"Jullie begrijpen het niet" sprak het meisje hen dan weer tegen. "Ik kan met haar praten, ik kan haar vragen wat er gebeurt is. Tegen mij zou ze het wel zeggen. Maar ze is bang, zo bang voor jullie. Zien jullie dat dan niet, zien jullie die angstige uitdrukking op haar gezicht niet!" ze wees op de monitoren die de camerabeelden van het meisje weergaven. De dokters zagen het niet. Ze zagen wel dat het meisje niet bewoog, nooit. Ze deed helemaal niets. Ze at niet, sliep niet, ze knipperde niet eens met haar ogen. Ze lag op haar zij onder de dekens en staarde naar de muur, door de muur, leek het wel. Er stond nog steeds geen enkele emotie op haar bleke gezicht. Alleen haar lange zwarte haren bewogen heel soms, in reactie op een windvlaag van de ventilator in de hoek. Zuster Anna, die haar vanaf het moment dat ze het ziekenhuis in werd gereden verzorgde, stond bekent om haar oplettende blik. Was de enige die begreep wat het meisje op de gang, die zich inmiddels aan de verpleging had voorgesteld als Lucie Bosma allemaal vertelde, nou ja, in ieder geval voor een deel. Ze had bijvoorbeeld gemerkt dat het meisje het niet fijn vond als ze tussen de ventilator en het bed in ging staan. Dan verscheen er altijd een vreemde mengeling van verlangen en pure doodsangst in haar ogen. Heel even maar, daarna werd ze weer net zo uitdrukkingsloos als altijd. Anna lette heel goed op dat soort tekenen en hield het meisje zo rustig mogelijk. Dat laatste was niet moeilijk. Het meisje was zo stil dat ze gedacht zouden hebben dat ze dood was als ze niet geademd zou hebben. Iedereen die bij haar verzorging betrokken was was het erover eens dat ze nog nooit zoiets hadden meegemaakt. Lucie was er elke dag van 9 tot 23 uur en vroeg wel duizend keer of ze naar haar vriendin toe mocht. Maar het antwoord bleef nee. De dokters probeerden alles, maar niets kon het meisje ook maar iets laten doen. En toen ze na een week nog steeds in precies dezelfde houding lag. Zonder ooit haar ogen dicht te hebben gedaan en zonder iets te eten. Waren ze echt ten einde raad. Unaniem werd besloten dat ze de beste dokter die het ziekenhuis te bieden hadden moesten hebben. Ze waren het er algauw over uit wie dat was. De volgende ochtend om 7 uur zou dokter Carlisle Cullen klaar staan om de patiënt te helpen.


Lucie was in het ziekenhuis toen werd besloten dat dokter Cullen het maar over moest nemen. Ze schrok van het nieuws en keek meteen bezorgd naar haar beste vriendin die zo bang en ongelukkig voor zich uitstaarde. Ze wilde niets liever dan naar haar toegaan, haar armen om haar heenslaan en haar te beloven dat alles goed kwam. Haar paniek was bijna ondraaglijk om naar te kijken. Het maakte haar ongelooflijk kwaad dat de dokters haar niet gewoon naar binnen wilden laten gaan. De dokters wisten het niet. Ze wisten helemaal niets over haar vriendin! Maar ze gaf niet op, ze zou hier elke dag blijven wachtten tot ze haar naar binnen zouden laten. Die avond ging ze pas om half twaalf weg. Ze liep langs het scherm en wreef met haar vingers over de zwarte haren op het scherm. "Ik ben er morgen, als je dokter Cullen ontmoet. Dat beloof ik". Fluisterde ze. Daarna verliet ze vrijwel geruisloos de kamer.


Pieter zat op zijn kamer een computerspelletje te spelen. Hij dacht aan het meisje, zoals wel vaker de laatste tijd. Ze was mooi, concludeerde hij. Hij dacht niet dat hij ooit zo'n mooi meisje had gezien. Mooier dan alle meisjes uit zijn klas bij elkaar, zo mooi als de wereld oud is. Dacht hij. Zo mooi als de zon schijnt, zo mooi als de nacht koud is en de dag warm. Mooi in het ritme van zijn hart. Zijn moeder had niets van een overlevende geweten en hij had het haar verteld, onder voorwaarde dat ze het stil hield. De politie had hem verteld dat niemand van het meisje mocht weten omdat de media er anders achteraan zouden gaan. Hij hoopte dat ze snel weer een beetje op zou knappen en dat hij haar dan, heel misschien, nog een keertje zou zien. Nog een keer met zijn hand door haar lange zwarte haren zou strijken, nog een zoen op haar voorhoofd zou mogen geven. Want dat had hij gedaan. Vlak voor ze de ambulance die met gierende sirenes naar plaats delict was gereden werd ingedragen. Ze had, ondanks alle modder en bloed die op haar lichaam, naar pepermunt en zonlicht geroken. Het was de lekkerste geur die Pieter ooit geroken had. Maar hier, in zijn kamer achter zijn overvolle bureau, bedacht Pieter zich ook andere dingen. Hoe kwam het dat het meisje het had overleeft. Waarom zij wel en de anderen niet. Zo sterk had ze niet geleken, sterker nog, ze had er onvoorstelbaar kwetsbaar uitgezien. Hij had tot nu toe niet geweten dat iemand zo zwak kon zijn. Er was ook iets met haar aan de hand, iets anders, iets vreemds. Onmenselijk. Het woord flitste maar een fractie van een seconde door zijn hoofd. Gevolgd door een zenuwachtig, hoog gegrinnik dat helemaal niet bij hem paste. Hij keek op zijn horloge, kwart voor 12. Waar bleef Lucie nou? Zijn ouders waren naar een of ander feestje en Lucie had beloofd dat ze rond elven thuis zou zijn. Pieter had haar wel honderd keer gevraagd waar ze elke dag heenging. Maar ze had hem lachend op zijn hoofd getikt en gemompeld. "Dat zijn jouw zaken niet, broertje lief" Nu wilde hij een echt gesprek met haar. Pieter zag altijd spoken, dat wist hij. Zijn ouders zouden hem uitlachen, Lucie niet. Hij had Lucie de vreemdste dingen verteld. Dat dat hondengehuil 's avonds heel veel op weerwolven leek. Dat hij een onnatuurlijke witte mist had gezien in het bos. Dat er 's avonds een vreemd, bijna doorzichtig 'iets' op zijn kamer was geweest… zo kon hij nog wel even doorgaan. Lucie had zijn verhalen altijd aangehoord met een ernstige uitdrukking op haar gezicht en altijd met hem meegedacht wat het nou zou kunnen zijn. Misschien kon zij helpen.


Ondertussen was er in Volterra, Italië een grote discussie uitgebarsten. Er werd nauwelijks nog over iets anders gesproken. "En toch vind ik dat we erheen moeten en de idioten die dit geflikt hebben eens moeten laten voelen wie hier de baas is." Zei Marcus strijdlustig. "Neh, waarom zouden we. Ze hebben gewoon gejaagd. Daar is niets illegaals aan" sprak Caïus hem tegen. "Ik heb wel zin in een gevecht. Ik heb het gevoel dat we alweer ééuwen niets hebben gedaan" zeurde Jane. "Kop op, zusje. Er komen echt nog genoeg vampiers voorbij die je mag pijnigen hoor" lachte haar broer Alec. Jane verkocht hem een mep. "Ik heb wel zin in een gevecht" zei Dimitri op een rustige toon. "Nou, ik niet. Ze hebben er een beetje een rommeltje van gemaakt, maar dat leren ze wel. Waarschijnlijk zijn ze gewoon nog jong." Zei Renate. Heidi snoof. "Jij bent gewoon bang om te verliezen" "Ja, want jij bent zo dapper, het enige dat jij kan is voedsel lokken. Jij hebt geen echte gave." Zei deze verontwaardigd. Aro, die tot dan opvallend rustig was. Besloot op dat punt blijkbaar dat er iemand in moest grijpen, want hij zei: "het is heel simpel. Er leeft maar 1 clan in die omgeving en die is nog groot ook" "de Cúllens?" vroeg Marcus verbaasd. "Denk je dat zij het gedaan hebben?" Aro glimlachte nogal onheilspellend. "Dat zou best eens mogelijk zijn. Ik denk in ieder geval dat het wel tijd wordt dat ik mijn goede vriend Carlisle eens een bezoekje breng, het is alweer zo lang geleden."


Het was 2 minuten voor 12 toen Lucie eindelijk thuiskwam. Pieter gunde haar geen tijd om even bij te komen van waar ze dan ook geweest was en trok haar meteen mee naar zijn kamer. "Ik verkeer in de verontstelling dat je me niet gaat vertellen waar je de hele dag geweest bent" het was geen vraag. Lucie glimlachte en schudde haar hoofd. Maar het lachen verging haar algauw toen Pieter vertelde over het meisje in het bos. Hij vertelde dat hij haar had gevonden, iets dat alleen zijn moeder wist, en dat ze zo… bijzonder was. Lucie beet op haar onderlip. Er was iets met haar adoptie broer. Hij was anders dan andere mensen. Hij zág dingen. En Lucie wist niet of ze daar wel zo blij mee moest zijn. Ze wilde niet dat hij teveel wist, bang dat kennis hem en ook hun ouders in gevaar zou kunnen brengen. Lucie hield onbeschrijfelijk veel van de familie die ze nu pas twee jaar kende. Ze had ze verteld dat ze zich niets meer kon herinneren van voordat ze wakker werd in het ziekenhuis, uit angst dat ze haar weer weg zouden sturen als ze de waarheid zouden weten. Lucie was altijd bang, dat was waarom ze de angst op Sarah' s gezicht meteen had herkend. Lucie was niet bang dat ze iets zou overkomen, zoals de meeste mensen waren. Ze was alleen maar bang voor wat de mensen die, onwetend als ze waren, haar liefhadden overkwam. Ze was bang om anderen in gevaar te brengen. Pieter wist altijd teveel. Maar ze liet hem rustig uitpraten. "Ze is niet menselijk, Lucie. Ze is anders. Ik zag het aan haar." Zei hij uiteindelijk. "Pieter, ik heb al veel gehoord maar dit… dit is…" ze deed alsof ze krampachtig naar woorden zocht. "Dit slaat nergens op Pieter. Het spijt me dat ik het zeg en ik wil ook best wel geloven dat er íéts is. Maar verdomme, Pieter! Dat meisje is gewond, haar hele familie is waarschijnlijk dood." Haar broer liet zijn hoofd hangen en even voelde ze zich schuldig, maar het was van korte duur. "Sorry, broertje, maar wat dacht jij dan dat ze wel was?" "Ik weet het niet" nu werd zijn stem heel zacht, liefdevol. "Ik weet alleen maar dat ze het mooiste meisje is dat ik ooit heb gezien. Ik zou er alles voor overhebben om haar weer te zien." Lucie hield haar adem in. Pieter was verliefd, op Sarah. Ze sloot haar ogen en ademde een paar keer diep in en uit. Dat kan niet, dacht ze verward. Ze gunde haar broer alles liefde en geluk van de wereld, echt waar. Maar Sarah was en bleef gevaarlijk. Ze wilde er niet over nadenken hoe snel ze zijn nek zou kunnen breken, de controle over haar lichaam kon verliezen. En Pieter zou nog verder in het gevaarlijke wereldje verzeild raken. Ze kleurde wit weg bij de gedachte alleen al. "Lucie?" hij had gemerkt dat hij haar van streek had gemaakt. "Hé, Lucie. Wat is er? Heb ik iets verkeerds gezegd?" lucht, ze was lucht nodig. Ruimte om te denken. "Nee hoor" zei ze snel. "Maar nu ga ik naar bed als je het niet erg vind. Morgen weer een drukke dag." "Oké, welterusten dan" zijn stem was iets wat verbijsterd. Lucie gaf hem een zoen op zijn wang en verliet daarna zijn kamer. Ze pakte haar dagboek en een pen. Opende het raam, en sprong naar buiten. Eenmaal in het bos kwamen alle dieren als vanzelf achter haar aangelopen. Lucie kreeg een glimlach op haar gezicht. Boris de beer ging zo liggen dat ze lekker tegen zijn warme pels aan kon leunen en Sammie de eekhoorn kwam gezellig op haar schouder zitten. Ze sloeg haar dagboek open en begon te schrijven.