Hoofdstuk 53
Het fenikslied
Achter het masker van een Dooddoener bekeken twee duistere ogen de verandering in Samantha Sanders. Iemand die haar niet zo goed kende als hij zou de uiterlijke veranderingen misschien gemist hebben, maar zelfs Voldemort was even onder de indruk van Samantha's houding. Dit was Samantha niet. Ergens voelde hij een steek van verdriet. Alweer was ze weg. Het leek zo lang geleden dat hij de echte Samantha gezien had, zo lang dat hij Ivy's manieren zag en nu weer. Echter nu waren de veranderingen duidelijker te zien. Haar normaal zo mooie groene ogen – de ogen die altijd recht in zijn ziel leken te kijken – leken nu rood te gloeien en ze stapte zo sierlijk naar voren, dat het leek alsof haar voeten nauwelijks de grond raakten. Voldemort bekeek haar geïntrigeerd. Hij leek haar acties af te wachten voor hij in de aanval ging, zijn stafarm slap langs zijn lichaam hangend.
"Dit is geen ruimte om te duelleren," zei Samantha op een beslissende toon nadat ze Voldemort diep in zijn ogen had gekeken. Ze zette enkele stappen achteruit en spreidde haar armen. Snel rees Voldemort zijn toverstaf, maar was zo onder de indruk van wat er toen gebeurde dat hij geen spreuk kon uitspreken. Terwijl ze haar ogen sloot werd ze omringd door een rode gloed en kwamen haar voeten los van de grond. De kleine donkere ruimte baadde in een fel rood licht, alsof het in brand stond en de Dooddoeners rezen hun handen om hun ogen te beschermen. Vervolgens sneed er een stekende pijn door hun lichaam, maar voor ze in paniek verdedigingsspreuken konden uitspreken was het verblindende licht verdwenen en moesten hun ogen zich gaan aanpassen aan een onbekende duisternis.
Verwilderd keek Sneep om zich heen, met zijn ogen knijpend om te proberen íets te zien in het plotselinge duister, maar het enige wat hij kon zich was een overblijfsel van het rode licht; een vlammende rode stip ergens boven hem in de lucht. Toen hij zag dat Heer Voldemort zijn ogen er niet vanaf kon houden keek hij nog eens goed. Was het wel een overblijfsel? Rondom de rode stip zag hij nu langzaam kleine witte stipjes verschijnen – sterren. Blijkbaar waren ze buiten. Schaduwen van boomtoppen op het gras voor hem lieten hem zien dat de maan ergens achter hem moest staan. Maar ondanks dat het voor hem nu duidelijk was dat ze op een open plek in het bos stonden, wist hij nog niet welk bos ze waren.
Plotseling verschenen er meerdere gedaantes rond hen. Blijkbaar had Voldemort zijn volgelingen geroepen. Ze verschenen voor hem en knielden.
"Mijn Heer," begon een van de Dooddoeners, maar zijn mond werd gesnoerd door een handbeweging van Heer Voldemort. Verbaasd volgde de Dooddoener de blik van zijn heer, die de rode stip niet uit zijn zicht had laten gaan. Het was nu echter gegroeid en het was nu overduidelijk dat het met grote snelheid op hen af kwam. De Dooddoeners kwamen met haast overeind en schaarden zich achter hun meester, toverstokken getrokken en gericht op de rode gedaante die steeds dichterbij kwam. Met ongelofelijke snelheid scheerde de rode gedaante in de vorm van een vogel vlak over hen heen. Sneep voelde de hitte die er van haar vlammende verenpak afkwam en enkele Dooddoeners gingen verschrikt door hun knieën om de vleugels te proberen te ontwijken. Voldemort draaide zich om om haar laatste looping te kunnen volgen, om zich weer om te draaien terwijl ze langzaam voor hem in de lucht tot stilstand kwam. Even was het stil en keken de vlammende vogel en Heer Voldemort elkaar aan.
Sneep bekeek de vogel. Zat Samantha daar ergens? Vaag zag hij haar contouren, haar gespreide armen en haar gekruiste benen, door de vlammen van de vogel.
"Maak je klaar, Heer van het Duister! Hier komt het licht!" riep de vogel en strekte haar lange, slanke hals naar de hemel en opende haar snavel. Een adembenemend prachtig gezang klonk er door de heldere hemel en leek ieder anders geluid te verstommen. De Dooddoeners luisterde ernaar met open mond en zonder het zelf te merken liet ook Voldemort zijn staf zakken.
Het leek alsof zijn omgeving verdween terwijl Sneep naar de onaardse klanken luisterde van de zang van de feniks. Nacht werd dag en hij hoorde de vogels fluiten terwijl hij aan een groot meer stond. Hij wist dat dit het Meer was en achter hem Zweinstein moest staan, groots en majestueus aftekenend tegen de helderblauwe hemel. Zijn toverstaf in zijn hand was vervangen voor een bos bloemen. Waarvoor was hij hier? Toen hoorde hij iemand zijn naam zeggen, met een zachte stem die hij heel goed kende maar al heel lang niet meer had gehoord.
Met een ruk draaide hij zich om en geloofde bijna zijn eigen ogen niet toen hij zag dat ze het ook werkelijk was. Voor hem stond, levend en wel, Lily. Lily, het enige meisje wat ooit aardig tegen hem was geweest tijdens zijn leven op Zweinstein. Wist zij het? Wist zij dat hij altijd al van hem had gehouden sinds die eerste keer dat hij haar zag tijdens de treinreis in de Zweinsteinexpress? Toen zij, net als nu, met die zachte, lieve stem dat ene woordje tegen hem had gezegd? Ook nu deed het zijn werking bij hem en hij voelde hoe zijn hart begon te bloeden.
Dit is niet waar. Ze kan nu niet zomaar voor me staan, dacht hij terwijl er tranen in zijn ogen kwamen. Ze is dood.
Maar ze stond er echt. Met die mooie grote groene ogen keek ze hem glimlachend aan.
"Severus," zei ze en zette een stap dichterbij. Met een hand reek ze naar zijn gezicht, maar stokte, toen hij met een kleine schok zijn hoofd buiten haar bereik hield. Even keken ze elkaar aan en Sneep leek een beslissing te nemen. Hij sloot zijn ogen en liet haar zijn haar uit zijn gezicht wrijven. Toen ze het achter zijn oor had bevestigd liet ze haar hand in zijn hals rusten. Met een gelukzalige glimlach voelde hij haar warmte en hij keek haar weer aan.
"Wat doe je hier?" vroeg hij toen hij zijn stem teruggevonden had.
"Er was nog zoveel dat ik je wilde zeggen," antwoordde ze en tot zijn spijt trok ze haar hand terug. "Er was nog zoveel wat ik wilde doen."
Ze zette die laatste stap die de kleine afstand nog tussen hen overbrugde en sloeg haar armen om hem heen, haar hoofd rustend op zijn borst, waarbinnen Sneeps hard bijna leek te ontploffen van geluk. Onwennig sloeg hij zijn armen ook om haar heen en liet zijn wang op haar hoofd zakken.
"Waarom ben je me vergeten?" vroeg ze toen en Sneep verstijfde. Hij liet haar los en pakte haar bij de schouders om haar goed aan te kunnen kijken.
"Jou vergeten? Hoe zou ik dat nou kunnen?" vroeg hij ongelovig. Tot zijn verbazing zag hij hoe haar ogen vol haat stonden. De lucht boven hen begon te betrekken waardoor alles om hen heen een dreigende kleur kreeg.
"Al die jaren dat ik je naar me voelde kijken, al die jaren dat ik hoopte dat je ook maar íets tegen me zei, het enige dat ik van je kreeg was het onvergetelijke woord 'Modderbloedje'," zei ze giftig en terwijl ze het zei zag Sneep haar veranderen. Haar lange haren werden dun en vlassig, haar huid werd grauw. De mooie, lichtblauwe jurk die ze aanhad begon te rafelen en grote vlekken verschenen. "En nu was je van plan me in te ruilen tegen zo'n klein jong ding die niet eens haar spreuken kent."
"Dat is niet waar!" riep Sneep geschokt en zette snel een paar stappen achteruit toen hij zijn ergste nachtmerrie voor zich zag verschijnen. Haar prachtige lichaam begon krom te trekken en met wankele stappen overbrugde ze de afstand die hij van haar af probeerde te komen. Angstig bleef hij naar achteren lopen tot hij struikelde en achterover viel in het gras. Kokhalzend zag hij waar hij over was gestruikeld; een hand. Een grauwgrijze hand stak uit het gras en klauwde om zich heen. Een andere hand verscheen niet al te lang daarna en de aarde scheurde open om toegang te geven tot een heel lichaam. Daar kwam James Potter. Zonder bril en met gerafeld hemd sloot hij zich aan bij zijn vrouw op weg naar hem en Sneep zag hoe overal om hem heen de aarde openscheurde en nog meer lichamen omhoog hielp. Hij keek recht in de ogen van al zijn slachtoffers. Alle slachtoffers van Voldemort en zijn Dooddoeners, klaar om wraak te nemen. En hij lag daar, zonder toverstaf, klaar om verscheurd te worden. Hij sloeg zijn arm voor zijn gezicht en wachtte tot ze bij hem zouden zijn.
"Silencio!" klonk er toen, en hij wist dat het de stem van zijn meester was. Geschrokken liet hij zijn arm zakken om te zien dat het weer nacht was.
Het was niet echt! Schoot er door zijn hoofd en met diepe ademteugen probeerde hij zijn hart weer tot bedaren te krijgen. Een beetje gegeneerd keek hij rond naar de andere Dooddoeners. Tot zijn opluchting zag hij meerdere op de grond liggen en iedereen leek in een staat van verwarring. Toen richtte hij zijn blik op Voldemort. Ook hij leek van zijn stuk en stonden zelfs kleine zweetdruppeltjes op zijn hoofd.
"Je bent goed," zei hij buiten adem en hoorbaar onder de indruk. "Maar niemand kan zich hier tegen beschermen!"
Maar nog voordat hij de Vloek des Doods uit had gesproken had de Feniks haar vleugels met een zwiep bij elkaar gebracht en spoot er een regen van vuur over hen uit. Alles stond in vuur en vlam en terwijl de Dooddoeners met alle macht die ze hadden het vuur uit te maken, ontweek boven hen in de lucht de grote Feniks sierlijk alle spreuken die er op haar werden afgevuurd, maar toen maakte ze één vergissing. Ze reageerde op de schijnbeweging van Voldemort en schoot de verkeerde kant op, recht in de Crucio-spreuk die er achter haar was afgevuurd.
Een verschrikkelijk gekrijs klonk door de lucht en haar vlammen doofden nog voor ze met een plof op de grond terecht kwam. Ook het vuur om hen heen doof en de Dooddoeners schaarden zich weer om hun meester die argwanend op het lichaam neerkeek. Hij hield zijn staf op haar gericht toen ze enigszins wankel overeind kwam. Naakt als ze was, stond ze zonder gêne fier rechtop. De hongerige blikken van de Dooddoeners negerend, keek ze degene die er echt toe deed recht aan. Voldemort hield nu zijn toverstaf op haar gericht, iedere beweging die ze maakte goed in de gaten houdend, niet van plan dezelfde fout te maken die misschien deze keer zijn ondergang zou kunnen betekenen.
"Nu houden we op met spelen," zei hij sissend. "Vecht! Duelleer met me zoals een groot tovenaar toekomt!"
"Bang?" vroeg het naakte meisje voor hen allen. "Bang, nu ik niet volgens jouw regels vecht?"
"Ik moet toegeven dat je enkele zeer interessante trucjes kent, maar eens houdt het op," antwoordde Voldemort. Er verscheen een sluwe glimlach op het gezicht van Samantha.
"Het houdt nooit op," fluisterde ze, maar het was duidelijk verstaanbaar voor iedereen. Haar ogen gloeiden plotseling fel rood op, maar voor Voldemort of iemand van de Dooddoeners kon reageren was ze verdwenen in een wolk van dichte rook die ook weer snel oploste en een lege plek achterliet.
"Waar is ze!?" riep Voldemort en de frustratie was duidelijk hoorbaar in zijn trillende stem.
"Deceptio Visus!" Klonk haar heldere stem van achter hen en op dat moment begon de grond te golven. Bomen vlogen rond hen in brand en Sneep keek vol afgrijzen hoe zijn collega's lange slagtanden begonnen te krijgen.
"Expelliarmus!" Hoorde hij haar weer roepen, maar zag haar nergens. Hij was enkel bezig met het proberen van zijn evenwicht te houden en zag tot zijn schrik hoe er een dikke vacht op zijn handen begon te groeien. Hij keek rond en zag hoe Voldemort onaangedaan leek. Zijn mond bewoog, maar wat hij zei was niet hoorbaar voor hem want een luid geruis overstemde alles. Alles, behalve het hoge gegil en gekrijs die overal vandaan leek te komen.
Feniks liep met vastberaden stappen op Voldemort af. Haar ontwapeningsspreuk had goed zijn werk gedaan en nu keken ze elkaar diep in de ogen aan. Op een veilige afstand bleef ze staan en glimlachte sluw.
"En nu? Oh grote Heer van het Duister?" vroeg ze kleinerend en zwaaide met zijn toverstok die ze met souplesse had opgevangen. "Zonder toverstaf is een tovenaar niet veel, ben ik bang."
"Je maakt een grote vergissing door me zo uit te dagen," gromde Voldemort, maar Feniks schudde haar hoofd. Haar glimlach werd een maniakale lach van triomf.
"Jullie moeten inzien wanneer je hebt verloren. Je kunt niet op tegen mijn eeuwenoude macht!"
Haar lach verstomde echter abrupt toen hij met enkele grote stappen bij haar was en haar hoofd vastgreep met beide handen.
"Dat kan wel zo zijn, maar fysiek ben ik nog altijd jouw meerdere," zei hij tegen haar en brak met één beweging haar nek.
Alle Dooddoeners waren plots verlost van de Waanzinspreuk die ze over hen had uitgesproken en keken elkaar verdwaasd aan. Met een doffe plof liet Voldemort het lichaam van de gebroken Feniks op de grond vallen en geschokt keek Sneep recht in haar wijd opengesperde ogen en de wereld leek even helemaal stil te staan. Het enige wat hij zag waren de lege, groene ogen van het meisje dat naakt en gebroken in het gras lag.
Hij moest zichzelf dwingen om te luisteren naar de woorden vol lof die de Dooddoeners over zijn meester uitspraken en probeerde zich af te sluiten voor zijn gevoel, zoals hij al jaren gewend was te doen. Voldemort mocht niet doorhebben dat hij wat voelde voor dit meisje en hij wendde zich af van haar gespreide lichaam.
Met een triomfantelijke glimlach liet Voldemort even alle complimenten over hem heenkomen tot hij hen verstomde met een handgebaar.
"Mag ik met haar mooie lichaam spelen?" vroeg een vrouwelijke stem en Sneep keek naar Bellatrix, de gevoelens van afschuw onderdrukkend. Voldemort schudde zijn hoofd geamuseerd. Met een lange zwaai van zijn cape draaide hij zich weg van zijn volgelingen en het naakte lichaam van het meisje en keek naar de steeds lichter wordende lucht.
"Deze keer niet, mijn beste," zei hij terwijl hij bedachtzaam naar de lucht keek. "We hebben vandaag nog meerdere dingen te doen."
Hij draaide zich weer om en keek Sneep recht aan. "Sneep. Perkamentus moet nog steeds het idee hebben dat jij aan zijn kant staat. Jij gaat hem inlichten over deze… tragedie. Hou je verder aan de afspraken die we hebben gemaakt. De rest van ons gaat een bezoekje brengen aan het Ministerie."
En voordat iedere Dooddoener was Verdwijnselt richtte er één zijn toverstaf in de lucht. Met pijn in zijn hart verliet Sneep de open plek met het Duistere Teken dat af begon te tekenen tegen een helder blauwe hemel.
"Severus, kalmeer en neem een koekje," zei Perkamentus luchtig, maar kon de ongerustheid niet uit zijn stem houden. Sneep luisterde echter niet en bleef ijsberen in de kleine, donkere kamer waar het schemerige licht van buiten slechts door één enkele kier naar binnen sijpelde. "Je hebt er goed aan gedaan mij dit alles te vertellen. Hoewel het nu voor Harry misschien moeilijker is om tegen Voldemort te vechten, is het niet onmogelijk."
Sneep bleef staan een keek Perkamentus recht aan die echter zijn ogen afwendde.
"Hoewel hij nog niet over de juiste kennis bezit heb ik alle vertrouwen in die jongen."
"Ik wil niets horen over Pótter!" snauwde Sneep en draaide zich met een ruk om om weer verder te gaan met ijsberen. "Ergens in een of ander bos ligt Samantha!"
"Ik weet dat je niets liever wilt dan haar gaan zoeken, maar jij hebt een andere taak gekregen, Severus," zei Perkamentus sussend. "Je moet doen wat Voldemort je heeft opgedragen, je moet terug naar Zweinstein. Ik zal Feliks sturen om te zoeken naar Samantha."
Sneep snoof luidruchtig van afkeuring en bleef doodstil staan, zijn rug naar de oude man in de grote, versleten stoel gekeerd. Duizenden gedachten schoten door het hoofd van de toverdranken professor, terwijl zijn ogen naar het oude bloemetjesbehang dat hier en daar de muur nog bedekte bleven staren. Zijn hart en zijn hoofd verscheurden zijn lichaam. Aan de ene kant wilde hij razen en tieren en het vervallen huis uit stormen om roekeloos op zoek te gaan naar het meisje. Aan de andere kant waarschuwde zijn hoofd voor de gevaren. Perkamentus had gelijk. Hij moest terug naar Zweinstein. Hij moest de taak vervullen die Voldemort hem had opgedragen. Hij moest geduldig zijn.
Met zijn ogen volgde hij de scheuren in het witte pleisterwerk achter de bleke bloemen tot hij ze stijf dichtkneep en hij zijn koele houding weer had hervonden. Bruusk draaide hij zich naar Perkamentus en ze keken elkaar lang aan. Uiteindelijk verliet Sneep met een korte knik het vervallen huis om terug te keren naar Zweinstein waar het laatste Slijmbalexamen was begonnen; Geschiedenis van de Toverkunst.
Aangekomen op het kasteel moest hij zich dwingen om in zijn kantoor te blijven en te wachten tot het plan van de Heer van het Duister zich zou aandienen. Terwijl hij door zijn kamer ijsbeerde met enorme stappen probeerde hij het beeld wat telkens voor zijn ogen verscheen te verdringen, maar het was onmogelijk. Elke keer zag hij het naakte lichaam in het gras. De lege ogen die hem aanstaarde en hij vervloekte Perkamentus. Hij vervloekte Voldemort. Hij vervloekte het feit dat hij weer een meisje zo dicht bij hem had toegelaten. En hij wenste dat de tijd wat sneller zou gaan, elke keer dat hij de grote staande klok passeerde.
Toen het eindelijk zover was, was hij verbaasd om niet Potter in zijn kantoor te zien verschijnen, maar de jonge Malfidus. Hij volgde de jongen echter zonder vragen naar het kantoor van Doloris Omber, in zijn hoofd het plan dat Voldemort had uitgestippeld herhalend, maar nergens kon hij aanleiding vinden om Omber in het plan te betrekken. Was het plan mislukt? Potter zou na de droom naar hem toe zijn moeten gekomen. Of was het iets anders? Zou die paarse kikker hem om een andere reden nodig hebben? Vragen, afwisselend met de afschuwelijke beelden van het lange, zwarte haar dat haar mooie gezicht met de lege, groene ogen omlijste, tolden door zijn hoofd terwijl hij met grote schreden achter Draco aanliep. Geheel onkarakteristiek liet hij zich leiden door zijn leerling, helemaal opgaand in zijn eigen gedachten. Hij had niet eens in de gaten dat ze al bij het kantoor aangekomen waren tot hij achter Draco naar binnen stapte. Zijn ogen gingen door de ruimte waar meer leerlingen waren dan dat hij had verwacht, maar hij schonk er niet echt aandacht aan. Wat moest ze nou jou nú? Daar ergens buiten, in een verlaten bos lag het lichaam van een meisje. Het naakte lichaam van een mooi meisje. Blootgesteld aan weer en wind en hij wilde niet weten wat voor dieren die er ook maar op af mochten komen.
"Ah professor Sneep," zei Omber met een grote glimlach en ze stond op. "Ik zou graag nog een flesje Veritaserum willen hebben, zo snel mogelijk graag."
"Ik heb je laatst het laatste flesje gegeven om Potter te ondervragen," zei Sneep. Nog steeds was hij er niet echt met zijn hoofd bij. "Je hebt het toch nog niet allemaal opgebruikt? Ik had nog gezegd dat drie druppels voldoende is."
Hij zag hoe ze rood kleurde. "Je kunt toch nog wel wat meer voor me maken?"
"Natuurlijk," antwoordde hij en kon toch nog even genieten van het pesten van de kleine vrouw. "Het heeft een volle maand nodig om te rijpen, dus ik heb het over een maand klaar voor je."
"Een maand?" riep Omber met een geschrokken kwaak in haar stem. "Een máánd? Maar ik heb het nú nodig, Sneep! Ik heb Potter op heterdaad betrapt met het gebruiken van mijn haardvuur om te communiceren met nu nog onbekende persoon of personen!"
"Je meent het?" vroeg Sneep sarcastisch, maar nu had hij in de gaten dat Potter in dezelfde ruimte stond als hem en hij draaide zich om. De jongen was dus niet naar hém toe gegaan, maar had het heft in eigen handen genomen. Ergens had hij dat wel kunnen verwachten. "Dat verbaasd me niets. Potter heeft nooit de behoefte gevoeld om regels op te volgen."
Sneep keek de jongen doordringend aan. Hij wilde hem wat vertellen en Sneep kon al raden wat het was zonder Legilimentie te hoeven gebruiken. Het plan van Voldemort was gelukt, al had Voldemort de roekeloosheid van de jongen onderschat. Zonder de invloed van Griffel had hij de haard waarschijnlijk gebruikt om meteen naar het Ministerie te gaan.
"Hij moet ondervraagd worden!" riep Omber uit en Sneep keek haar weer aan. Haar gezicht trilde van onderdrukte woede en Sneep liet zichzelf toe om ervan te genieten. "Je moet me een toverdrank geven dat hem dwingt de waarheid te spreken."
"Ik heb je al duidelijk gemaakt dat mijn voorraad Veritaserum geheel op is. Behalve als je Potter wilt vergiftigen – en ik kan niet anders dan dat idee ten zeerste te ondersteunen – kan ik je niet anders van dienst zijn. Het enige probleem is alleen dat de meeste vergiften te snel tot de dood leiden om hem tot de waarheid te dwingen."
Sneep keek naar Potter en probeerde ergens iets van een plan te ontdekken in de groene ogen die hij zo haatte. Maar natuurlijk was de jongen roekeloos geweest. Misschien moest hij aan Voldemort duidelijk maken dat zijn plan was mislukt. Sneep kon niets meer doen en het maakte hem eigenlijk ook niet meer uit. Hij luisterde nog naar de wanhopige poging van Potter om hem iets te vertellen zonder het té duidelijk te maken voor Omber, maar hij zou hier zelf uit moeten zien te komen. Hij gokte op het goed stel hersenen van Griffel en excuseerde zich zo snel mogelijk van het tafereel. Hij had nog andere dingen te doen dan het aanhoren van gestreste schoolhoofden of leeghoofdige leerlingen. En wachten op een feniks kon hij al helemaal niet. Koppig beende hij het kasteel uit, op zoek naar enig teken van waar het gevecht zich die ochtend had plaatsgevonden. Op zoek naar dat beetje hoop dat zijn ogen hem bedrogen hadden en er nog leven was in het gebroken lichaam van het meisje dat hem had laten zien dat er toch nog liefde bestond voor hem.
reviews please! het einde is in zicht...
