Dan ook maar meteen deel twee erachteraan. Dit hoofdstuk is een stuk langer. Veel leesplezier! En review alsjeblieft?
De districtsbegeleidster zucht geïrriteerd. "Ik kan er niets aan doen. Regels zijn regels, getrokken is getrokken. Tenzij er vrijwilligers zijn." Ik voel de zwaar geparfumeerde adem op mijn gezicht terwijl ze praat. Maar even daarna is het weer weg en hoor ik haar vragen: "Zijn er vrijwilligers?"
Ik hou mijn adem in en tegen beter weten in hoop ik. Natuurlijk is dit vervlogen hoop, niemand reageert.
Ik denk dat ik wel mag zeggen dat de mensen me redelijk goed mogen, hier in district 12. Iedereen zegt altijd goedendag en als ik nodig heb, hoef ik maar om hulp te vragen. Maar blijkbaar heeft nu om hulp vragen geen zin. Niet dat ik het ze kwalijk neem. Wie wil nu zijn eigen leven geven om een blind meisje te helpen. Aan iemand die kan werken hebben ze meer in een district als het onze.
Ondertussen ben ik wakker geworden. Genoeg om me precies bewust te zijn van wat er zich allemaal afspeelt op het podium. Ik merk dat Brad zich flink opwindt, nog even en hij schreeuwt het uit tegen het Capitool, op de camera. Dat mag niet gebeuren dus ik leun naar Brad toe. "Het is goed, Brad. Zo zijn de regels. Ik zie je zo, in het gerechtsgebouw." Mijn stem klinkt gelukkig vast en ik voel mijn broer twijfelen. Dan geeft hij me een kus op mijn voorhoofd. Even twijfelt hij nog maar hij laat me toch los en loopt de trap af. Ik hoor de vredesbewakers achter hem aan lopen. Hun voetstappen zijn extra zwaar door hun pakken en dus zijn ook zij erg goed te herkennen.
Dan loopt Lattea op haar hakken naar de bol met jongensnamen. Ik hoor papiertjes knisperen terwijl ze erin rommelt en haal nog eens diep adem. Laat het geen bekende zijn...
"Dorian Sigetiber!"
Verdoemd. Ik ben verdoemd. Dorian is een jongen die redelijk goed ken, hij is de broer van een goede vriend van me, Kaïan. We hebben vaak genoeg met elkaar gelachen als ik Kaïan weer plaagde met het feit dat hij niet eens half zo breed is als zijn broer.
Dorian is een beer en minimaal een halve kop groter dan ik. Dat hoor ik ook als hij het podium op loopt en zijn zware voetstappen naast me halt houden. Hij lijkt zelfs nog meer gegroeid; zijn ademhaling komt van hoger dan ik gewend ben. Maar het kan ook zijn dat hij gewoon zo rechtop mogelijk staat. Hij wil vast een goede indruk maken.
Ik besluit net als hem te doen en til mijn kin ietsjes de lucht in. Ietsjes, want ik wil ook niet arrogant overkomen. Maar dat ietsje blijkt hoger dan verwacht; ik had niet eens door dat ik mijn hoofd zo ver had laten hangen.
Lattea vraagt nog eens of en vrijwilligers zijn, maar alles blijft zo stil als dat het was nadat Dorians naam werd geroepen.
"Mag ik dan een groot applaus voor de twee tributen van dit jaar?" Lattea klinkt opgewekt. Hoezo dat dan nu weer? Schat ze onze kansen hoog dit jaar? Ik ken Dorian niet goed genoeg om te kunnen zeggen, maar hij zou inderdaad wel eens kans kunnen maken. Al kunnen wij van 12 nooit op tegen de beroeps.
Iedereen klapt, maar echt overtuigend klinkt het niet. Het is net hard genoeg om het geroezemoes dat weer is begonnen een beetje te overstemmen.
Onze burgemeester leest het verdrag van verraad op, zoals ieder jaar. Ik luister niet. Dat deed ik de laatste paar keer sowieso niet meer, ik ken hem uit mijn hoofd en na de trekking was ik altijd gewoon blij dat ik niet gekozen was. Ook al geloofde niemand dat ze mij echt zouden kiezen. Maar zie hier...
In plaats van te luisteren naar de burgemeester, concentreer ik me op het geluid van Dorians ademhaling. Hij staat het dichtste bij en dus is het redelijk makkelijk te horen. Het houdt me rustig, zo'n ritmisch geluid. Al werkt het niet helemaal omdat Dorian nogal snel ademhaalt. Ook hij is vreselijk gespannen. Ook hij is waarschijnlijk ten dode opgeschreven.
Als het verdrag helemaal opgezegd is, draai ik me naar Dorian toe. Ik weet dat we elkaar een hand moeten geven en dus steek ik mijn hand naar hem uit. Hij wordt stevig geschud.
Er trekt een rilling over mijn rug als ik me voorstel dat hij straks een van mijn tegenstanders is. Hij is sterk, maar dat zal natuurlijk niets zijn ten opzichte van de beroeps. Die hebben jarenlange training achter de rug. Mijn kansen lijken met de minuut kleiner te worden.
Dorian laat mijn hand los en ik draai me weer naar het plein toe. Terwijl het volkslied speelt, kan ik me alleen maar voorstellen hoe dat er nu uit moet zien. Sommige gezichten zullen medelijdend kijken. Dat arme blinde meisje. Hoe verschrikkelijk dat juist zij gestuurd moet worden. Maar de meeste zullen opgelucht zijn. Weer een jaar overleefd. Weer een jaar voorbij zonder dat hun namen getrokken zijn. Ik kan het ze niet kwalijk nemen, zo heb ik de vorige jaren waarschijnlijk ook gekeken.
Zodra de muziek is afgelopen, hoor ik de verzwaarde voetstappen van de bewakers weer dichterbij komen. Ik zet me schrap wanneer ze mijn bovenarmen vastgrijpen. Ze zijn vast bang dat ik niet eens in mijn eentje lopen kan.
Met die gedachte dringt het pas echt tot me door wat er precies te gebeuren staat. Ik ben tribuut. Ik doe mee aan de hongerspelen. Ik moet vechten, proberen te overleven… Ik ben ten dode opgeschreven. Ik ben blind, hoe moet ik dat ooit gaan redden tussen 23 anderen, volkomen gezonde en dus sterkere tributen, waarvan verschillende waarschijnlijk getraind zijn om te vechten, te doden. En ik? ik kan het niet eens over mijn hart verkrijgen een vlieg te doden. Bij wijze van spreken dan.
Ik trek me met een ruk uit de greep van de mannen. Ik mag er niet zwakker uit zien dan dat ik ben. Ik zal laten zien dat ik niet helemaal hulpeloos ben zonder zicht.
We lopen trappen af, richting het gerechtsgebouw. De bewakers hebben mijn armen toch weer vastgegrepen maar houden me wat zachter vast.
Ik adem in en merk meteen dat we binnen zijn. Opeens ruikt het heel muf en oud. Mijn bewakers sturen me weer, hoeken om, trapjes op, gangen door, tot er een deur opengemaakt wordt, ik naar binnen geduwd word en de bewakers de deur achter me dichtgooien.
Ik kijk, op mijn manier, de kamer rond. Het ruikt hier minder muf, een beetje fris zelfs, dus de ramen zullen openstaan of daarjuist zijn gesloten. Onder mijn voeten voel ik een heel dik tapijt.
Ik loop voorzichtig naar voren en bots tegen een groot ding aan. Het voelt een beetje zacht en als ik de contouren volg met mijn handen, blijkt het een stoel te zijn.
Op het moment dat ik wil gaan zitten, wordt de deur weer opengesmeten en aan de manier van lopen kan ik zeggen dat het mijn broers zijn, Brad en Luc. Ik kom weer overeind en loop in de richting van de voetstappen. Brad vangt me op en hij geeft me meteen een stevige knuffel. Mijn stoere façade valt weg, er is toch niemand die me kan zien of horen behalve mijn lieve broers. Ik begin te snikken.
Even troost Brad me en hij fluistert sussende woordjes in mijn oor maar we weten allebei dat we maar weinig tijd hebben.
"Luister," zegt hij, terwijl hij me voor zich houdt als een klein kind dat zijn ouders aan moet kijken wanneer ze tegen hem spreken. "Luister. Geef nu niet meteen op. Ja, je hebt zeker een achterstand, vanwege je handicap, maar je bent slim, snel, lenig en je gehoor is prima. Vertrouw daarop. Je hebt al vaker laten zien dat je niet per se zicht nodig hebt om te overleven."
"Maar dan weet ik waar ik ben!" breng ik er, nog half snikkend, tegenin. "Ik sta dadelijk in de arena en heb geen idee welke kant ik op moet om het bloedbad te ontwijken. En ze zullen zeker het eerst op mij afkomen, aangezien ik toch maar een blinde ben, dus wachten op waar het geschreeuw vandaan komt kan ook niet."
"Niet meteen zo negatief. Ken je die vechttruckjes nog die we je hebben proberen te leren? Vecht van je af!"
"En dan? Dan weet ik nog niet welke kant ik op moet. Ik kan zo gloeiend hete lava in rennen!"
"Nee," Luc begint zich er nu ook mee te bemoeien. "Niet als je op je gehoor vertrouwt. Je gehoor is goed genoeg om het verschil tussen een zoete en een zure appel te horen, dus het verschil tussen de vogels in een bos en het stromen van dikke, hete lava lukt je ook wel. En daarbij, de lava in rennen zul je toch niet doen, het verschil in temperatuur zou je zeker weten opmerken."
Ik knik en lach zwakjes. Misschien zou ik die eerste minuten nog overleven maar meteen valt de lach weer van mijn gezicht. "Hoe kom ik dan aan iets van een slaapzak, of een fles, of wapens, of eten?"
Mijn broers denken even na. "Probeer een bond te scheppen, al is het alleen voor in het begin."
Ik knik nog eens maar dan gaat de deur open. Mijn rust, die Brad en Luc me gegeven hebben, verdwijnt weer als sneeuw voor de zon wanneer ik de vredesbewakers weer binnen hoor komen.
Ze pakken de jongens bij hun armen en proberen hen de kamer uit te werken. Maar mijn paniek komt terug. "Nee! Wacht! En dan?"
Het enige wat Brad nog zeggen kan is: "Vertrouw op je gehoor!" En ze zijn verdwenen. Voorgoed.
Dan gaat de deur weer open. Dit keer maar een stukje, alsof degene erachter niet zeker weet of hij of zij binnen mag komen.
"Hoi."
Het klinkt een beetje vragen maar ik herken aan de stem dat het mijn vriendin Cyrre is. Ze zit in hetzelfde jaar als ik en helpt me als er iets gelezen moet worden. Ook al ken ik braille, de gewone schoolboeken zijn al duur, dus speciale kunnen we ons al helemaal niet veroorloven. Daarom moeten anderen mij dus voorlezen. En Cyrre is een van de weinigen die dat graag doet.
"Ik kom je succes wensen." Ik kan de verborgen snik in haar stem horen.
Even is het stil maar dan vliegt ze me om mijn nek. " Ik ga je zo erg missen! Beloof me dat je je best doet!" Meer lijkt ze er ook niet meer uit te krijgen.
Lang houden we elkaar vast, tot de vredesbewakers weer binnen komen en ze een schouderschokkende Cyrre naar buiten begeleiden.
Ik zoek de stoel weer op en ga zitten. Ik weet niet wat me te wachten staat, behalve een zekere dood. Dan kan ook echt alleen mij overkomen. O, wacht, ik ben ook de enige blinde tiener in dit vervloekte district.
"Ik moet er van maken wat ervan te maken valt," zeg ik tegen mezelf. Ik grijp zenuwachtig naar de ketting met de ring die mijn moeder van mijn vader gekregen had. Altijd wanneer ik zenuwachtig ben, voel ik eraan en ik haal de ketting nooit, maar dan ook nooit los.
Dan komen de vredesbewakers weer naar binnen. Deze keer pakken ze mijn armen rustig vast en ze begeleiden me weer naar buiten. Als ik de buitenlucht weer ruikt, trek ik me weer los. Mijn ogen mogen dan betraand zijn, ik kan nog steeds niet uitzien als een zwakkeling.
Hier, buiten, hoor ik alleen maar geschreeuw: "Succes! Wij hopen voor jullie!" en ook: "Ik zal je missen" en andere afscheidsgroeten.
Ik voel hoe handen me aanraken en hoe sommige handen worden weggeduwd door mijn bewakers. De warmte die van alle lichamen afstraalt, is ondraaglijk. Ondraaglijker dan de warmste zon die ik ooit gevoeld heb. Ik ben dan ook blij wanneer we aan het einde van die mensenmassa zijn. Al betekent dat ook dat we weer dichter bij het begin van de spelen zijn. Dichter bij mijn dood.
