*Schaam schaam*
Ik zal niet aankomen met slappe excuses over hoe andere verhalen hogere prioriteit kregen over dit. Het is gewoonweg erg dat ik na anderhalf jaar nog steeds niet alles heb geüpload. Want ja, het verhaal zelf is bijna helemaal af. Vandaar dus dat er vandaag drie hoofdstukken zijn gepost.
Veel leesplezier en ik ga echt proberen het volgende hoofdstuk sneller te posten!
Eigenlijk word ik niet wakker door de muziek, meer door de afwezigheid van een geluid. Het duurt even voor ik het geplaatst heb, maar dan valt het kwartje. Het is gestopt met regenen! Maar nog geen tien tellen later regent het weer.
Mirano, die nu de wacht heeft, lacht sarcastisch.
"Wat is er?" vraag ik hem.
"Het regenen stopte zodat we konden zien dat er geen doden zijn gevallen. Ze zijn erg aardig voor ons dit jaar, niet?"
Ik weet niet goed wat ik daarop zeggen moet dus ik lach een beetje met hem mee. Ik voel hoe mijn ogen dichtvallen en ga maar weer snel liggen, voor ik mijn hoofd stoot. Net op tijd, want zodra mijn hoofd mijn arm raak, ben ik weer terug in dromenland.
Ik droom vannacht vooral in gevoel en dat vind ik eigenlijk niet zo erg. Ik heb geen zin om weer tegen Rove te moeten vechten. Deze droom gaat trouwens niet echt bepaald over vechten voor je leven. Hij gaat meer over regen. Ja, dat is een geweldige droom. Regen.
Af en toe word ik wakker door een donderslag, maar ik val bijna meteen weer terug in slaap. Pas wanneer Dorian me wakker schudt, word ik echt goed wakker. De anderen zijn ook al wakker.
"Zijn jullie nu zo vroeg wakker of heb ik gewoon hele late wachtdienst?" vraag ik.
Ik hoor ze alle drie lachen. "Hou het maar op een mengeling," krijg ik te horen van Dorian.
De zon blijkt weer te schijnen, maar het regent ook nog steeds. Volgens Opéra en Mirano is het nu ongeveer middag, "Als we nu wel op de stand van de zon kunnen rekenen." Wauw, dan heb ik wel heel erg lang geslapen!
Ze laten me een beetje ontbijten; wat fruit uit blik, een appel, de laatste witte bessen en de laatste noten. We moeten nu ook heel voorzichtig gaan doen met onze watervoorraad. We hebben nog anderhalve fles ongeveer en we weten niet wanneer het stopt. Het water uit de bron is niet te drinken, daar zit veel te veel zwavel in, volgens Dorian.
"Ik had nooit gedacht dat ik zo veel zou kunnen hebben aan wat mam me geleerd heeft over geologie," zegt hij. "Maar nu blijkt het heel erg handig. Dankjewel mam."
De dag trekt heel sloom aan ons voorbij. We zuigen wat op dennennaalden en spelen het dobbelsteenspel nog eens, maar nu met appelpitten.
Dan is het opeens doodstil. De regen is weer van het ene moment op het andere opgehouden. Toch blijven we even in de grot wachten, misschien begint het weer, net zoals vannacht. Maar dat lijkt niet te gebeuren. We wachten eerst nog een hele tijd. Het is al avond wanneer we besluiten dat het veilig is. Misschien is het niet heel erg slim om nu nog te gaan, maar we hebben dringend water nodig en het is niet heel erg ver. Daarbij, we hebben de afgelopen keren ook in het donker gejaagd en water gehaald.
De temperatuur buiten is veel aangenamer dan het in de eerste vijf dagen geweest is. Niet te warm en niet te koud. Dat maakt ook heel veel uit op ons humeur. We lachen alle vier.
We vullen de waterflessen bij en frissen ons een beetje op in het beekje. Net op het moment dat we terug willen lopen, hoor ik geluiden die ik liever niet hoor.
Ik gebaar dat iedereen stil moet zijn en loop heel zacht een paar passen in de richting van het geluid. Nu is het heel duidelijk. Er is een gevecht aan de gang, niet heel erg ver van hier. De rest heeft het ondertussen ook gehoord.
"Wat doen we?" vraag ik zacht.
"We kunnen kijken wie het is. Als het de beroeps zijn, moeten we redelijk snel een nieuwe slaapplek zoeken, want dan is deze buurt niet meer veilig."
Ik knik. "Maar als ze ons zien, hebben we een groter probleem."
Even wordt er gedacht over de beste oplossing, maar uiteindelijk willen we het zekere voor het onzekere nemen. En misschien zijn we ook wel gewoon een beetje nieuwsgierig. Toch knaagt er iets aan me, alsof ik een betere manier moet kunnen verzinnen om uit te vinden wie er zijn, mar die kan ik zo snel niet bedenken en dus gaan we maar kijken.
Dorian en ik gaan voorop. Ik spits mijn oren naar geluiden die kunnen duiden op wachtposten of op dat we ontdekt zijn, maar ik hoor niets. We blijven op een volgens Dorian veilige afstand staan kijken.
Het blijkt een gevecht te zijn tussen Kyrexia uit 3 en de beroepstroep, die uit de twee tributen van 1, de twee uit 2 en Kellum uit 4 bestaat. Rove hoort er blijkbaar niet bij. Dorian vertelt me zacht dat Sonna, district 1, hevig bloedend op de grond ligt. Maar toch ziet het er voor Kyrexia niet echt heel erg goed uit. Niet dat het zo vreemd is, alleen tegen vier anderen, maar toch. Ze heeft er al een neer weten te krijgen. Dan klinkt er gesmoord gegil en ik voel Opéra schrikken. Meteen klinkt er een kanonschot.
"Valeno heeft Kyrexia neergestoken."
Ik stel voor om te vertrekken, we weten nu dat de beroeps dichtbij zijn en we dus moeten maken dat we wegkomen, maar wanneer we Thavety horen praten, staan we aan de grond genageld.
"Zo, Sonna. Nu heb je niet meer zo'n grote mond, hè?"
Ik hoor hoe Sonna kronkelt op de grond en de pijn in haar stem is duidelijk. "Je duwde me! Je duwde me tegen dat zwaard aan! Verrader dat je bent!" Ze kreunt. "Maakt het dan af als je zo graag van me af wil zijn! Als je zo graag zelf de baas wil zijn."
Ik moet me inspannen om de volgende woorden van Valeno te kunnen verstaan en vertel ze daarom ook heel zacht aan de anderen, die dit natuurlijk niet kunnen horen. "Dat zal ik zo doen," dreigt hij. "Arrogant kreng. 'Ik ben de winnaar van de Hongerspelen'. Juist. Je zou jezelf moeten zien."
Dorian vertelt mij vervolgens wat Thavety doet. Niet in al te veel detail, gelukkig, want er komen heel wat messteken en bloed en gegil van Sonna's kant bij kijken. We moeten snel weg hier, ik hoor de ademhaling van Opéra steeds oppervlakkiger worden. Ik hoop maar dat ze niet meer kijkt.
Dan is Sonna stil en klinkt er een kanonschot. En een gesmoord gilletje. Dat gilletje komt van achter me en is niet zacht genoeg.
Ik hoor hoe Valeno Kellum zacht opdraagt om te kijken wat er is en hij vertelt Ravenna om ons achterlangs in te sluiten.
"Ze hebben ons gehoord. We moeten weg, nu!"
"Het is die blinde!" hoor ik Ravenna roepen. Ik weet niet of het voordelig is dat ze me hebben herkend. Misschien zijn ze kwaad dat ik hen ontglipt ben of misschien denken ze dat het dan alleen maar makkelijker wordt om een extra prooi te vangen.
Dorian grijpt mijn pols vast en trekt me achter zich aan. Ik doe mijn best niet te vallen, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik hoor hoe Dorian wat gromt en hij tilt me in een vloeiende beweging al rennend op zijn rug. "Zo zijn we iets sneller."
Ik hoef me niet druk te maken over dat mijn gewicht hem weer afremt, hij is gewend met kilo's kolen op zijn rug rond te rennen, in de zomer. Daarmee vergeleken weeg ik niets.
De voetstappen van Mirano en Opéra hoor ik nauwelijks nog. Zij rennen een heel andere kant op dan wij. Ik hoop maar dat ze kunnen ontsnappen.
De beroeps achter ons hebben besloten op te splitsen. Een deel gaat achter ons aan en de rest achter onze twee vrienden uit 10. Maar gelukkig is Dorian snel. Al gauw hoor ik de geluiden van de voetstappen achter ons zwakker en zwakker worden. Dorian blijft maar rennen, zelfs wanneer ik zeker weet dat de achtervolging gestaakt is, rent hij door. Pas wanneer het volkslied klinkt zet hij me op de grond neer en vertelt hij me omhoog te klimmen.
