipperde tegen het felle licht. Mijn hoofd barstte bijna uit elkaar.

'Fijn. Een kater.' Dacht ik en meteen: 'Eigen schuld.'

Hij ging op de rand van het bed zitten.

"En wil je me vertellen wat er is gebeurd?" Vroeg hij, niet streng, niet bezorgd, gewoon neutraal.

Ik schudde mijn hoofd.

"Je laat me geen keus dan je straf te geven." Zei hij.

Ik haalde mijn schouders op.

"Ik verdien het." Mompelde ik.

"De rest van de vakantie moet je professor Sneep assisteren bij het maken van de benodigde dranken voor de Ziekenzaal." Ik keek hem verschrikt aan.

"Nee professor! Geef u me alstublieft een ander straf!" Zei ik verschrikt. Ik was van plan geweest Sneep de rest van de vakantie zo veel mogelijk te ontwijken.

"Laat me alstublieft het kasteel schoonmaken, decoreren, het gras maaien, het maakt me niet uit wat voor rotklussen!" Smeekte ik. "Maar niet in de buurt van Sneep!"

Hij keek me streng aan.

"Problemen gaan niet weg door ze te ontwijken. Dat moet jij nu zo ongeveer wel weten." Zei hij en vertrok, mij wanhopig achterlatend. "Hij verwacht je vanavond om zes uur precies."

'Hoe kan ik Sneep nu nog onder ogen komen?'

Madam Plijster kwam met een anti-katerdrank en ik dronk het dankbaar.


Hij stond me inderdaad op te wachten. Armen gekruist en zijn ogen op onweer.

Ik durfde hem niet aan te kijken. Ik voelde me nog steeds schuldig. Daar had de wijn niets aan veranderd. Het enige wat de wijn had gedaan is dat ik niet wist wat er in het Verboden Bos was gebeurd.

'Sneep had me gevonden en ik heb geen idee wat ik tegen hem heb gezegd.' Dacht ik.

Hij zette me zonder woorden aan het werk.

De dagen die volgde waren allemaal hetzelfde. Als een drank klaar was bladerde hij naar een andere drank en moest ik die maken.

Er kwam geen woord over zijn lippen. Ik wist niet of het goed was wat ik deed, maar ik deed het maar en de dranken werden steeds ingewikkelder. Sommige dranken maakte we samen. Zonder een woord, maar toch voelde ik de afkeuring die van hem uitging.

Hij wachtte op een verontschuldiging, maar ik wist niet hoe. Er was geen verklaring. Ik kon de wijn de schuld geven, maar hij wist, en ik wist dat je zoiets nooit je oordeel moest laten beïnvloeden.


Het werd dinsdag.

De dromen waren verandert. Ik stond op een rots middenin een oceaan van vuur dat steeds meer van mijn rots afhaalde.

Een feniks riep: "Geef het op! Het lukt je toch nooit!"

"Het moet!" Riep ik. "Het moet voor mijn ouders!"

De rots werd steeds kleiner, maar elke keer als ik riep voor wie ik het deed, week het vuur een beetje, maar de gang kwam steeds terug.

Morgen was het feest en ik durfde niet om toestemming te vragen om naar Evelien te gaan aan Sneep. Perkamentus had me al duidelijk gemaakt dat híj me niet wilde helpen. Dus ik stond met mijn hoofd boven een dampende ketel terwijl er allerlei scenario's door mijn hoofd speelde hoe ik het hem zou kunnen vragen.

Maar de ene leek nog gekker dan de andere. Met de weinig slaap die ik kreeg, gecombineerd met de bedwelmende dampen en de stress lette ik niet genoeg op mijn drank en het onvermijdelijke gebeurde: de ketel smolt.

De drank gutste over de vloer. Ik gilde en sprong achteruit.

Ik keek naar Sneep. Geen woord verliet zijn lippen. Hij pakte zijn spullen bij elkaar en zwaaide een keer met zijn toverstaf. Schoonmaakspullen verschenen. Ik keek hem aan met grote ogen.

'Waarom zwaait hij niet een keer met zijn staf en laat de hele boel verdwijnen.'

Een spottende glimlach verscheen en hij verliet het lokaal.

Ik vloekte en schopte een keer tegen de emmer die het lokaal rond vloog.

Vermoeidheid sloeg toe en ik ging op een stoel zitten met mijn hoofd in mijn handen.

Tranen van frustratie kwamen in mijn ogen, maar ik veegde ze weg en stond op. Het werd even zwart voor mijn ogen en het begon me te duizelen, maar het maakte me niets meer uit.

Ik pakte de emmer, vulde hem met water en sop en begon te boenen, op handen en knieën. Even later kwam Sneep binnen en keek terwijl ik de laatste restjes opdeed.

Ik gooide de spons in de emmer, pakte de emmer en ik stond op. Het werd weer helemaal zwart voor mijn ogen.

De emmer viel uit mijn krachteloze handen en ik viel.


"Je had het moeten zeggen toen het teveel werd." Zei Sneep en ik hoorde een hint van bezorgdheid, maar zijn ogen bleven onleesbaar.

Toch een kleine verovering voor mij en een mondhoek ging omhoog.

"Het was niet teveel, zei ik toch." Antwoordde ik. "Ik ben alleen moe."

"Dan ga je nu naar je kamer en rust je uit. Morgen zie ik je dan om tien uur in plaats van zeven."

"Als ik morgen ook de hele dag moet werken, ben ik veel te moe voor het feest!" Zei ik verontwaardigd.

"Dan kom je morgen niet!" Riep hij plots woedend. "En neem de rest van de week ook maar vrij. Ik heb je niet nodig. Je maakt toch alleen maar troep!"

Dat was de druppel.

'Loop ik me hier de hele week uit te sloven. Als het niet goed was, had hij het moeten zeggen.'

"FIJN!" Gilde ik en sloot de deur van zijn kantoor met een klap.

'Nu kan ik wel naar Evelien.' Dacht ik om me toch nog goed te voelen en ik liep meteen naar de Uilenvleugel om haar te uilen.


'Zorg dat je morgen om twaalf uur bij de Lekke Ketel in de Wegisweg bent.' was het korte bericht dat ik meteen terug kreeg en ik ging weer naar Perkamentus.

"Weet Sneep dat je naar Evelien gaat?" Vroeg die.

Ik haalde mijn schouders op.

Hij zuchtte.

"Goed. Ik zie dat de communicatie tussen jullie nog niet helemaal vlot loopt, maar dat je vrij hebt gekregen is al heel wat."

'Ik zal maar niet zeggen op wat voor manier dat is gegaan.' Dacht ik schuldbewust, maar keek Perkamentus niet aan.

"Ik geef je wat brandstof. Je kunt morgen je eigen haardvuur gebruiken om erheen te gaan." Zei hij en gaf me een potje. "Maar voordat je gaat, wil ik dat je eerst aan de barkeeper vraagt of ze er al zijn. Ik wil niet dat je daar alleen rondzwerft."

Ik knikte glimlachend.

"Dank u wel, professor." Zei ik dankbaar en ging naar mijn kamer.
Tot mijn verbazing stond er een dozijn dromeloze-slaapdrankjes op mijn nachttafel, met een briefje erbij.

'Beschouw dit maar als een verlaat kerstcadeau.' Stond er.

'Was die piano dan toch niet van hem?' Vroeg ik mezelf verbaasd af terwijl ik naar de piano keek.

Ik snapte er niets meer van.


review review review review! Die houden me aan het schrijven en nu komt er een drukke periode aan, dus heb ik extra extra stimulans nodig!