Sorry sorry dat het zo lang duurde! Ik zal weer snel posten als ik reacties krijg!
Veel plezier met het volgende stukje, hope you like it! (Dit is gewoon een inleiding op het rest van de verhaal, er gebeurt niet veel. Het wordt leuker!)

Hoofdstuk 1. Back to where I belong.

Leila,

6 jaar later.

Ik stond mezelf voor de spiegel te bekijken toen vader me riep om naar beneden te komen, omdat we al laat genoeg waren, volgens hem dan. Ik wierp nog een laatste blik op de spiegel. Nadat ik mezelf had goed gekeurd haastte ik me naar beneden. Mijn ouders stonden al in de gang op me te wachten.

Ik kreeg een afkeurende blik van moeder toegeworpen vanwege de paar seconden die ik te laat was aangekomen, net als vader vond moeder stiptheid een belangrijk iets. Vader was een lang, statig man, hij kreeg naarmate de tijd vorderde steeds meer grijze strepen in zijn vroegere zwart glanzend haar. Hij keek me met zijn grijze ogen streng aan, ik had altijd al angst gevoeld voor die indringende grijze ogen die in het diepst van je ziel konden binnendringen. Haastig trok ik mijn schoenen aan zodat we allen gereed waren voor vertrek…mijn ouders waren dat weliswaar al een tijd langer.

Tijdens de rit kreeg ik een hele preek van vader hoe ik me hoorde te gedragen, als een echte Baruchi en vooral niet met de verkeerde mensen om te gaan. In die categorie vielen dus alle families die niet vrienden waren van mijn ouders. Deze preek kreeg ik constant te horen, vader wist nooit van ophouden. Al met al kwam het erop neer dat ik niet mijn familie ten schande mocht maken, alsof ik dat zelf niet wist!

Ik zat verveeld achter in de auto en bekeek de huizen waarlangs we reden, algauw reden we de stad in en veranderde de uitzicht van keurige woonwijkjes in appartementen en talloze files vormden zich op de wegen. Mijn gedachten dwaalden af naar mijn nieuwe school, Zweinstein. Van Lisette had ik al enthousiaste verhalen gehoord over deze befaamde toverschool. Lisette was een meisje die in dezelfde buurt als ik woonde, verder was er niemand geweest in de vakantie met wie ik kon optrekken, de rest waren allemaal dreuzels. Vader had me verboden om met Lisette om te gaan, want ze kwam niet uit een bekend volbloed familie. Deze verbod maakte me niet veel uit, het was toch maar een saai meisje.

We kwamen uiteindelijk ruim op tijd aan op het King´s Cross Station, waar we volgens de brief van Zweinstein op perron 9 ¾ moesten zijn. Vader zorgde voor mijn bagage en met z´n drieeen liepen we naar perron 9 en 10. Perron 9 ¾ was nergens te bekennen. Vertwijfeld keek ik om me heen, mijn blik viel op een wat mollig klein jongetje met stroblond haar. Hij had aardig wat weg van een rat. Hij had ook een hutkoffer bij zich en een krassende uil. Ik had het vermoeden dat hij ook naar Zweinstein ging dus volgde ik hem met mijn blik en ik zag dat hij op een muur af rende. Heeft hij soms zijn bril niet op? vroeg ik inmezelf af. Maar tot mijn grote verbazing verdween het jongetje door de muur. Ik knipperde tweemaal met mijn ogen om te controleren of ik het wel goed had gezien. Ik zag nog een familie, duidelijk een tovenaarsfamilie, die zich ook schrap zetten om door de muur te gaan. Ik wenkte uiteindelijk mijn ouders en legde ze uit dat we door de muur heen moesten rennen.

''Wat een rare manier zeg!'' zei mijn moeder afkeurend. Ik gaf mijn moeder gelijk, bij de Beauxbatons ging het een stuk anders eraan toe. Maar die Franse school stond dan ook bekend om zijn elegantie. Ik herinnerde me nog wat Lisette me had gezegd, dat ze me mijn gedrag niet kwalijk nam als ik van die school afkwam. Ik had daarop mijn hoofd opgeheven en arrogant weggelopen. 'Zie je wel!' had ze me triomfantelijk nageroepen.Ik snapte nog steeds niet wat ze had bedoeld. Ik liet het zitten, ze was mijn tijd niet waard.

Vader was verhuisd naar Londen voor zijn werk en dus moest ik van school veranderen. Als je het werk wilde noemen, vader werkte namelijk aan de duistere zijde, voor de heer van de Duister. De verhuizing had ik in het begin erg gevonden, heel mijn leen zou ik achter me laten, maar ik zag later ook de voordelen. Ik zou mijn jeugdvrienden weer terug zien, om die reden verheugde ik me daarom op Zweinstein. Met mijn vroegere vrienden had ik het meest gemeen, hen ouders waren goede vrienden van mijn ouders en de meesten waren alsook dooddoeners of steunden de duistere zijde. Samen waren we een hecht groepje geweest.

Ik keek om me heen en nam uiteindelijk een klein aanloopje, ik sloot mijn ogen, bang dat ik mezelf straks gigantisch voor schut zou zetten en tegen de muur zou opbotsen. Maar ik ging recht door het muurtje heen en belandde toen op perron 9 3/4 zag ik op een bordje staan. Ik stopte abrupt voordat ik tegen andere mensen zou aanbotsen. Ik keek rond me heen en zag talloze ouders met hen kinderen, er was veel lawaai, veroorzaakt door de beesten die ze meedroegen. Je hoorde de enthousiaste begroeting van vrienden boven het krassen van de uilen. Ik zag dat mijn ouders inmiddels ook gearriveerd waren. Ik zag een enorme rode stoomtrein, daarmee zou ik straks vertrekken naar Zweinstein.

'Monica!' horen we een vrouw verrukt roepen. Verdwaasd draai ik me om, mijn uitdrukking verandert meteen als ik zie wie het is en ik tover een glimlach tevoorschijn. Het was mevrouw van Detta! De moeder van Rabastan en Rodolphus, het was zes jaar geleden dat ik deze vrouw had gezien. Ik begroette mevrouw van Detta beleefd waarna die zich tot mijn ouders wendde. Stiekem denk ik dat ze me als schoondochter wilt voor haar zoon Rabastan, ik schud die gedachte snel weg. Ik had helemaal geen zin om daar over na te denken.

"Rabastan en Rodolphus zijn al in de trein, ga maar alvast naar ze toe, zij zullen je wel helpen," zei mevrouw van Detta tegen me. Ik knikte beleefd en nam vervolgens afscheid van haar en mijn ouders. Mijn vader gaf me een hand.

"Het gaat je goed, en als er iets aan de hand is meld je het mij meteen,'' zegt hij terwijl hij me nog een laatste doordringende blik toewerpt die betekent dat ik me goed moet gedragen. Mijn moeder buigt zich wat voorover en geeft me een kus op de wang.

'' Pas goed op jezelf, Leila''

''Ja moeder, maak je geen zorgen, '' zeg ik ietwat ongeduldig. Ik stap de trein binnen en steek nog mijn hand op ter afscheid, maar ik zie dat mijn ouders al weer druk in gesprek zijn verwikkeld met meneer van Detta die er intussen ook bij is komen staan. Ik vond hem altijd al eng en daar is nu ook niets aan verandert. Rabastan heeft diezelfde zwarte ogen van hem geërfd, valt me ineens op.

De trein is al aardig vol zie ik, de conducteur fluit, de trein gaat zo meteen vertrekken. Ik sleep mijn koffer mee naar de voorkant van de trein, en kijk om me heen, maar alle coupé's zijn vol en ik zie mijn vrienden nergens. Opeens springt er iemand recht voor haar neus, een meisje met ongekamde dikke zwarte haren en bijna net zo zwarte ogen, met zware oogleden dat afsteekt tegen haar witte huid. Precies zoals ik me haar had herinnerd, ze is geen steek veranderd! Bellatrix Zwarts keek haar grijnzend aan, Leila grijnsde terug.
''Bella! Fijn om je weer te zien!''
''Hetzelfde Baruchi, ik heb nu wel behoefte aan normaal gezelschap. Hele tijd opgescheept zitten met die achterlijke nutteloze idioten..'' krast Bella met haar oorverdovende stem dat je boven alles uit hoord. Luidruchtigheid ontbreekt er niet bij haar.

Ze sleurt me mee naar een coupe, waar Narcissa, haar zus, ook zit. Narcissa lijkt totaal niet op Bellatrix, zowel qua innerlijk als uiterlijk. Cissy, zoals haar vrienden haar noemen, heeft lang blond haar met een even bleke huid in combinatie met haar helderblauwe ogen was Cissy net als Bella een knappe meid. Severus Sneep, Lucius Malfidus met Korzel en Kwast aan zijn zijden en Rodolphus van Detta waren ook in de coupe aanwezig.
''Maak eens plaats,'' roept Bellatrix en ze duwt Korzel en Kwast ruw opzij. Ik begroet hen allemaal, ik word warm verwelkomt. Cissy omhelst me en fluistert me toe dat ze me gemist heeft. Rodolphus geeft me een vriendschappelijke knipoog en zijn verleidelijke grijns, ik schenk hem een glimlach. Ik neem plaats tussen Bella en Cissy. Ik zie dat Severus zich alweer fronsend over zijn boek had gebogen, zijn zwarte ogen flitsten naar de regels en zijn zwart haar valt voor zijn bleke gezicht. Tegenover me zit Lucius, met een arrogante blik kijkt hij naar de mensen die onze coupe passeeren, hij heeft witblond haar dat precies goed zit en kille grijze ogen. Lelijk is hij zeker niet te noemen net zoals Rodolphus met zijn zwarte ogen en zwart haar lijkt hij sprekend op zijn oudere broer. Ik kan niet wachten om Rabastan te zien, ik vraag me af of hij veel veranderd is. Vast wel, de anderen zijn ook allemaal een stuk groter geworden, net als ik, ik ben in die zes jaar tijd veel veranderd. Kinderen zijn we niet meer. Wat heb ik ze gemist!