Tada! Daar is dag 2! Nu school weer gaat beginnen, moet het makkelijker zijn om een vast schrijf/update moment te vinden, niet? Ik ga het in ieder geval weer proberen :3
Veel leesplezier :)
Het is het volkslied dat door het grote bos heen klinkt. Dorian staat snel op en loopt een paar meter van me weg. Om de foto's te kunnen zien, denk ik.
De muziek houdt op en Dorian vertelt me wie hij ziet.
"Morran, Sadille, Darne, Marlevieve, Boi, Rylis, Flim, Onyx en Mist."
Dan klinkt de trompet die ons laat weten dat er verder geen namen meer zullen komen en Dorian komt weer naast me zitten. Ik ben best wel onder de indruk van hem, hij heeft zich, net als ik overigens, de moeite gedaan om de namen van alle tributen te onthouden.
In gedachten ga ik het rijtje nog eens af. De jongen uit 3, die op de laatste trainingsdag ruzie had met Valeno, het meisje van 4, wat raar is aangezien ze normaal gesproken tot de beroepstroep had moeten horen maar haar lage score zal vast niet goed genoeg zijn geweest volgens de rest, de jongen uit 4, met een score van 4, het meisje van 6, de jongen van 7, de jongen van 8, de jongen uit 9 en beide tributen van 11. Nog vijftien over. Dat is eigenlijk best wel veel, maar ik klaag niet hoor. Eentje minder en dat had ik kunnen zijn. Of Dorian.
Dit betekent ook dat Opéra en Mirano nog leven en daar ben ik verschrikkelijk blij om. We kunnen hen gaan zoeken morgen. Ik stel dat dus ook voor.
"Zullen we morgen na zonsopgang direct gaan zoeken naar Opéra en Mirano?"
"Euhm," hoor ik Dorian. "Het idee vind ik prima, er is alleen een probleempje. Ik heb geen idee wanneer zonsopgang is."
Ik trek een raar gezicht. "Is de zon nog steeds niet onder dan?" Het volkslied klinkt toch altijd om middernacht?
"Nee," antwoordt Dorian. "De zon schijnt. Fel zelfs. En volgens mij staat ze ook nog steeds hoog aan de hemel, alsof ze niet van plan is de komende uren überhaupt onder te gaan."
"Waarschijnlijk een nieuwe strategie. Om ons tijdsgevoel helemaal in de war te brengen."
Omdat ik de afgelopen dagen weer veel met hem ben opgetrokken, begin ik te herinneren welke geluidjes met welke bewegingen en gevoelens gepaard gaan. Het geluidje dat ik nu hoor, laat me weten dat Dorian niet blij is met hoe de situatie nu is. Ik hoef ik niet lang te denken over de reden daarvan. Voor mij verandert het licht natuurlijk niets, want in mijn wereld is het altijd donker. Maar voor de andere tributen betekent het dat ze de hele nacht goed zicht hebben. Dat is wel handig, maar de beroeps kunnen dan ook beter zien 's nachts en de meeste tributen rusten in de nacht, juist omdat ze dan minder kans hebben om door de beroeps gevonden te worden. Nu het licht blijft, betekent het dat we de veiligheid van de donkere nacht kwijt zijn. Daarbij komt ook nog dat er genoeg mensen zijn die niet kunnen slapen in het licht. In 12 zijn we gewend met het duister naar bed te gaan en met licht op te staan. Nu meent ons lichaam dus dat het nog geen tijd is om te slapen. En oververmoeidheid in de Spelen mag dan nooit de echte reden zijn, het heeft voor een heleboel doden gezorgd.
Dan hoor ik hem zacht lachen. Wanneer ik hem vraag wat er is, zegt hij: "Heb ik toch geluk dat ik een team vorm met jou, niet?"
Ik schud mijn hoofd van onbegrip. "Hoe bedoel je?"
"Nou, voor jou maakt het niet uit of het licht of donker is. Dus aan jouw tijdsbesef verandert helemaal niets."
Dat tovert een lach op mijn gezicht. "Kan ik me toch nog nuttig maken."
Ik heb dat nog niet uitgesproken of Dorian trekt me tegen zich aan. "Zeg dat niet. Ik heb jou nodig om dit een beetje te kunnen overleven, hoor. En dan praat ik niet alleen over hoe slim je bent en hoe goed je gehoor is. Jij weet ook hoe die tributen met vrienden altijd beter de Spelen doorkomen dan die zonder. Ze zijn in ieder geval stukken gelukkiger dan de kinderen die in hun eentje door de arena zwerven."
Ik weet dat hij gelijk heeft. Ik heb tenminste nog iemand met wie ik lachen kan, ook al komt onze dood steeds dichterbij. Vrienden kunnen je hier laten vergeten dat je vecht om te overleven en die afleiding houdt de somberheid weg. Als ik hier een dag alleen zou moeten doorbrengen, zou ik gek worden, denk ik.
Ik voel hoe Dorian naast me door de rugzak graaft en besluit ook de mijne eens uit te halen. Ik haal de jas eruit. Die had ik halverwege de middag uitgedaan omdat het verschrikkelijk warm was. Nu is het ook nog te warm om hem aan te moeten, maar het is nacht en het zijn de spelen, dus het lijkt me slim hem dichtbij te houden.
Ik pak ook de slaapzak. Die kunnen we gebruiken om gemakkelijker op te liggen. Voordat ik dit zeggen kan, gaap ik. Dat laat Dorian weer gniffelen. Voor iemand die een zekere dood tegemoet gaat, lacht hij wel veel.
"Ga jij maar eerst slapen. Jij bent het meest moe. Ik kan toch nog niet slapen met dat licht."
Ik knik. Het lijkt egoïstisch om nu niet te zeggen dat hij ook slapen moet, maar mijn ogen vallen dicht en ik merk dat mijn hoofd echt aan wat slaap toe is. Wel vertel ik hem dat hij me wakker moet maken zodra hij wat slapen wil. Hij stemt in, maar ik heb het idee dat hij liegt. Ik wil er iets over zeggen, maar mijn tong voelt zo vreselijk zwaar. Met een laatste diepe zucht, val ik in slaap.
Ik schrik wakker van een harde knal en moet moeite doen om niet te gillen. Dorian legt meteen een arm om me heen, met zijn hand over mijn mond en fluistert zacht: "Rustig maar. Ze zijn niet in de buurt. Ga maar weer slapen."
Zijn kalmerende fluistering bedaart mijn kloppend hart en ik knik, nog een beetje beduusd van de slaap. En niet veel later ben ik alweer weggezakt in een diepe slaap.
Tegen het einde van mijn slaap begin ik te dromen. Mijn dromen zijn een beetje raar. Anders dan hoe ik me kan herinneren van vroeger in ieder geval. Vroeger droomde ik in filmpjes. Ik zag wat, hoorde wat, kreeg daar een bepaald gevoel bij. Ik denk dat die manier van dromen redelijk normaal is.
Sinds ik blind ben, of eigenlijk iets later pas, droom ik minder met beelden. Soms zie ik nog scherpe beelden voor me, soms is alles wazig, soms zijn het alleen maar kleuren en soms is het helemaal zwart. Maar hoe minder scherp het beeld wordt, hoe sterker ik dingen voel en hoe harder ik dingen lijk te horen. In de meest vreemde dromen, zie ik de beelden door elkaar. Het ene moment is alles helder en het volgende zie ik niets. Zo'n droom heb ik nu. En hij maakt me doodsbang.
Ik sta tegenover Rove. Ze ziet eruit als een reus met wilde, zwarte haren en donkere ogen. Haar gezicht heeft wat wolfachtigs en ze gromt soms diep. Het beeld gaat van scherp naar wazig naar zwart en weer terug en al die tijd staat zij gewoon daar, te wachten. Dan krullen haar lippen omhoog, wat haar nog angstaanjagender maakt. Mijn hart gaat tekeer en ik hoor geschreeuw, gegil en kanonschoten om me heen. Dan voel ik een stekende pijn in mijn zij. Ik kijk en zie dat ik daar gestoken ben met een mes heb en ik weet dat Rove me die steek heeft gegeven.
Ik kijk weer op en zie dat die enge lach steeds groter wordt. De ogen van het beestachtig meisje zijn niet op mij gericht, maar op iets achter me. Ik draai me met een ruk om, maar het beeld wordt zwart. Ik hoor vaag voetstappen, maar die komen nauwelijks boven het kabaal van de andere gevechten uit. Ik wordt vastgegrepen en kan weer kleuren zien. Ik zie het groen van het gras, het blauw van de lucht en recht voor me een vlek van kleuren. Zwart. Ik voel weer een scherpe steek, nu op mijn borst. Dan kan ik pas zien wat er aan de hand is. Opéra staat voor me, krullend rood haar omlijst haar jong, bleek gezichtje. Haar gezicht kijkt onschuldig en een beetje bang. Ik wil haar omhelzen, al is dat vreemd, wetende dat Rove achter me staat, klaar om me te doden. Maar ik kan niet dichterbij haar komen. Ik kijk omlaag om te zien waardoor ik niet naar voren toe kan en zie dat ze me tegenhoudt. Mijn beeld wordt weer wazig voor ik het goed en wel gezien heb, maar dan zie ik het helderder dan ik tot nu toe in de heldere dromen gezien heb. Opéra houdt een mes vast en dat heeft ze in mijn borst gestoken.
Ik kijk weer op en het wordt zwart. Ik wil wat zeggen, maar voel hoe iets uit mijn mond drupt. Ik kan het niet binnenhouden en het wordt steeds meer. Ik weet dat het mijn bloed is, maar zien kan ik het nog steeds niet. Ik ben bang.
De geluiden trekken langzaam weg, alsof ze nu van onder me komen en het geluid van de wind overheerst. Ik heb het gevoel dat ik vlieg. Mijn zicht is weer terug en ik zie hoe ik aan een bloedrode bel door de lucht zweef. Ik zweef verder en verder en laat de wind me leiden. Dit voelt eigenlijk wel goed zo. Ik maak me nergens meer zorgen over. Ik kan zelfs thuis zien, onder me. Ik zweef naar huis! Mijn hart maakt een sprongetje bij die gedachte. Ik wil sneller, de bel gaat niet snel genoeg. Ik wil thuis zijn, bij Brad en Luc.
Ik ben er bijna wanneer er een schaduw over de bel valt. Ik denk eerst dat mijn zicht weer verandert, maar dan zie ik wat de donkere plek veroorzaakt. Rove heeft een of ander blok op haar rug, dat haar vliegen laat. Weer heeft ze zo'n dierlijke grijns op haar gezicht. Ze steekt een hand uit en het duurt even voor ik door heb wat ze vasthoudt. Het wordt weer wazig en ik zie ook nauwelijks hoe ze een naald mijn bel kapot laat prikken. Ik voel hoe ik val. Mijn zicht stelt scherp en ik zie hoe Rove zwaait. Wanneer ik de grond raak, schrik ik wakker. Het geluid van de klap lijkt nog door te dreunen in mijn oren.
Mijn hart gaat weer tekeer en het duurt even voor ik me bewust wordt van Dorians stem. "Liss, gaat het? Droomde je? Er is niets aan de hand hoor. Rustig ademen."
Ik had niet eens door dat ik zo snel ademde. Het duurt niet heel lang voor die tot rust is gekomen. Dan knik ik. "Ik had een vreselijke droom."
Er gaat een rilling door me heen, maar niet van de kou. Het is nog steeds niet afgekoeld en we moeten toch echt al ver over de helft van de nacht zijn. Wanneer ik me dat bedenk, draai ik me met een ruk naar Dorian toe. "Je zou me wakker maken. Jij moet ook slapen." Ik kan mezelf er nog net van weerhouden te schreeuwen.
"Maar Liss, het is nog steeds licht. Ik kan niet slapen zo. Waarschijnlijk kan ik de komende nacht slapen. Dan ben ik moe genoeg om het licht te kunnen negeren."
Ik weet dat hij wel gelijk heeft maar ik vind het nog steeds niet helemaal eerlijk dat ik wel slaap en hij niet. Zijn volgende woorden overtuigen me echter om zelfs nog ietsje langer te rusten.
"En zolang een van ons goed uitgerust is, maakt het nu toch nog niet zo heel veel uit, wel? Als jij goed uitgerust bent, kun jij letten op eventuele vijanden."
Dit keer slaap ik rustig, zonder dromen, maar ik schrik weer wakker.
"Alissa? Ik denk dat we langzaamaan verder moeten."
Ik adem eens diep in en uit en probeer mijn hart een beetje tot rust te laten komen. Waarom schrik ik toch steeds zo? Er is helemaal niets aan de hand.
Ik sta op en pak de spullen bijeen. De regenjas stop ik weer in de tas. Ik heb zo'n idee dat dit een erg warme dag gaat worden. Mijn keel en mijn tong zijn er in ieder geval niet erg blij mee. Dorian geeft me de waterfles aan en ik merk dat die al erg leeg is. Na een kleine slok, geef ik hem terug.
"We moeten snel water vinden," zeg ik, alsof het niet duidelijk genoeg is.
Dorian is het met me eens. "Vooral wanneer het echt zo warm blijft."
Hij geeft me ook een cracker aan. Het is vreselijk droog en stilt mijn honger absoluut niet, maar het zorgt voor een iets andere smaak in mijn mond en dat is wel fijn.
We trekken verder het bos in, of dat hopen we. De zon blijkt niet echt een goede richtingaanwijzer dit keer. Ik hou mijn oren gespitst op andere tributen en water, maar hoor geen van beide. Wel hoor ik kleine beestjes, konijnen waarschijnlijk, langs ons heen rennen. Ik opper ze te volgen. Zij moeten een of andere waterbron hebben.
Dorian stemt in en zo hobbelen we, want wat we doen kun je niet echt meer rennen noemen, hand in hand achter de konijntjes aan. Na een tijdje ben ik ze kwijt en moeten we de achtervolging staken, maar wanneer we weer even gelopen hebben, komen er nieuwe konijntjes langs. Op die manier proberen we ons te oriënteren op waar we heen moeten, maar we zien of horen uren lang geen water.
Wanneer we weer een konijnenspoor bijster raken, houdt Dorian halt. Hij ademt zwaar en de hitte straalt van hem af. Ik veeg met mijn hand over mijn voorhoofd om het zweet weg te vegen en schrik wanneer dat pijn doet. Door die nood naar water, zijn we de dreiging van de zon vergeten. Snel zwaai ik de tas van mijn rug. Ik weet dat ik het verschrikkelijk ga vinden, maar ik vis de regenjas eruit en doe die om. De capuchon zet ik op en ik trek hem wat verder over mijn hoofd, zodat mijn gezicht ook wat schaduw heeft. Ik voel meteen de verlichting van de schaduw op mijn verbrande huid.
Dorian staat naast me en begint een beetje raar te lachen. "Wat doe jij nou?" vraagt hij krakend. "Heb je het niet warm genoeg?"
Ik schud mijn hoofd. "Jij moet het ook doen. Je verbrandt."
Ik voel Dorian wild bewegen. "Ik ben niet gek!" Hij klinkt wel nogal gek. Een beetje alsof hij ijlt, koorts heeft. Misschien ben ik al te laat en heeft hij al een zonnesteek opgelopen!
"Dorian, kijk naar je huid. Ziet het niet rood uit?" Ik hoop maar dat het duidelijk genoeg te zien is, anders wordt het nog een hele klus om hem uit de zon te krijgen.
Even is hij stil, maar dan krijg ik een krakend antwoord. "Misschien."
Ik haal opgelucht adem. Nu hij het ziet, is de kans groter dat hij naar me luistert en de jas aandoet. Maar wanneer ik het weer voorstel, krijg ik precies hetzelfde antwoord.
Waarom is hij zo koppig? Normaal vind ik dat niet zo erg, maar nu kan het zijn dood betekenen!
"Dorian, alsjeblieft?"
Het werkt niet.
"Mag ik dan wel een slok drinken? Ik wil namelijk geen zonnesteek," zeg ik hem. Het duurt even, maar dan reageert hij. Dorian zet de tas op de grond en rommelt er wat in. Ik hoor het klotsen van het water en mijn lichaam lijkt meteen te reageren. Bij het horen van die nattigheid, krijg ik een nog drogere mond, maar ik weet mezelf in te houden en neem een kleine slok. Dan geef ik de fles terug aan Dorian, die ook een slok neemt. En nog een. En nog een.
Ik probeer hem te stoppen, maar zelfs met een zonnesteek kan ik niet tegen zijn kracht op. Hij stopt pas met drinken wanneer de hele fles leeg is. Maar hij heeft niet door waarom ik zo van streek ben.
Ik loop een eindje voor hem uit, mijn handen ietsje naar voren gestrekt om niet tegen bomen aan te lopen en mijn knieën hoog optrekkend zodat ik niet over kleine struikjes vallen kan. Niet veel later komt Dorian naast me lopen.
"Lissa, wat is er nu?" Zijn stem is wat minder krakend en klinkt wat kinderlijk. Dat zal die zonnesteek wel doen.
"Je hebt het water helemaal opgedronken. Dat is er."
"Maar waarom ben je daar boos om?"
Ik zucht diep. Dat laat hem lachen. "Je klinkt als Lattea als je dat doet."
Ik kan een klein lachje niet onderdrukken, maar al snel is die lach weer verdwenen. We hebben echt heel dringend water nodig. Ik ben zo uitgedroogd, dat ik nu zelfs meen dat ik water hoor druppelen.
Wacht…
Maar ik hoor water druppelen! Ik loop iets sneller erop af, waardoor ik een aantal keer struikel over losliggende takken op de grond. Hoe dichterbij ik kom, hoe beter ik het water horen kan. Er is echt water! En we zijn er bijna!
Ik hoor hoe Dorian achter me aan komt gestrompeld. Als we dadelijk bij het water zijn, hoef ik me niet meer zo druk te maken over zijn zonnesteek. Een beetje water door zijn gezicht zal wel wat helpen, hoop ik.
Ik kan het water bijna voelen, zo dichtbij zijn we. Ik zet nog een stap en voel hoe de grond lager is dan waar ik nu sta. Even val ik, maar dan kom ik met een hoop gespetter in een zachtstromend rivierachtig water terecht. Ik voel hoe Dorian met me mee valt, hij mag dan wel kunnen zien, met zijn zonnesteek let hij nu niet bepaald op hoogteverschillen in de grond. We staan eerst stil, verwonderd over dat we echt water hebben gevonden, maar dan moet ik heel veel moeite doen om Dorian ervan te weerhouden meteen bakkenvol water te drinken. Ik hou hem voor dat het water eerst schoon gemaakt moet worden. Dat is natuurlijk zo, maar je kunt heel ziek worden van veel water drinken na lang zonder water te hebben gezeten. Hij heeft wel net een kwart van de fles gedronken dus ik ga er niet vanuit dat het veel vaart loopt, maar je kunt beter het zekere voor het onzekere nemen.
Ik vul een fles half en doe er een beetje jodium bij. Ik hoop maar dat het niet te veel maar ook niet te weinig is. Dit is weer zo'n moment dat ik de afwezigheid van mijn zicht vervloek. De andere fles maak ik helemaal vol.
Wanneer de minst volle fles naar mijn idee lang genoeg heeft gestaan, neem ik een paar slokken. Dan geef ik hem aan Dorian. Die drinkt gulzig de fles leeg en zeurt aan mijn hoofd dat hij meer wil en dat hij vindt dat de andere fles lang genoeg heeft gestaan. Ik overtuig hem van het tegendeel en vul de nu lege fles weer op.
Dan neem ik de fles met schoon water. Dit keer drink ik meer voordat ik de fles af geef. Dorian drinkt hem niet in één keer leeg, gelukkig. Daardoor kan ik nog een paar slokken pakken. Op dat tempo drinken we de flessen een heel aantal keer leeg. Dorian is ondertussen een beetje bijgetrokken en schaamt zich voor zijn gedrag. Ik weet hem ervan te overtuigen dat het, achteraf gezien, eigenlijk best grappig was en dat hij er niets aan kon doen. Een zonnesteek en dorst tegelijk, dat is letterlijk gekmakend.
We maken onze huid nat, om het verbrande gevoel wat te verlichten en daarna doen we allebei onze jassen aan. Het verband dat Dorian om mijn arm had gewikkeld, zakt in het water naar de bodem. De snee die Rove me gegeven heeft, is gelukkig niet heel erg diep en hij lijkt ook niet te gaan ontsteken, dus ik hoef er niets meer aan te doen.
Aan de rand van het beekje, want dat blijkt het te zijn, staan wat struikjes met besjes. Ik pluk er een, ruik eraan, plet hem, ruik nog eens en proef dan voorzichtig. Ja, deze besjes zijn precies de besjes die ik ken. En ze voelen nog rijp aan ook. "Deze kunnen we eten."
Mijn maag reageert meteen en knort als een gek. Ik ben blij dat er geen tributen vlakbij zijn, want niemand had dat geluid kunnen missen.
Voorzichtig, want je weet nooit of het misschien een struikje is met verschillende soorten besjes, plukken we alle eetbare besjes. We kunnen het allebei niet laten om soms ook besjes meteen op te eten. Ze zijn heerlijk sappig en laten me terugdenken aan die zomer, een jaar of zeven geleden, toen ik met papa de tuin aan het doen was.
We hadden een hele mooie tuin, met allemaal planten en struiken die mama door de jaren heen gespaard had. De dingen die zij uitkoos waren meestal eetbaar en konden jarenlang in de tuin blijven staan, vandaar dat ze die zomer nog steeds in de tuin stonden. We hadden ook een witte bessenstruik en die plukten we ieder jaar in de laatste weken van de zomer helemaal leeg. Die struik was mijn meest favoriete plant uit de tuin en ik kon het dan ook nooit laten heel veel van die besjes te eten terwijl we ze plukten. Papa moest dan altijd lachen; hij vond dat ik het meest op mama leek wanneer ik stiekem van die besjes snoepte. Dit is dan ook de eerste keer sinds het ongeluk dat ik die mooie, zoete besjes weer eet.
We hebben ongeveer de helft van de geplukte besjes nog over en die doen we in de zakken van onze regenjassen, bovenop de dennennaalden.
Nu onze buiken redelijk gevuld zijn, neemt Dorian me weer bij mijn hand en beginnen we weer te lopen.
"Waar gaan we heen?" vraag ik nieuwsgierig aan hem.
Ik voel dat hij zijn schouders ophaalt. "Meer eten zoeken, denk ik. Wanneer jij iets hoort of ruikt, moet je het maar zeggen."
Ik knik en spits mijn oren terwijl Dorian me door het bos leidt. We besluiten langs het water te blijven lopen. Daar is de grond ook erg vruchtbaar en zullen we dus ook wel eten kunnen vinden. Ik hou Dorian op de hoogte van wat ik hoor. Konijnen, vogels, grote dieren die we snel uit de weg gaan.
We besluiten nog niet te jagen. Om vlees te kunnen eten, moet het gaar zijn en dat betekent vuur. Daar vinden we het allebei niet veilig genoeg voor. Het mag dan misschien nog steeds licht zijn, de rook kan ons ook verraden en we zitten nog niet heel ver van de hoorn af.
Terwijl we door het bos lopen, snoep ik van de besjes. Ik weet dat ik ze waarschijnlijk beter kan bewaren, maar ze smaken zo lekker en ik heb nog steeds wat honger.
Om toch wat van de besjes over te houden, besluit ik om maar op wat dennennaalden te sabbelen. Wanneer ik er een paar in mijn mond stop, valt me iets vreemds op.
"Dorian?" Nog iets raars, hij is wel vreemd stil sinds we in de arena zijn. Niet heel erg gek natuurlijk, we kunnen nu ieder moment vermoord worden.
"Wat is er?" vraagt hij me.
"Ik ruik geen dennenbomen meer. Zie jij ze wel nog?"
We houden even halt en ik weet wat Dorian nu zal zien. Geen dennenbomen. Zijn antwoord bevestigt dat. "Het lijken wel beukenbomen. Geen dennen in ieder geval." Dan blijft hij even stil. "Zullen we terug gaan om te kijken of het overal zo is?"
Ik schud mijn hoofd. "Dan komen we dichter bij de hoorn en daar willen we juist weg. We hebben toch nog dennennaalden genoeg, laten we hier wat beukenootjes verzamelen, als die eetbaar zijn."
Voor we het weten zijn er uren voorbij. Hoe laat het precies is, weten we nog steeds niet aangezien de zon weigert mee te werken. Vreemd genoeg hebben we, nu we onze regenjassen dragen, minder last van de zon. Aan wat volgens ons het einde van de middag is, vinden we dat we genoeg bessen en noten hebben verzameld en gegeten en we mogen van onszelf even uitrusten aan de kant van het water, zodat we ook onze watervoorraad weer kunnen aanvullen.
Terwijl Dorian de flessen vult en er de juiste hoeveelheid jodium aan toevoegt, doe ik mijn schoenen en de jas uit en ik ga in het stroompje staan. Het stroomt heel langzaam en komt tot halverwege mijn bovenbenen. Het water is heerlijk koel en ik buk me voorover om me wat op te frissen.
Ik hoor wat gespetter achter me en neem aan dat Dorian ook van de koelte van het water wil genieten tot hij vlak achter me stil houdt en ik het ijskoude water langs mijn nek en over mijn gezicht voel lopen.
Terwijl ik overeind kom, mijn ogen groot van schrik en verbazing, rent hij lachend van me weg. Natuurlijk staat hij niet heel ver van me af, maar het is ver genoeg om veilig te zijn van het water dat ik naar hem toe spetter.
"Watje!" roep ik hem toe. "Kom dan hier als je durft!" Natuurlijk schreeuw ik het niet hard naar hem, maar we hebben al sinds het bloedbad niemand meer gezien en ik heb al de hele dag niets anders gehoord dan vogels en konijnen. Als iemand ons had willen aanvallen, had diegene dat kunnen doen wanneer we gebukt beukennootjes stonden te verzamelen of zo.
Even aarzelt Dorian maar dan komt hij naar me toe. Op ongeveer een meter van me af blijft hij staan. "Waarom zou ik dat niet durven?"
Hij is nog niet uitgepraat of ik heb een arm vastgegrepen en ik probeer hem omver te trekken, het water in. Dorian wankelt hoogstens een beetje maar herpakt zich dan en binnen een paar tellen hang ik met zijn arm om mijn heupen, ondersteboven, een paar centimeter van het wateroppervlak af.
"Die chocolademuffins, die moet je maar niet meer eten. Ik kan je al bijna niet meer zo hoog optillen," grapt hij. Ik ben een paar keer het huis van Dorian en Kaïan binnengelopen terwijl die twee aan het stoeien waren en soms deed ik dan mee. Op een of andere manier eindigden zowel Kaïan als ik altijd ondersteboven bungelend, op dezelfde manier als hoe ik nu hang. Dat werd dan ook meestal gevolgd door grappen over hoe licht ik wel niet ben en dat ik toch echt meer moet eten, wil ik ooit groot en sterk worden.
Ik sputter wat tegen en probeer met mijn handen het water in zijn gezicht te spetteren maar hij pakt mijn polsen met zijn overgebleven hand vast. Halfhartig probeer ik me los te trekken, maar hij is veel te sterk. "Stomme mijnwagens ook," grauw ik naar hem, maar dan hou ik me doodstil.
"Wat is er? Ben je uitgespeeld? Kun je niet meer tegen je verlies?"
Ik maan Dorian gauw tot stilte maar aangezien ik op mijn kop hang, snapt hij mijn gebaren niet helemaal. "Ik hoorde iets," sis ik hem toe.
Ik voel meteen hoe hij zijn spieren aanspant en weer serieus wordt. Hij zet me rustig neer in het water, rechtop. "Welke kant?" Zijn stem is nauwelijks te horen.
Zonder dat het geluid van het water me verraad, draai ik me om en wijs ik in de richting waar ik iets hoorde. "Het klonk als een tak die brak en voetstappen die wegrenden," maak ik hem zachtjes duidelijk.
Nadat hij me duidelijk heeft gemaakt dat ik geen vin mag verroeren, is Dorian binnen een paar passen op de kant. Ik hoor hoe hij de kant van het geluid op loopt en hoop maar dat hij niet zo stom is geweest als ik door mijn mes aan de kant te laten liggen. De zenuwen gieren door mijn keel.
Niet heel veel later komt hij terug. "Ik zie inderdaad voetsporen, maar ik weet niet hoe oud die al zijn. Er is nu niemand." Terwijl hij dat zegt, voel ik hoe het water steeds sneller begint te stromen en het lijkt ook steeds hoger te komen. Ik begin naar de kant toe te lopen, daar waar Dorian staat, maar de stroom wordt zo krachtig dat ik bij de laatste stap die ik zet, de grond onder mijn voeten kwijt raak. Ik grijp naar de kant en weet me vast te grijpen aan wat hogere grassprieten, maar die zijn niet stevig genoeg om me aan op te trekken. Wanneer ik denk dat de stroom me te pakken heeft, voel ik hoe een sterke hand zich om mijn pols sluit. Dorian trekt me in een vloeiende beweging omhoog en laat me naast zich op de grond zakken.
"Misschien toch maar wat meer muffins eten."
We besluiten onze spullen snel weer te pakken en een stukje verder het bos in te trekken, om daar een plek te zoeken voor de nacht. We moeten ervoor zorgen dat we een iets langere nacht hebben dan gisteren, zodat we allebei even kunnen slapen. Om de beurt natuurlijk, aangezien er blijkbaar toch tributen in de buurt zijn.
De zon is nog steeds niet onder, maar Dorian is moe genoeg om een beetje te kunnen slapen. Hij maakt het zich gemakkelijk tegen een boom terwijl ik twee van de messen pak en een paar meter verder ga zitten. Zo hoor ik Dorian wel zacht ademen en kan ik me ervan verzekeren dat alles goed met hem is, maar overheerst het geluid de eventuele andere geluiden, als voetstappen of misschien nog een ademhaling, niet.
Ik zuig op een beukennootje tijdens het op wacht zitten en luister goed om me heen. Ik hoor vogels die nog steeds vrolijk hun lied fluiten, konijnen die langs ons door rennen, een dier op vier poten dat erg aanhoort als een vos, een nog groter dier waarvan ik geen idee heb wat het zou moeten zijn. Het komt gelukkig niet dichtbij genoeg om me zorgen te moeten maken. En er zijn geen voetstappen te horen.
Dorian slaapt rustig door, al maakt hij af en toe ietwat harde geluidjes. Wanneer een van die geluiden na een uur of twee aanhoudt en zelfs steeds harder wordt, maak ik hem wakker.
"Dorian. Dorian wordt wakker." Ik zeg het zacht, maar niet dringend. Ik wil niet dat hij denkt dat we aangevallen worden. Toch voel ik dat hij wakker schrikt.
"Wat is er?" Hij klinkt meteen heel alert. Dat beetje slaap heeft hem toch goed gedaan.
"Niets ergs," antwoord ik. "Maar je snurkt. En tenzij anderen denken dat de Spelmakers 's nachts bomen om zagen, horen ze dat je slaapt. Niet goed dus."
"Maar hoe snurk ik dan niet?"
Ik denk even na. "Je leunde met je hoofd achterover tegen de boom, toch?" Ik probeer aan de hand van de beweging die ik Dorian voelde maken te snappen waarom hij snurkte. Ik heb hem nog nooit eerder horen snurken, dus er iets iets anders nu dan wanneer hij in bed ligt.
Dorian maakt een instemmend geluid en wrijft over zijn nek. Die is natuurlijk stijf van het verkeerd zitten.
"Ga anders op de grond liggen. Dat moet het tegengaan en dat is ook beter voor je nek."
Ik ga een beetje aan de kant zodat hij liggen kan. Ik hoor hem tevreden zuchten en ga weer terug naar mijn plek en luister hoe Dorians ademhaling langzaam weer diep wordt. Zonder te snurken dit keer.
Zijn rust wordt echter weer snel gestoord, maar niet door mij. Het volkslied klinkt luid.
