En dan nu... eindelijk... De Spelen zelf!

Even als herinnering; reviews zijn altijd heel erg gewenst ;)


In eerste instantie hoor ik nog steeds niets, maar dan begin ik voetstappen te horen. Ze klinken van ver weg, maar worden door de wind gedragen. Het bloedbad gaat zich dus afspelen tussen mij en het bos waar ik zo heel graag heel wil en ik vloek in gedachten. Ik hoop maar dat Dorian snel bij me is, zodat hij me kan vertellen of de rest ook veilig is en waar die asgeur van afkomstig is.

Maar eerst heb ik andere dingen om me op te concentreren. Er komen voetstappen op me af. Twee paar, van twee kanten. Een paar hele zware, een beroeps vermoed ik, en wat lichtere.

Stapje voor stapje loop ik achteruit en ik struikel over iets wat op de grond ligt. Ik hoop maar dat de wind het geluid van de voetstappen nogal vertekent en dat ze verder weg zijn dan het lijkt.

Ik voel over wat ik gevallen ben en lach bijna bij wat ik voel. Het is een mes. Niet te groot, niet te zwaar, maar precies mijn formaat. Ik ben tenminste niet helemaal hulpeloos meer.

Dan hoor ik het geschreeuw en gegil en ik sta vrijwel meteen op mijn benen. De voetstappen zijn bij elkaar gestopt en hoor een gevecht plaatsvinden, op wat ik schat op een meter of acht voor me, maar het is moeilijk te schatten door de wind.

Ik hoor gekreun van hun gevecht opstijgen en een lichaam op de grond vallen. Daarna zetten de zware voetstappen een stap in mijn richting. "Braaf meisje. Blijf daar maar staan wachten op je redder. Ik kom jou dadelijk wel uit je lijden verlossen," klinkt het snerend. Ik geloof dat het Thavoty is, de jongen uit 2. Inderdaad beroeps dus en ik voel me opgelucht over dat Dorian gelijk had. Ze bewaren mij, het makkelijke werk, voor later. Omdat ze denken dat Dorian toch niet komt.

Het angstgevoel borrelt weer in me op. Wat als ze gelijk hebben en Dorian al dood is? Wat moet ik dan? Gewoon rennen? En wanneer moet ik beginnen?

De angst wordt verder aangewakkerd wanneer een ander paar voetstappen op me af komt lopen. Deze zijn wat lichter, wat duidt op een meisjestribuut of een ondervoedde jongen. En diegene komt recht op mij af.

Ik zet nog wat passen achteruit, maar kan niet te ver gaan. Ik had Dorian beloofd te wachten bij mijn plaat. De wind is een beetje gaan liggen dus het is iets makkelijker om te bepalen hoe ver ze precies van me af is.

"Zo. Dus jij staat hier te wachten op je vriendje? Nou, ik heb nieuws voor je. Die komt niet. En komt hij wel, dan zal hij jouw bebloed lichaam vinden." Het is een meisje en wel het meisje uit vijf, Rove. Op de een of andere manier ben ik misschien wel banger voor haar dan voor de anderen uit de beroepstroep. Oké, Ravenna staat toch nog bovenaan, maar zij is tweede.

"Ik had jullie toneelstukje heus wel door en geloof me. Ik hou er niet van om voor de gek gehouden te worden. Als je dat niet had gedaan, had je misschien een paar dagen langer mogen blijven leven, maar nu heb je me boos gemaakt. Je mag de anderen er dan van hebben overtuigd dat je een zielig, klein meisje bent, dat niets kan zonder hulp, ik weet wel beter. Je bent een gluiperig liegbeest. En daar zul je voor boeten."

Van haar woorden probeer ik me zo min mogelijk aan te trekken maar ze prikken toch. Mijn angst wordt nog groter, al lijkt dat onmogelijk. Dan is ze bij me en ik hoor hoe ze het mes in haar rechterhand met een grote zwaai op me af laat komen. Ik duik eronderdoor en voel hoe haar arm rakelings over me heen vliegt. Dat maakt haar woest en ik moet snel een stap achteruit doen om haar vuist te ontwijken.

Ik heb mijn eigen mes stevig in mijn linkerhand geklemd en steek het een beetje voor me uit. Op die manier kan ik hem snel allerlei kanten op laten bewegen en zal hij hopelijk op tijd zijn om te doen wat ik wil. Maar eerst spring ik naar rechts omdat ik van links iets hoor aankomen. Weer mist het mes me net en ik hoor Rove vloeken. "Trut! Kom toch gewoon hier, dan maak ik je dood een snelle."

En dat moet ik geloven? Maar ik zeg niets. Ik concentreer me volledig op mijn gehoor. Keer op keer weet ik zo buiten het bereik van haar mes en haar vuist te blijven, maar dan maakt ze een schijnbeweging. Het mes beweegt van rechts en haar vuist van links en ik ben zo geconcentreerd daarop aan het letten dat ik de beweging van haar benen mis. Ze haakt haar voet achter mijn been en weet me zo tegen de grond te werken.

Mijn hoofd raakt de grond hard en ik ben een moment duizelig. Maar ik moet erdoorheen! Ik kan niet hier op de grond blijven liggen! Er staat een beest boven me, klaar om me af te maken.

Ik haal diep adem en de duizeligheid trekt een beetje weg. Genoeg om me weer bewust te zijn van de bewegingen van mijn tegenstandster. Ik rol van haar mes weg en weet me op mijn knieën te krijgen. Ik hoor haar achter me en weet dat er eigenlijk geen weg is die me weg zal leiden van haar. Tenzij ik haar verrassen kan.

Een verrassing, dat is het! Het is een idioot plan, maar vreemde situaties vereisen vreemde oplossingen. Ik sta op en draai me naar Rove toe. Ik heb nu het bloedbad achter mijn rug liggen en loop een paar passen achteruit ernaartoe. Ik moet dichtbij haar zien te komen. Dichtbij maar toch ver van haar vervloekte mes. Dan hoor ik iemand roepen: "Rove, ben je uitgespeeld? Gewoon afmaken, dat was de deal!"

"Doe het zelf als je het zo veel beter kunt! Die trut hoort me aankomen!" snauwt ze terug en terwijl ze dat doet, zie ik mijn kans liggen. Ze staat met haar zij naar me toe. Ik laat me voorover zakken en maak een koprol waarna ik direct overeind sta. Ik sta nu nog maar centimeters van Rove vandaan en die merkt me pas op wanneer ik overeind kom. Ze probeert haar mesarm naar achter te zwaaien, maar die hou ik tegen, zo goed en zo slecht als dat lukt tegen die beer van een meid en ik steek mijn eigen mes, dat ik wonder boven wonder nog steeds in mijn vuist heb geklemd, naar voren. Ik weet dat Rove meer dan dertig centimeter groter is dan ik en ik vermoed dus dat ik haar net boven haar heupen heb geraakt.

Ik trek mijn mes terug en wil achteruit stappen, maar Rove probeert nog steeds haar mesarm in mijn richting te draaien. Nu ze weer doorheeft waar ik precies ben en wat ik aan het doen ben, kan ze haar volle kracht en andere arm weer gebruiken. En nu sta ik veel te dicht bij haar. Ze werkt me weer tegen de grond en knielt naast me neer. "Prima, die langzame dood kun je ook krijgen als je dat zo graag wilt."

Ik probeer haar mes in alle macht weg te duwen en snij haar in die beweging nog eens in haar arm, maar dat maakt haar alleen maar woester en sterker en ik voel haar mes dichter en dichter naar mijn gezicht toekomen. "Laat ik eerst die ogen maar uitprikken, die heb je toch niet nodig."

Ik probeer zowel mijn armen als mijn benen tegen haar te gebruiken, maar ze is veel sterker dan ik en ik word moe. Mijn mesarm heeft ze onder een knie geklemd en mijn benen houdt ze met haar andere arm weg. Met één arm duw ik tegen haar overgebleven arm aan en ik voel nog hoe het mes beetje bij beetje dichterbij komt.

Dan hoor ik een klap en haar arm vliegt over me heen. het mes snijdt me in mijn bovenarm, maar ik merk er niet echt veel van. Rove ligt nu over me heen gebogen en mijn benen zijn vrij. Ik trap haar in haar buik, met de bedoeling om haar van me af te krijgen en dat werkt ook redelijk. Met een sprongetje kom ik overeind en ik draai me om naar waar ik weet dat Rove zijn moet. Maar ik ben meteen bezig met een nieuwe dreiging. Wat veroorzaakte die klap tegen haar arm? Is dat iets goeds of niet?

De gillen en schreeuwen van het bloedbad lijken minder en minder te worden en ik heb geen enkel idee hoe veel tijd er verstreken is en hoeveel tributen al dood zijn. En waar is Dorian nu toch?

Die laatste vraag is snel beantwoord want het is zijn stem die me instructies geeft.

"Liss, ren de andere kant dan mijn stem op en stop niet."

Ik knik en moet even op gang komen maar dan snappen mijn benen precies wat ze moeten doen. Ik draai me om en ren zo hard ik kan op de hobbelige ondergrond weg van Dorian. Waarom ik weg ren, weet ik niet. Ik zou hem moeten helpen, denk ik vaag. Maar mijn gedachten zijn niet meer dan dat, vaag en ik ren door. Tot ik weer ergens over struikel. Ik voel snel en merk dat het aanvoelt als een rugzak. Die gris ik mee terwijl ik weer op probeer te staan.

Dan hoor ik een gesuis achter me, recht op me af komen en ik laat me vallen. Het gesuis gaat over me heen en mijn vermoeden van dat het een wapen was wordt bevestigd wanneer ik weer gevloek hoor, achter me. Ik wil opstaan, maar ruik iets speciaals, iets plastics, vlakbij. In de hoop dat mijn aanvaller van net niet nog meer wapens kwijt wil spelen, steek ik snel mijn arm in de richting die mijn neus me wijst en ik gris een blokje van de grond. Meteen daarna sta ik weer op en ren ik door. Ik rem pas af wanneer ik de grond voel veranderen en de dennengeur heel sterk wordt. Ik weet dat ik nu in het bos moet zijn en rennen kan ik dus niet meer, tenzij ik tegen bomen aan wil botsen. Ik hang de rugzak op mijn rug en stop het blokje ik een van mijn jaszakken. Het zal later vast van pas komen.

Dan steek ik mijn rechterhand naar voren en mijn mes hou ik ook een beetje die kant op gericht. Ik loop zo tussen de bomen door en hou mijn oren gespitst op eventuele andere voetstappen.

Na wat wel een uur lijkt te zijn geweest, hoor ik voetstappen van achter me komen. Ik draai me achter een boom en hoop dat degene die me achterna is gekomen, me voorbij loopt en vooral ook niet achterom kijkt.

Maar dan hoor ik het en ik laat mijn adem, die ik blijkbaar inhield, gaan. "Alissa?" klinkt het zacht.

"Ik ben hier," antwoord ik mijn districtspartner. Ik laat me zakken tegen de boom waarachter ik verstopt sta. Ik ben opeens verschrikkelijk moe en misselijk.

"Daar ben je," hoor ik en ik voel hoe Dorian naast me neerknielt. "Sorry dat het me zo lang duurde, blijkbaar vonden ze mij best wel een lastpost of zo. Ze kwamen met drie man op me af. Maar jij hebt jezelf goed verweerd, geloof ik." Dan wordt zijn stem heel angstig. "Liss, wiens bloed zit er op je mes en waarom bloedt je arm zo hevig? Je ziet ook bleek. Gaat het wel?"

Ik probeer te knikken maar de wereld om me heen lijkt te draaien. "Duizelig," weet ik uit te brengen. Dan hoor ik allerlei geluiden maar kan ze even niet thuisbrengen.

Dorian helpt me met mijn jas uitdoen en duwt iets tegen mijn arm en een snijdende pijn trekt door me heen. Daarna bindt hij iets strak om mijn arm heen, maar alles gebeurt weer als in een waas. Mijn ademhaling komt in korte stoten en ik hoor als van heel ver weg Dorian sussen en mijn naam zeggen.

"Liss, het is goed. Adem nu rustig. Sst. We zijn daar weg. Alissa? Doe nu toch rustig. Liss."

Ik probeer hem te antwoorden maar kan mijn stem niet vinden en daardoor raak ik nog meer in paniek. De duizeligheid wordt er ook niet minder op.

Na een aantal minuten weet ik mijn ademhaling een beetje onder controle te krijgen. Genoeg om te kunnen praten. "Dorian," weet ik fluisterend uit te brengen. Mijn stem klinkt bang maar dringend. "Dorian, dat bloed, dat is haar bloed. Ik stak haar! Ik dacht er niet eens bij na!" Ik ga harder en harder praten en tranen vullen mijn ogen.

"Sst," zegt Dorian terwijl hij me tegen zich aan trekt. "Sst. Als je dat niet had gedaan was jij nu dood geweest. En zo erg was haar verwonding nu ook weer niet. Ze rende als een of ander wild beest achter me aan. Je hebt haar alleen maar boos gemaakt, meer niet."

Langzaam maar zeker trekt de hysterie mijn lijf uit. De vermoeidheid blijft, maar de duizeligheid vloeit weg. Mijn ademhaling is weer bijna normaal wanneer de kanonschoten klinken.

Een... Twee... Drie... Ik hou mijn adem in en wacht. Ik tel negen schoten en dan is het weer stil. Negen tributen hebben het bloedbad niet overleefd. Zouden Mirano en Opéra daar ook bij zijn? Vanavond zullen we het zien. Vanavond zullen de eerste foto's aan de lucht staan.

We doorzoeken eerst de spullen die we hebben. Dorian heeft ook een rugzak mee weten te grissen en we gooien alle spullen eruit.

We hebben jodium en verband uit een eerste hulp doos, dat is wat Dorian gebruikt heeft om mijn arm te verzorgen, daar zit verder nog een aantal pleisters en een of ander pilletje in. Een slaapzak, een volle en een lege waterfles, wat crackers en gedroogd fruit, wat touw, twee messen, lucifers, een opvouwbaar pannetje en een extra paar sokken. Verder heb ik het mesje waar ik mee gevochten heb en heeft Dorian een werpmes en een speciaal soort mes met een gekantelde zijkant. Al met al een goede buit.

Dan bedenk ik me dat ik nog iets heb weggegrist van het veld en ik haal de kubus uit mijn zak. Ik geef het aan Dorian en die bekijkt het zorgvuldig.

"Het is een soort doosje," zegt hij verbaasd. Hij draait hem rond in zijn handen. "Hij lijkt open te kunnen, maar ik krijg hem niet open." Ik hoor hoe hij het doosje nog een paar keer ronddraait en ik vermoed dat hij trekt en duwt om het ding open te krijgen, maar het lijkt hem niet te lukken.

Hij geeft het aan mij. "Wat denk jij dat het is?"

Ik voel eens goed en merk inderdaad dat het doosje gespleten lijkt in het midden. Ik probeer de delen van elkaar af te draaien, maar dat werkt niet. Aan de twee delen trekken helpt ook niet en de twee zijkanten induwen evenmin. Ik haal mijn schouders op en geef het terug.

"Geen idee. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zoiets gevoeld heb."

Hij denk nog even na maar reikt dan naar een tas om alle spullen weer in te ruimen. "Ik denk dat we het beste verder kunnen lopen, zodat we heel ver van de Hoorn af zijn wanneer de nacht valt."

Ik knik en help met het inpakken van de rugtassen. Ik merk dat Dorian de wat zwaardere spullen in zijn rugzak stopt, maar ik zeg er niet veel van. We moeten meters maken en dat kan niet wanneer ik ons afrem omdat mijn rugtas te zwaar is.

Dan sta ik voorzichtig op. De duizeligheid is ver weg, maar nog niet helemaal. De misselijkheid wel en ik begin zelfs al wat honger te krijgen. Dat is best raar, in 12 konden we hele dagen overleven op één maaltijd en hier, na dagen goed gegeten te hebben, heb ik na een paar uur al honger.

Ik snuif de lucht op en bedenk me dat de dennenbomen heel erg naar thuis ruiken. Thuis gebruikten we die bomen, thee getrokken van hun naalden stopt de honger en dennenschors is ook best te eten. Eten.

Net voordat Dorian weer wil gaan lopen, hou ik hem tegen. "Dorian, wacht even. Mag ik dat gekartelde mes van jou?"

Hij geeft het me aan en ik draai me naar de boom waar ik tegenaan geleund heb. Deze boom heeft een redelijk laaghangende tak, die hing me bijna in mijn gezicht. Ik pak die tak vast en pluk wat dennennaalden ervan af. Die stop ik in een van de zakken van de jas. Misschien kunnen we wel thee zetten, vandaag of morgen. Dan snij ik met het mes wat boomschors weg en ik schraap de binnenkant van het stuk boom af. Ik geef wat aan Dorian, hij zal ook wel honger hebben. De rest duw ik zelf in mijn mond en ik sabbel erop.

"Na die chocolademuffins smaakt dit toch niet echt meer zo eetbaar," merk ik op.

"Nee," grinnikt Dorian. "Het smaakt zeker niet zo goed als de stoofschotel van gisteravond. Maar dat zal wel weer een kwestie van wennen zijn."

"Waarschijnlijk," zeg ik en ik geef het mes terug aan Dorian. Dan beginnen we te lopen. Weg van die verschrikkelijke plek die de dood van negen tributen heeft betekend.

We leggen grote afstanden af, hand in hand, zodat ik niet tegen een boom aan kan lopen. Maar een waterbron vinden we niet. We stoppen twee keer om wat te drinken maar dat doen we met kleine slokjes. Zolang we geen nieuwe waterbron hebben gevonden, is dit ons enige beetje water.

Wanneer we voor de derde keer stoppen, laat ik me met een plof op de grond zakken. Ik ben doodop en mijn misselijkheid komt langzaamaan weer terug.

"Hoe laat is het eigenlijk ondertussen?" Naar mijn gevoel zijn we al uren onderweg en wordt het ondertussen echt al tijd om een slaapplaats te zoeken, maar Dorian heeft daar nog niets over gezegd.

"Ik heb geen idee, eerlijk gezegd. Het lijkt wel middag aan het licht te zien, maar naar mijn gevoel zijn er al uren voorbij."

Ik knik instemmend. "Dat gevoel heb ik ook."

We besluiten iets langer door te lopen, tot de schemer valt en dan zullen we een slaapplaats zoeken. Dat moet niet lastig zijn, de bomen bieden ieder bijna evenveel bescherming en er zijn zelfs een heleboel bomen geschikt om in te klimmen en daar te slapen. Maar we willen eerst afstand afleggen. En water vinden.

Onderweg hoor ik vogels fluiten en zingen. De meeste soorten die ik hier hoor, heb ik nog nooit gehoord, maar ze zingen heel mooi. Verder hoor ik konijnen en zelfs wat grotere dieren wegrennen wanneer ze horen dat wij eraan komen. Maar voetstappen hoor ik niet, gelukkig.

Wanneer ik door mijn vermoeidheid echt niet verder kan, gaan we toch maar op zoek naar een plaats waar we vanavond en vannacht zullen blijven. En we hebben heel veel geluk want vlakbij waar we besluiten te stoppen, staat een misvormde boom. Door die misvorming heeft de boom een soort holte aan de onderkant van de stam, waar we allebei in passen. We willen net onze spullen goed neerleggen en het ons gemakkelijk maken wanneer we worden opgeschrikt door harde muziek.