Herinnering: Dorian en Kaïan heten Sigetiber met hun achternaam.
Uiteindelijk komen de dromen toch, maar ze duren niet lang. Dorian maakt me wakker wanneer het echt ondraaglijk begint te worden.
"Liss. Stop! We moeten gaan. Nu."
Ik ga rechtop zitten en neem de tas die hij me in mijn handen duwt aan. Ik stel geen vragen, Dorian zal een goede reden hebben en het me straks wel uitleggen. Nu grijpt hij mijn hand en we beginnen te rennen.
De slaap heeft me wel goed gedaan, maar mijn lichaam lijkt nog steeds uitgeput. Ik denk dat het een nawerking is van het gevoel dat ik vannacht heb gehad. Dorian lijkt ook vreselijk moe en daar voel ik me schuldig door. Gisteren heeft hij niet geslapen en vannacht waarschijnlijk ook niet veel. Ik besluit dat we daar zo snel mogelijk iets aan moeten doen, want dit kan niet. Maar eerst rennen we.
Ik weet niet precies hoe lang we rennen, een paar uur geloof ik, en ik weet ook nog steeds niet waarom we precies rennen. Waar rennen we van weg? Ik probeer te horen wat er is, maar ik kan niet echt iets horen. Dieren die met ons mee rennen, gehijg van Dorian en mij en onze voetstappen. Meer niet.
Wanneer we eindelijk afremmen, weet ik dat we het bos uit zijn gerend. We rennen nu op stenen, rosten zelfs, en de ondergrond loopt steeds verder omhoog. We moeten aan de voet van de vulkaan staan, denk ik.
Dorian laat mijn hand los en laat zich op de grond zakken. Ik ga hijgend naast hem zitten. Hij reikt me een fles toe en ik drink een aantal slokken. Niet te veel, want ik heb geen idee of we wel terug naar onze waterbron kunnen gaan.
Wanneer Dorian uitgehijgd en uitgedronken is, vraag ik hem wat er aan de hand was. Ik hoor hoe hij zijn hoofd schudt.
"Je weet dat ik dat niet horen kan, hè?" lach ik.
Ik hoor hem ook lachen. "En toch weet je precies wat ik doe."
Ik wacht verwachtingsvol en uiteindelijk begint hij toch te praten. "Mutilanten. Dat zat achter ons aan. Wolfachtige, mega grote, ogenschijnlijk bloeddorstige monsters. Gelukkig zijn ze niet echt heel erg snel en ze lijken in het bos te blijven."
Ik slik krampachtig. Hoe had ik die nu niet kunnen horen?
Het moet op mijn gezicht staan geschreven want Dorian stelt me meteen gerust. "Ik zag ze op de kaart en ben het oorzichtig gaan checken. Ze zijn niet heel dichtbij geweest. Maar ze zijn geloof ik wel heel stil. Dus we moeten goed blijven opletten."
Dan duwt hij me wat vis in mijn hand en meteen voel ik de honger die ik door dat vermoeiende rennen heb gekregen. Ik drink ook nog wat. Mijn keel voelt rauw, alsof ik de longen uit mijn lijf heb gegild. En mijn ogen voelen zwaar. "Hoe lang moet een mens slapen om uitgerust te zijn?" mopper ik.
"Je slaapt nu ook niet echt bepaald goed," vertelt Dorian me. "Je ligt constant te woelen en om je heen te slaan. Je mompelt… Dingen. En soms…" Ik hoor hem diep inademen en weet dat hij het vervelend vindt om het me te vertellen. "Soms gil je ook."
Soms gil ik in mijn slaap.
Ik voel mijn ogen groot worden van schrik. Dat is verschrikkelijk! Maar Dorian praat nog steeds.
"Zachtjes, maar toch. Daarom moesten we vannacht ook meteen weg. Die mutilanten leken het te moeten hebben van hun gehoor, net als jij. We hadden ons best kunnen verstoppen in een boom, dan hadden ze ons vast niet gevonden, maar ze wisten dat we er waren omdat jij gilde."
Even weet ik niet wat ik zeggen moet maar wanneer ik Dorian hoor gapen, bedenk ik me dat ik nog iets anders was wat ik moest zeggen.
"Jij moet trouwens gaan slapen, nu. Denk je dat we hier een veilige slaapplaats kunnen vinden? Ik hou de wacht. Dat lukt me nu wel." Ik heb nu genoeg andere dingen om over na te denken.
Dorian lijkt er niet blij mee, maar hij weet dat ik gelijk heb. We verlaten deze stopplek en gaan op zoek naar een ietwat veiligere en minder zichtbare plek. Nog geen halfuur later heeft Dorian er een gevonden. We zitten nog steeds aan de vulkaan, maar die lijkt nog altijd te slapen. We verstoppen ons in een soort kuil in de rotswand en bekleden hem met de slaapzak en de jassen om het een beetje lekkerder te laten zitten.
Dorian gaat liggen en drukt me nog eens op het hart om hem meteen wakker te maken wanneer ik iets meen te horen en om niet al het water op te drinken. Ik rol met mijn ogen om dat laatste en vertel hem dat hij gewoon moet gaan slapen en dat hij het aan mij over moet laten. Ik weet niet zeker of ik hem ervan weet te overtuigen dat alles helemaal goed gaat komen terwijl hij slaapt, maar uiteindelijk stijgt het geluid van een diepe ademhaling op van zijn kant van ons holletje.
Eerst luister ik een hele tijd naar de omgeving. Nu we zo ver van het bos weg zijn, klinkt er niet veel meer dan wind en alles wat die laat bewegen. Zo af en toe hoor ik nog een paar tonen van een vogel, maar daar blijft het eigenlijk bij.
Mijn gedachten dwalen jammer genoeg al snel af naar wat Dorian me heeft verteld. Ik gil in mijn slaap. Dat is bijna een nog groter probleem dan het gesnurk van Dorian, die tweede nacht. Dat was ook heel makkelijk op te lossen. Hoe kan ik ervoor zorgen dat ik niet meer gil? Dan zou ik geen nachtmerries meer mogen krijgen, maar dat heb ik niet in de hand. En ik heb bijna iedere keer dat ik in slaap val een nachtmerrie, dus het werkt ook niet wanneer ik Dorian me wakker laat maken wanneer hij merkt dat ik slecht slaap, want dan kan ik helemaal niet meer slapen.
Na een tijdje te piekeren, geef ik het op. Ik hoop dat Dorian een idee heeft want anders zit er niets anders op dan zo veel mogelijk wakker te blijven en daar zit ik echt niet op te wachten.
Ik schrik op van een krakend geluid, maar dat is zo snel verdwenen dat ik het me vast ingebeeld heb. Toch blijf ik een hele tijd alert op verdere verdachte geluiden, maar er is niets te horen.
Terug in gedachten verzonken wrijf ik over de armband. Ik vind het nog steeds super lief van Kaïan om te denken aan mijn verjaardag en van Dorian om zijn broertje te helpen in zijn plan. Ik kan me echt geen betere vrienden wensen. Zelfs wanneer er geen lichtje te bekennen is op mijn pad, zijn zij er om me de weg te wijzen. Of samen met me te verdwalen.
Dat laatste tovert een lach op mijn gezicht. Ik kan me nog goed herinneren dat Kaïan en ik een keer een of ander verlaten gebouw gingen verkennen. Dat deden we vroeger, toen ik nog kon zien, vaker en Kaïan had besloten dat we dat best nog een keertje konden doen. Dat was niet heel veel later dan de eerste keer dat ik weer naar school was gegaan en ik was nog niet helemaal gewend aan navigeren in nieuwe omgevingen zonder dat ik kon zien. Kaïan vond dat we dat moesten oefenen, hij zou ervoor zorgen dat we uiteindelijk wel buiten zouden komen. Uiteindelijk was hij helemaal verdwaald en was ik degene die zich de weg naar de deur het beste herinnerde. Het was wel een geweldige middag. Daarna gingen we eten bij de Sigetibers thuis, waar de moeder dan Kaïan en Dorian een soort zoet, plat brood maakte, een van haar specialiteiten, maar iets dat alleen gemaakt kan worden op speciale dagen omdat de ingrediënten zo duur zijn. Wat zou ik die graag nog eens proeven. En ik zou ook nog eens zo graag-
Wat was dat? Ik geloof dat ik het gekraak weer hoor, maar wel heel erg zacht. Ingespannen probeer ik te horen waar het vandaan komt, maar het is alweer weg. Het bezorgt me de kriebels en ik wil toch echt heel graag weten waar het vandaan komt. Het leek wel vanuit de berg te komen. Maar dat zou raar zijn, niet?
Nog geen tien minuten later hoor ik het weer en ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen. Ik hoop dat Dorian in die uurtjes die hij heeft kunnen slapen ook goed geslapen heeft.
"Dorian, word wakker."
Hij slaapt zo diep dat het even duurt voor ik een reactie krijg en tegen die tijd is het geluid weer weg. Toch vertel ik hem wat er aan de hand is en hij besluit om toch even wakker te blijven, tot we zeker zijn dat het geen gevaar is.
Volgens mij wil hij net opgeven en terug gaan slapen wanneer het gekraak weer klinkt. Dit keer is het veel luider en ik ben er vrijwel zeker van dat het uit de grond moet komen. Maar hoe kan dat?
Dorian schiet van de grond en begint als een gek onze spullen bijeen te graaien.
"Dorian?" vraag ik terwijl ik help. Wanneer ik geen antwoord krijg probeer ik nog eens. "Dorian? Waarom ben je in paniek?"
Hij ritst de rugzak dicht en ik hoor hoe hij het op zijn rug hangt. "We moeten van de vulkaan af en terug het bos in. Zo ver mogelijk weg."
Hij begint te lopen en ik volg hem, nog steeds een beetje verward over waarom we precies weg moeten. En waarom dat met zo'n haast moet gebeuren. Na een paar passen neemt hij mijn hand weer en we lopen een tijdje in stilte. Het geluid is nog steeds niet terug wanneer we bij de rand van het bos aankomen. Daar houdt Dorian halt en ik hoor de kaart geactiveerd worden. "De mutilanten zijn weg," zegt hij en we beginnen weer te lopen.
Na een halfuurtje te lopen zonder het geluid nog eens te horen, heb ik het gehad. "Dorian, wat is er nu aan de hand? Ik ben het zat om van onzichtbare dingen weg te rennen."
We vertragen een beetje. "Dat geluid kwam uit de vulkaan, Liss. Dat kan een aantal dingen betekenen, maar geen ervan is goed. We moeten hoe dan ook uit de buurt van de vulkaan-"
Hij wordt onderbroken door het geluid, maar nu gaat het gepaard met bewegingen in de grond. Het is een aardbeving! Dorian heeft gelijk. Een aardbeving en een vulkaan, die wil je niet samen hebben, dat kan ik me nog wel herinneren van school. Ik grijp Dorians hand steviger vast en we rennen weer door.
Het gaat met vallen en opstaan, letterlijk, want de grond onder ons beweegt steeds heftiger. Een aantal keer struikel ik over richels in de bodem en ik voel dat Dorian ook moeite heeft om overeind te blijven.
Het oorverdovende gekraak klinkt nu overal om ons heen. Het lijkt onmogelijk om eraan te ontsnappen en bijna raak ik in paniek, maar Dorian blijft me meetrekken, alsof hij een uitvlucht ziet. En ik vertrouw hem.
We hebben naar mijn idee al een aantal cirkels gerend, wanneer ik de grond onder mijn voeten vandaan voel brokkelen. Dorian, die blijkbaar al eerder door had dat we niet verder konden, trekt me aan mijn arm terug. Hij is precies op tijd, want ik kan nog net mijn voeten op vaste grond krijgen, voor de plek waar ik een moment geleden stond helemaal wegzakt, de afgrond in.
Zonder iets te zeggen draait Dorian zich om en hij wil de andere kant op rennen, wanneer ik hem voel twijfelen.
"Wat is er?" roep ik over het geluid van de krijsende aarde heen.
Dorian buigt zich naar me toe. "Die kant ligt ook open. We zullen langs de spleet moeten rennen."
Ik knik en knijp zachtjes in zijn hand om hem te laten weten dat ik hem volgen zal. We halen allebei diep adem en rennen tussen de twee afgronden verder, hopend op een uitweg naar een veiligere plaats.
Links, rechts en achter ons, zakt het bos steeds verder weg, maar wij blijven rennen. De plaats die we hebben om te rennen lijkt steeds kleiner te worden en de aardbeving lijkt ook achter ons steeds een beetje plaats te winnen. We moeten over omgevallen bomen klimmen en sommige bomen vallen om op het moment dat wij langskomen, wat ons steeds genoeg vertraagd om het gapende gat achter ons dichterbij te laten komen. Het is alsof nu niet alleen de mensen uit het Capitool roepen om onze dood, maar de grond, de aarde, dat ook maar al te graag wil zien.
Voor de zoveelste keer zakt de grond onder mijn voeten weg, maar dit keer ben ik niet snel genoeg. Ik val en omdat Dorian me vast heeft, trek ik hem ook mee. Ik probeer hem los te laten, maar hij roept me toe dat ik zijn handen goed vast moet houden. Ondertussen bungel ik tot aan mijn zij in de afgrond en ik voel hoe de grond direct voor me ook begint te splijten. Ik voel hoe Dorian me nog steeds naar boven probeert te trekken, maar hij kan niet stevig genoeg staan om kracht te zetten. Ik probeer houvast te zoeken met mijn voeten, maar alles is glad en ik glijd steeds weer terug in mijn hangende positie.
Dorian houdt me nog steeds vast, maar door de inspanning beginnen onze handen te zweten en ik voel hoe ik beetje bij beetje de grip begin te verliezen.
Dan voel ik een ruk aan mijn armen. En nog een. En nog een en ik merk dat ik een klein beetje hoger hang dan zojuist. Nog een keer en ik hang weer tot mijn zij in het gat. Dorian heeft op een of andere manier houvast gevonden en trekt me nu beetje bij beetje naar boven. Wanneer mijn heupen op grondhoogte zijn, laat Dorian een van mijn handen los en slaat hij zijn nu vrije arm om mijn zij. Op die manier trekt hij me in één vloeiende beweging uit het gat en zet hij me naast zich neer.
Ik wil Dorian zeggen dat hij even de tijd moeten nemen om uit te hijgen, maar daar is geen tijd voor. Toen ik in het gat hing, was de aardbeving even minder hevig, maar nu gaat hij weer op volle toeren verder. Alsof hij pas stopt wanneer er iemand is opgeslokt.
Dorian grijpt mijn hand weer voordat ik opnieuw kan vallen en hij trekt me weg van de afgrond. We rennen en klimmen weer. We rennen en klimmen, rennen en klimmen, rennen en klimmen. Soms moeten we onder een halfomgevallen boom door kruipen. Soms gaan we naar links. Soms gaan we naar rechts. Ik ben al lang mijn richtingsgevoel kwijt, maar ik volg Dorian gewoon. Tot hij vloekt.
"Wat… Wat… Is er?" vraag ik hijgend.
"We kunnen… Maar één kant op," hijgt hij terug. "Hoorn."
Ik knijp in zijn hand om hem te laten weten dat ik zijn oordeel vertrouw. Als hij echt geen andere weg ziet, dan moeten we daar wel heen. Maar als wij daarheen gejaagd worden, wie zegt dan dat de anderen daar niet naartoe zullen worden geleid? Er zijn nog vier beroeps over en nog vier anderen. Hoe groot is de kans dat we dat overleven? Maar willen de Spelmakers echt een nieuw Bloedbad creëren? Zo lang heeft deze Hongerspelen nog niet geduurd, toch? Waarom zouden ze het nu al willen beëindigen?
Ik voel aan de grond dat we de rand van het bos hebben bereikt, maar Dorian rent er niet uit. Langzaam maar zeker remt hij zelfs af. Het duurt een paar tellen voor ik doorheb waarom. Er mist een geluid. Of, ja. Dat mist niet, dat klinkt gewoon niet zo hard als het zojuist deed.
De aardbeving neemt af.
Het klinkt steeds verder en verder weg, zachter, dieper in de aarde. Dorian laat mijn hand los en gaat voorovergebogen staan om uit te hijgen. Ik wil zijn voorbeeld volgen wanneer de grond weer hevig begint te bewegen. Ik probeer te blijven staan, maar de grond schudt zo hevig dat ik eerst op mijn handen en knieën beland en dan op mijn zij. Ik probeer op te staan, maar dat zorgt er alleen voor dat ik op mijn andere zij kom te liggen, dus ik blijf liggen en probeer niet weg te rollen, terwijl ik hoor hoe Dorian ook op probeert te staan maar faalt.
Het duurt maar een paar tellen, maar het maakt me doodsbang om hier gewoon in het bos op de grond te liggen en daar niets aan te kunnen doen. Ik grijp naar Dorian, om me ervan te verzekeren dat hij er nog steeds is, en krijg zijn onderbeen te pakken. Een moment later is het trillen over en kunnen we weer gaan staan.
"Wat was dat?" vraag ik, terwijl ik de bladeren en grassprieten van mijn broek en rug wrijf. Ik kijk in de richting waar ik weet dat Dorian staat, maar het blijft stil. "Dorian?"
"Volgens mij…" begint hij. Een paar tellen later begint hij opnieuw. "Volgens mij is het hele bos weer zoals het was. De scheuren en zo… Alles is weg. Het gras is er weer. En de bladeren liggen erop alsof ze nooit zijn weggeweest."
Ik haal een paar keer diep adem om mijn hart tot rust te laten komen. Dat lukt aardig, al ben ik nog steeds ietwat buiten adem. "Waarom denk je… Dat het nu opeens gestopt is?" vraag ik Dorian.
"Ik weet het niet zeker, maar ik kan maar een ding verzinnen." Zijn stem klinkt gedempt op een manier waardoor ik weet dat hij met de rug naar me toe staat. Hij zal rond aan het kijken zijn, op zoek naar andere tributen.
Ondanks dat hij het waarschijnlijk niet kan zien knik ik. "Ik weet wat je bedoelt. We zullen het vanavond te weten komen."
Dorian humt wat. Dan draait hij zich naar me toe en hij pakt mijn hand vast. Nu pas hoor ik het gezoem van de kaart. "We moeten weg hier, dit is gevaarlijk."
Ik loop met hem mee, niet dat ik zo veel andere keus heb met zijn hand stevig om de mijne geklemd. We lopen terug het bos in, waar het nog geen vijf minuten geleden te onveilig was om te lopen, maar de bosgrond is helemaal normaal. Er zijn geen gevaarlijke scheuren meer en ik voel hoe er inderdaad zelfs een deken van bladeren en takjes op de grond ligt.
We stoppen pas met lopen wanneer het volgens Dorian donker wordt, we hebben allebei geen honger door de adrenaline die nog steeds niet helemaal weggetrokken is. Je weet nooit of een aanval voorgoed is afgelopen.
In de schemering is het veilig genoeg om een vuurtje te starten en terwijl ik de warmte ervan om mijn huid voel, bedenk ik me dat het weer deze laatste paar dagen erg goed is geweest. Niet te warm overdag en niet te koud 's nachts. Ik ben benieuwd wat ze voor ons in petto hebben. Hardop zeg ik dat natuurlijk niet, je kunt beter niet laten weten dat je de spelmakers door denkt te hebben.
We eten toch een kleine, warme maaltijd, aangezien het vast niet slim is om die over te slaan, nu we de mogelijkheid hebben. Daarna trekken we weer iets verder het bos in, zodat de geur van het uitgemaakte vuurtje niet iemand naar ons toe kan lokken. Nu de schrik helemaal is weggetrokken voel ik het donkere, drukkende gevoel weer opkomen. Ik zucht nog een keer en probeer er geen acht op te slaan.
We besluiten op de grond te slapen. We zijn sneller weg wanneer we al met beide benen op de grond staan, mochten we weer zo onverwacht weg moeten als vanmorgen. En aangezien ik niet stil zal kunnen slapen, is de kans groot dat we die voorsprong nodig zullen hebben.
Dorian merkt blijkbaar aan me dat mijn humeur langzaamaan keldert en het duurt ook niet heel lang voordat hij heeft uitgevogeld wat me dwars zit. "Mam zei altijd dat nachtmerries geen vat op je kon krijgen wanneer je voor je ging slapen aan leuke dingen dacht."
Ik lach zonder humor terwijl ik de spullen klaar leg voor de nacht. Aan leuke dingen denken. Meent hij dat nu serieus? We zitten midden in de spelen, hoe kan hij ooit verwachten dat ik nu nog aan leuke dingen denken kan?
Blijkbaar had Dorian dat al verwacht want hij gaat zitten op de grond waar ik sta en hij trekt me naar zich toe, zodat ik wel moeten gaan zitten om niet te vallen. Ik probeer koppig de tas verder uit te pakken, maar die is net buiten mijn bereik gevallen. Dorian houdt me zo stevig vast dat ik ook niet ver genoeg naar voren kan leunen om het te pakken te krijgen.
"Nou luister eens goed en ontspan." Hij gaat pas verder wanneer ik mijn hopeloze pogingen de tas te pakken opgeef en rustig naast hem ga zitten. Hij duwt me iets naar achteren zodat ik tegen een boom leun. "Doe je ogen dicht en denk aan…"
Ik wil weer rechtop komen zitten, om te zeggen dat het dus niet zo gemakkelijk is om aan leuke dingen te denken nu, maar hij duwt me terug. "Mond en ogen dicht. En luister. Weet je nog toen Kaïan en jij dat nieuwe spelletje hadden uitgevonden? Met die steentjes en de stok?" Ik knik en er verschijnt een lach op mijn gezicht. We waren toen misschien net acht jaar oud en het was een geweldige dag geweest.
Dorian ziet het en ik voel hoe zijn schouders ook ontspannen. "Zie je? Dat was leuk. Daar kun je aan denken. Of weet je nog de verjaardag van Luc? En de taart die jullie toen probeerden te maken? En kun je je de spreekbeurt nog herinneren? Toen jullie probeerden de kip mee te nemen om erover te vertellen en dat jullie toen de hele middag veertjes mochten opruimen?"
Hij noemt nog een paar leuke momenten op maar laat me uiteindelijk zelf leuke herinneringen naar boven halen. Ik ben op een bepaald moment zelfs al zo ver ingedoezeld dat ik niet eens merk dat Dorian opstaat en een laken over me heen legt.
Ik slaap tot het volkslied klinkt.
