Wanneer het volkslied heeft geklonken, ruilen Dorian en ik om van wachtbeurt. Ik slaap niet heel diep omdat ik steeds wakker word van de kou, maar de slaap doet me goed. Ik weet niet waarom, maar de dag heeft me uitgeput achtergelaten.
Het eerste wat ik voel wanneer Dorian me wakker maakt, is de kou. Die is tijdens de nacht overal in doorgedrongen; de grond, de bomen. Zelfs ons water is koud. We eten de laatste crackers, wat besjes en een beetje konijn en besluiten om het water weer te volgen, want we hebben geen idee waar we anders naartoe zouden moeten lopen. We blijven er wel een stukje uit de buurt, de beschutting van de bomen geeft iets meer warmte.
Dorian vertelt me dat het bijna helemaal donker is. Het enige licht dat hij kan zien, kom van de maan af. Ik probeer me voor te stellen wat hij ziet en in mijn gedachten is het mooi, maar ik blijf er niet te lang bij stil staan. Het is nutteloos me ermee bezig te houden, maar ik heb toch afleiding nodig. Zonder afleiding moet ik aan de kou denken en dat maakt het ondraaglijk.
Uit verveling begin ik stappen te tellen, maar ook dat verveelt snel. Na honderdacht stappen hoor ik een uil. Op driehonderdvijfentwintig struikel ik. Vierhonderddrieëntachtig en ik hoor geritsel naast me. Daardoor raak ik de tel kwijt en ik sta vrijwel meteen stokstil.
Ik voel hoe Dorian eerst naar me kijkt en vervolgens een vraag wil stellen, maar ik schud mijn hoofd, gebaar dat hij stil moet zijn en wijs in de richting van het geluid. Dan hoor ik het weer en dit keer hoor ik ook voetstappen. Dorian heeft het blijkbaar ook gehoord want hij knijpt zachtjes in mijn hand, voor hij die loslaat.
Hij loopt richting het geluid en ik meen te horen dat hij zijn mes te voorschijn haalt. Dan hoor ik hem dreigend zeggen: "Kom tevoorschijn!" Hij houdt niet ver van me vandaan stil, waarschijnlijk om me niet onbeschermd achter te laten, mochten het de beroeps zijn en mochten ze ons hebben omsingeld.
Ik hoor weer een geluidje, een soort van snik dit keer en ik geloof dat ik het geluid herken. Voordat ik mezelf kan stoppen, sta ik naast Dorian. "Opéra? Ben jij dat?"
Ik hoor nog meer geritsel en voetstappen en ik weet het bijna zeker. Die geluiden passen maar bij één iemand, al heeft diegene heel wat gewicht verloren in de afgelopen paar dagen.
"Ja," zegt ze zachtjes. Dan hoor ik een zwaarder gerommel; een ander paar voetstappen dat door de struiken dendert. En nog geen drie tellen later komt de stem van Mirano door de struiken heen. "Als je haar ook maar met één vinger aanraakt…" Zijn stem stokt op hetzelfde moment als het geluid van zijn voetstappen. Hij snakt verbaasd naar adem en gaat snel tussen Dorian en Opéra in staan.
"Hoi?" Hij klinkt vreselijk wantrouwend en dat kan ik hem niet echt kwalijk nemen. Misschien zouden we goede vrienden kunnen zijn buiten de arena, hierbinnen is iedereen je tegenstander, je vijand. We mogen dan van te voren hebben afgesproken elkaar te vinden, er kan veel verandert zijn in die paar dagen.
"Mirano…" hoor ik Opéra zacht zeggen. Ik wil iets naar voren lopen, zodat ik schuin voor Dorian kom te staan. Die houdt me met een arm tegen, maar die duw ik weg. "Dorian, het zijn Opéra en Mirano. En volgens mij hebben ze honger."
Ik hoor Opéra een geluidje onderdrukken en haal het overgebleven beetje konijn uit mijn jaszak. "Hier." Ik reik het aan, maar Dorian laat me niet naar voren lopen. Ik voel hoe Opéra twijfelt en hoor hoe Mirano haar ook probeert tegen te houden, maar uiteindelijk loopt ze naar me toe en neemt ze het eten van me over.
Ik lach terwijl ik haar gulzig hoor smakken en lach nog breder wanneer ik een tevreden zucht hoor.
"Opéra." Meer zegt Mirano niet, maar de dreiging die in dat ene woord zit, zegt alles. Zijn districtspartner draait zich om. "Het zijn vrienden, Mirano. En misschien kan jou dat niets schelen, maar vrienden zijn voor mij belangrijker dan jouw voorzichtigheid. Die heeft ons tot nu toe nog niets gebracht behalve problemen. Jij bent de hele tijd vreselijk chagrijnig en zo wil ik mijn laatste dagen niet doorbrengen. Liever nog maar één dag met vrienden dan een week met alleen een boze versie van jou."
Het blijft stil en ik begin net te denken dat hij bevroren is, wanneer Mirano zegt: "Fijn. Maar ik kom mee. Hebben jullie misschien nog iets te eten?"
Dorian staat nog steeds gespannen met zijn arm als een soort gesloten slagboom voor me en ik leg een hand op zijn schouder. "Het is goed. Het zijn vrienden."
Dorian snuift en haalt ook zijn laatste konijn uit zijn jaszak. Ik pak wat besjes en geef er een paar aan Opéra. Een aantal ervan eet ik zelf op. Jammer genoeg zijn de besjes bijna op. Ik hoop dat we snel weer een aantal struikjes vinden.
Terwijl we allemaal wat eten en onze flessen bijvullen, kletst Opéra maar door over wat er tot nu toe gebeurd is. Ze zijn op het nippertje aan de beroeps gevlucht en hebben één rugzak mee weten te grissen. Ze zijn achtervolgd door wilde honden en hebben sinds de eerste dag niets gegeten behalve een paar nootjes. Ze verschuilen zich in een grot, waar het nu minder koud is, maar moesten hun water komen aanvullen. Ze hebben geen wapens, niet eens een werpmesje en dat is ook een van de redenen dat ze nauwelijks wat gegeten hebben. Dat en Mirano vertrouwt niets van het eten dat er te vinden is in het bos.
"Een grot? Passen we daar met ons vieren in?" vraagt Dorian.
"Ja, hoor," zegt Opéra. "Zullen we daar maar naartoe gaan? Ik vind het maar koud hier."
Grot? Dat menen ze toch niet serieus, hè? Moeten we echt een grot in? Ik besluit nog niets te zeggen en sta ook op. De twee tributen uit tien leiden de weg. Mirano lijkt een beetje te zijn bijgetrokken, nu hij wat gegeten heeft, maar hij lijkt nog steeds niet helemaal blij te zijn met ons als bondgenoten.
De warmte die de grot uit komt drijven lijkt inderdaad heerlijk, maar ik blijf net erbuiten staan. Ik hou echt niet van ondergrondse dingen. Ik kan het misschien niet zien, maar ik hou veel meer van een open lucht boven me. De echo van de geluiden klinken beklemmend wanneer je zo'n natuurlijk dak boven je hebt.
"Alissa? Kom je ook?" vraagt Opéra en ik antwoord met een geluidje dat voor zowel ja als nee door kan gaan. Het klinkt net iets te hoog en daarom verschijnt ze in de opening.
"Wat is er?"
Mijn hart begint steeds sneller te kloppen. En mijn keel wordt dichtgeknepen. Ik kan niet eens meer vertellen wat er aan de hand is. Gelukkig weet Dorian van mijn angst.
"Ze is bang om ondergronds te zijn." Zijn stem klinkt zacht. Een beetje medelevend maar niet overdreven. "Maar Liss, er is echt niets om bang voor te zijn. Als je vlakbij de uitgang blijft, ben je toch ook zo weer buiten wanneer er iets dreigt te gebeuren. En jij zult de eerste zijn die doorheeft dat er wat gebeurt, jij kunt het horen."
Hij heeft gelijk, dat weet ik ook wel, maar toch gaat mijn hart als een gek tekeer. Ik besluit het erop te wagen en zet een stap naar binnen. Het dak blijft waar het zijn moet en de echo van de geluiden klinken niet zo overweldigend als ik dacht. Misschien valt het toch wel een beetje mee.
De grot is inderdaad veel en veel warmer dan het bos, maar Dorian en ik besluiten dat we niet te lang kunnen blijven. We moeten weer jagen. Onze voorraad slinkt nu wel heel erg snel. Opéra wil mee en daarom besluit Mirano ook maar mee te gaan.
Het bos bestaat vandaag vooral uit bomen met bessen die we niet herkennen en dus ook niet eten. Hier en daar staan wat kersenbomen waaruit we plukken en op sommige plekken staan wat eetbare knolletjes. Ik heb tijdens training geleerd hoe ze heten, maar dat ben ik weer vergeten. Ze zijn eetbaar en dat is het belangrijkste. We komen ook nog een appelboom tegen. Ik klim de boom weer in en pluk een groot aantal appels, zowel zoet als zuur. Wanneer ik weer beneden aankom, vraagt Mirano waarom ik toch steeds klop op de appels.
"Om te horen of ze niet giftig zijn," is mijn antwoord. "We denken dat er ook giftige appels in de bomen hangen."
Opéra pakt een appel van de grond en klopt erop.
"Die is zoet," vertel ik haar.
Ze twijfelt een kort moment maar dan zet ze haar tanden in de appel. "Je hebt gelijk!" roept ze vrolijk. "Hoe weet je dat? Door het kloppen? Ik hoorde helemaal niets!"
Ik lach en raap ook een paar appels van de grond. De meeste duw ik in mijn rugzak maar ik hou er een over om nu op te eten.
Het zal een uurtje later zijn wanneer ik geritsel hoor. Konijnen.
Ik maan iedereen tot stilte en geef Dorian weer het gebaar van 'konijn'. "Waar?" vraagt hij zacht. Ik loop heel zachtjes in de richting van waar ik het geluid heb gehoord, mijn mes in mijn hand. Dorian blijft staan, maar Mirano komt achter me aan. Hij is niet echt goed in stilletjes sluipen en jaagt dus ook het konijn weg. Ik gooi mijn mes naar het wegrennend konijn, maar ik mis natuurlijk. Snel raap ik mijn mes weer op.
"Sorry," stamelt de jongen uit tien terwijl ik naar ons groepje terug loop.
Ik haal mijn schouders op. "Kan gebeuren." Ik hoor Dorian weer afkeurend snuiven ik probeer hem mijn vuilste blik toe te werpen, maar ben ervan overtuigd dat me dat niet is gelukt wanneer ik heb zacht hoor grinniken. Ik draai mijn ogen en we speuren weer verder.
Niet al te veel later hoor ik weer geritsel. Iets groter dit keer. Ik gebaar naar iedereen dat ze stil moeten zijn en dit keer blijft gelukkig iedereen staan. Ik sluip naar de struik waar de vos zich verscholen heeft toe en wijs zodat de anderen weten waar het verstopt zit. Wanneer ik dichterbij kom om het te laten schrikken, zodat ik mijn mes gooien kan, hoor ik het arme dier piepen van angst. Maar wegrennen doet het niet. Het blijft zelfs zitten wanneer ik zo dichtbij ben dat ik het zou kunnen aanraken.
"Deze blijft zitten. Misschien is het ziek, dan kunnen we het niet eten, maar misschien zit het wel vast. Kan iemand komen kijken?"
De vos blijkt in een strop te zitten. Dorian helpt het uit zijn lijden en snijdt het dierlos. We nemen de vos mee, maar lopen snel door. Die strop moet door iemand zijn gezet en wie weet wanneer diegene zijn val komt checken.
Niet al te veel later vinden we nog een gevulde strop, een konijn dit keer en ook die nemen we mee. Maar dan lopen we in een grote boog terug richting de grot. Het bevalt niemand van ons dat we twee stroppen gevonden hebben. Dat betekent dat een tribuut heel dichtbij is en al zijn wij met vier, de beroepstroep is met naar wat wij tellen zes personen. De kans is klein dat de vallen van de beroeps zijn, maar we willen het er niet op gokken. Daarbij vermoeden we dat het al laat is en we willen graag voor middernacht bij de grot zijn.
Wanneer we een heel eind gelopen hebben, maker we een klein vuurtje, zodat we onze buit klaar kunnen maken. We blijven met drie man om het vuur staan, zodat het licht wat wordt tegengehouden, maar ik voel me nog niet op mijn gemak. Gelukkig komen de enige hoorbare geluiden van uilen en muisjes, niet van mensen.
Ik laat Dorian weer dennennaaldthee maken. Dat drinken we op terwijl we weer verder naar de grot toe lopen. Opéra vindt de thee verrassend lekker, maar Mirano moet er niets van hebben. Hij pakt nog een appel om de zowel de dorst als de honger te stillen.
Bij de grot aangekomen, aarzel ik weer even, maar ik ga al snel weer naar binnen. Vanmiddag bleek het ook niet helemaal vreselijk te zijn, dus misschien nu nog steeds niet. Ik ga wel naast de uitgang zitten. Daar is het misschien minder warm, maar daar voel ik me het fijnst. Opéra komt naast me zitten.
"Waarom ben je zo bang om ondergronds te gaan? Komt dat door het ongeluk?" vraagt ze me.
Ik knik langzaam.
"Wil je daar misschien meer over vertellen? Over wat er daarna gebeurde? We weten dat je vader je probeerde te beschermen, maar wat gebeurde er?"
Ik twijfel even. Wil ik echt verder vertellen over wat er is gebeurd? Wil ik nog een keer dat vreselijke gevoel oproepen? Wat Mirano daarna zegt, haalt me over om te vertellen.
"Misschien is het heel cliché, maar men zegt dat praten helpt."
Misschien heeft hij gelijk daarin. Misschien is het goed om eens het hele verhaal verteld te hebben.
"Oké," zeg ik en ik slik voordat ik begin te vertellen. "Dus mijn vader had ons verstopt in een hol stuk in de rotswand. Ik weet nog dat ik me omdraaide en naar hem keek. Hij huilde toen en fluisterde lieve dingen in mijn oor. Dat hij van me hield en zo."
Ik haal diep adem en probeer de tranen die weer in mijn ogen verschijnen, weg te knipperen.
"Toen klonk de tweede explosie. Ik keek weer op en het laatste wat ik zag was het bezorgde gezicht van mijn vader en een heleboel licht dat het duister in de grotten teniet deed. Papa klemde me heel hard tegen zich aan en van het moment daarna weet ik eigenlijk niets meer.
"Ik weet wel nog dat ik een paar keer wakker ben geweest, maar alles was altijd donker, het was heel erg stoffig en mijn hoofd deed pijn. Ik voelde mijn vader bij me en dat was toen genoeg om me gerust te stellen. Dat hij niet ademde of bewoog, had ik niet door. Dat we bedolven waren onder rotsblokken van de ingestorte mijn, wist ik niet. Dat iedereen zocht naar overlevenden die ze niet dachten te gaan vinden, is me later pas verteld.
"Na ongeveer twee dagen werd ik wakker door een beweging boven me. Ik probeerde toen omhoog te kijken maar zag niets. Ik zorgde er met die beweging wel voor dat er allemaal steentjes wegvielen en dat de gravende mensen wisten dat er nog iemand leefde. Zo hebben ze me toen gevonden en meteen werd ik uitgegraven. Ook daar weet ik niet heel veel meer van; de pijn in mijn hoofd voelde ik niet meer maar die schade die daar was aangericht zorgde ervoor dat ik niet constant bij bewustzijn was.
"Ik zou onder het stof hebben gezeten en mijn vader niet los hebben willen laten. Pas toen Brad tegen me praatte, liet ik los. Ze hebben me meteen naar een dokter gebracht die geprobeerd heeft me allemaal vragen te stellen, maar ik reageerde nauwelijks.
"Toen ze me op mijn rug in bed wilden leggen, begon ik te gillen en te huilen, allemaal van de pijn. De dokter gaf me iets tegen die pijn en onderzocht mij, mijn hoofd en mijn ogen en kwam tot de conclusie dat er een zwaar rotsblok tegen mijn hoofd aan moest zijn gekomen. En als ik niet die enorm dure operatie zou ondergaan, zou ik voor de rest van mijn leven blind zijn. Die operatie moest uitgevoerd worden door een dokter uit het Capitool, vandaar dat het zo duur was. En aangezien onze vader net was overleden, hadden we onze bron van inkomsten ook verloren. Dus dat beetje geld dat we nog hadden, moest aan eten en zo besteed worden. Luc was net achttien geworden, dus we konden gelukkig bij hem blijven wonen."
Even zucht ik. Ik kan me de gevoelens die ik toen had nog zo goed herinneren. Wat een vreselijke tijd was dat. In de grot is het verder helemaal stil. Ik hoor alleen maar de ademhaling van de anderen en kan me zelfs voorstellen hoe er nu een camera op ons gericht staat. Het verhaal van het arme meisje uit 12, daar willen de meeste Capitoolleden maar al te graag meer van horen. Ik richt me weer op het vertellen en probeer niet te denken aan het zoemen van de camera's, iets wat me de afgelopen paar dagen vertrouwd is geworden.
"Toen ik wakker werd, was de pijn gelukkig ver weg. Mijn hoofd was al aan het helen. De dokters hadden me in mijn halfwakkere staat wel laten eten en drinken, dus ik stond niet meer op het randje van uitdroging. Er werd me verteld wat er aan de hand was en hoe ik ermee om kon leren gaan. Maar ze spraken over dat ik nooit meer mijn oude leven op zou kunnen pakken. School zou niet lukken, alleen zijn zou niet lukken. Volgens hen zou ik de rest van mijn leven afhankelijk zijn van anderen. Dat maakte me boos. Ik wilde niet afhankelijk zijn van anderen. Zoals je weet, Dorian, wil ik dat nu nog steeds niet."
Dorian lijkt ook heel aandachtig te luisteren, terwijl hij het verhaal grotendeels al kent. Al heeft hij het natuurlijk nog nooit van mijn kant gehoord. Nu grinnikt hij een beetje. "Dat weet ik maar al te goed."
Ik moet ook lachen, maar al gauw vraagt Opéra me door te vertellen.
"De weken erna ging het bergafwaarts met me. Het gezicht van mijn vader spookte dag en nacht door mijn hoofd en ik kon er niet van slapen. Eten wilde ik nauwelijks, alles smaakte naar het stof uit de mijnen. Ik lag op bed en deed eigenlijk niets meer. Tot ik op een dag Brad naar boven hoorde rennen om daarna een heleboel kabaal te horen en daarna niets meer behalve wat gekreun. Luc was naar zijn werk, hoe erg ik hem ook had gesmeekt niet naar die mijnen te gaan, hij moest gaan om voor eten voor ons te kunnen zorgen.
"Ik riep Brad, maar kreeg geen antwoord en dat maakte me bang. Hij geeft altijd antwoord wanneer ik iets vraag. Ik wist dat ik moest gaan kijken of alles goed met hem was, maar ik was blind. Ik wist niet hoe ik hem ooit moest gaan helpen. Hoe ik ooit mijn kamer af moest komen.
"Uiteindelijk was het heel makkelijk, aangezien ik dat huis van binnen en buiten uit mijn duimpje kende. Ik wist tot de trap te geraken, ging op de bovenste trede zitten en liet me tree voor tree naar beneden zakken. Zo kwam ik uiteindelijk bij mijn broer en het was me al snel duidelijk dat het niet goed was. Ik voelde iets nats en plakkerigs in zijn haren. Toen ben ik op de een of andere manier naar buiten gelopen en daar heb ik om hulp geschreeuwd. De meeste mensen wisten een beetje van mijn situatie af en hebben toen ook meteen geholpen. Uiteindelijk was er niets ergs met Brad aan de hand, hij wilde me iets te drinken komen brengen en dat was over hem heen gevallen. Dat had ik voor bloed aangevoeld. Hij had alleen een gekneusde arm en door de val en zijn vreselijke hoogtevrees was hij flauwgevallen.
"De weken die daarop volgden zaten vol met oefeningen die mijn broers me lieten doen, zodat ik beter leerde omgaan met mijn beperking. En nog geen jaar later ging ik weer alleen naar school."
"Watvoor oefeningen lieten ze je dan doen?" vraagt Mirano.
"Ze leerden me luisteren naar de geluiden en wat die geluiden betekenden. Ze liepen dan bijvoorbeeld van de keuken de kamer in en dan moest ik zeggen wie van de twee het was, aan de hand van hun voetstappen. Ze leerden me mijn neus vertrouwen, door me kruiden te laten herkennen. Ze leerden me opnieuw rennen, eerst hand in hand met hen en daarna los. Ze leerden me voelen hoe je bijvoorbeeld appels en ronde peren uiteen moet houden, hoe ik braille moet lezen, hoe ik schrijven moet. En ze leerden me hoe ik uit stemmen en bewegingen van mensen kan afleiden wat ze doen of hoe ze zich voelen."
Even is het stil, maar ik voel dat Opéra een brandende vraag heeft, al wil ze die eigenlijk niet stellen.
"Vraag maar raak, hoor."
Dat laat haar losbarsten. "Wat nu als je wint? Kunnen ze dan die operatie nog doen? Zodat je weer kunt zien?"
"Zelfs al zou dat kunnen, dan wil ik het nog niet meer," antwoord ik. "Ik heb leren leven op deze manier en dit bevalt me prima. Ik moet er niet aan denken dat ik weer zou kunnen zien, ik denk niet dat mijn brein dat nog aan zou kunnen. Dan zou ik veel te veel informatie binnen krijgen en dan moet ik weer leren hoe ik daarmee om moet gaan en zo. Nee, laat mij dan maar blind zijn. Sowieso, ik denk dat ik als ik nu zou winnen, heb laten zien dat ik super goed met mijn beperking om kan gaan. Als ik blind de Hongerspelen zou kunnen overleven, dan kan ik de rest van mijn leven ook wel blind aan."
"Mis je het dan nooit?" vraagt ze door.
"Jawel, soms wel. Ik vind het jammer dat ik bijvoorbeeld niet weet hoe jullie eruit zien. Maar het heeft me ook een heleboel andere dingen opgeleverd. Je ogen houden je heel vaak voor de gek. De dingen die je ziet, drukken een stempel op wat je ervan vindt. Je ogen zorgen voor de meeste vooroordelen en trappen ook het meest in leugens van andere mensen. Dat heb je niet zo gauw met je gehoor. Je hoort eerder aan iemand dat ze liegen dan dat je het aan ze ziet."
"Wauw," is het enige dat ze zegt. De jongens zijn ook stil. Dan hoor ik Dorian gapen.
"Bedtijd," zeg ik terwijl ik zelf een gaap onderdruk.
Maar voor we echt gaan slapen, maken we een wachtschema. Mirano gaat eerst, dan Dorian, dan ik en Opéra mag als laatste. Mirano vertrouwt ons ondertussen genoeg, waarschijnlijk doordat we beide tributen van 10 een mes hebben gegeven, dat hij durft te slapen terwijl wij wacht houden. Ik ben al veel minder bang om in de grot te zijn, dus ik durf ook iets verder in de grot te gaan liggen om te slapen.
De muur van de grot is redelijk warm en ik ben blij dat ik ertegenaan lig. We hebben maar één slaapzak en die met z'n drieën delen is niet bepaald comfortabel. Het is echter comfortabel genoeg want ik val snel in slaap. Ik slaap zo vast, dat ik het volkslied niet eens hoor.
