Ik gaap en hoor Dorian grinniken. "Ben je nu nog steeds moe? Weet je hoe lang je geslapen hebt?"

"Niet lang. Er was iemand die me constant wakker maakte," plaag ik terug, voordat ik nog een keer gaap.

Dorian staat op. "Kom, laten we de Hoorn gebruiken als schuilplaats. Ik neem wel de eerste wacht."

Ik volg zijn voorbeeld, maar mijn benen zijn nog steeds wat wiebelig en mijn evenwicht is ook nog niet echt bepaald goed te noemen. Voordat ik vallen kan, heeft Dorian mijn arm gegrepen. "Voorzichtig."

Langzaam lopen we naar de Hoorn. We blijken er verder vanaf te zitten dan ik dacht, of we lopen nog langzamer dan het voelt, want het duurt lang voordat we bij de ring met eten aankomen. Dorian tilt me eroverheen terwijl ik me verwonder over dat het voedsel er nog ligt.

"Misschien is het morgen wel weg. Ik denk niet dat we te veel moeten verwachten van de Spelmakers," zegt Dorian wanneer hij me ziet denken. Ik vind het grappig om te merken hoe goed we elkaars gedachten weten te raden. Het is een klik die we altijd hebben gehad, een klik die ik ook met zijn broertje heb.

Onze tassen staan nog steeds in de Hoorn. Gelukkig maar, want ondertussen is het alweer zo erg afgekoeld dat ik uitkijk naar mijn slaapzak. Ik zit er nog niet goed en wel in, of ik lig alweer te slapen.

De dag erna zijn de duizeligheid en de hoofdpijn bijna helemaal weg. Bij snelle bewegingen heb ik er nog steeds last van, maar het beperkt me niet me zo erg als het gisteren deed. Ik ben ook minder moe, al heeft Dorian me nog twee keer wakker gemaakt, voor de zekerheid. De derde keer heb ik de wacht overgenomen, maar dat ging niet al te best. Ik kan blijkbaar nog steeds maar een paar uurtjes geconcentreerd zijn. Dorian is nog maar net wakker of ik moet al gaan liggen van hoofdpijn en vermoeidheid.

Wanneer ik daarna word gewekt, voelt het gelukkig weer wat beter.

De rest van de dag verloopt rustig. Bijna te rustig. Ik vertrouw het niet. Waarom zouden ze het zo saai maken? Dit willen de inwoners van het Capitool toch niet zien? Ze willen geweld en bloed en dood.

Ik hoor ook nog steeds niets vreemds. Ja, de vogels en de andere dieren zijn nog steeds niet teruggekeerd en er klinkt geen geritsel van blaadjes, maar dat is de afgelopen drie dagen zo geweest. Er klinkt niets wat kan duiden op een of andere aanval van de Spelmakers

Dorian is ook heel erg stil. Ik vraag me af waar hij aan denkt, maar verbreek de stilte niet. Het is geen vervelende stilte die tussen ons heerst en ik moet zeggen dat ik de rust ook wel waarderen kan. Ondertussen snoep ik van een sinaasappel, die Dorian tussen het Capitooleten gevonden heeft.

"Wat ga jij doen zodra we hieruit zijn?" klinkt het opeens.

Ik schrik op. Ik was bijna weer ingedommeld. Het is ook zo lekker hier, in het zonnetje tegen de zijkant van de Hoorn, met mijn schouder tegen die van Dorian. Verdorie, ik moet echt minder afgeleid raken.

Hij moet aan mijn gezicht hebben gezien dat ik zijn vraag niet bepaald begrepen heb want hij fluistert in mijn oor: "Doe alsof. Lok ze uit de tent. Laat ze denken dat we niet meer gefocust zijn, misschien gebeurt er dan wat waardoor we eruit kunnen."

Nog altijd weet hij me te verassen met zijn slimme truckjes.

"Ik weet het nog niet," antwoord ik hem. "Weet jij het al?"

"Als eerste denk ik dat ik een groot glas chocolademelk opdrink. Daar heb ik toch zo'n zin in."

Ik begin te grinniken. "Je weet dat je van te veel van dat spul buikpijn krijgt, hè."

"Dat kan me niet schelen." Hij grinnikt ook even om de gedachte. "Vervolgens ga ik op zoek naar een hond. Kaïan heeft altijd al een hond gewild. Dan zoek ik zo'n hele lieve. En mijn moeder zal het grote feestmaal helpen organiseren. Daar droomt ze al lang van… Ze houdt zo veel van koken. Iedere keer dat pap met iets te eten thuiskwam, hoe weinig het ook was en hoe raar het ook uitzag, ze wist er iets feestelijks en overheerlijks van te maken." De stilte, die de al de hele middag heerst, valt weer. Maar we zijn net goed op weg. Ik denk dat Dorian inderdaad gelijk heeft. Als we nu doen alsof we ons al verheugen op na de spelen, komen we misschien uit deze ongewone tijd van rust.

"Ik vlieg als eerste mijn broers in de arm. Ik heb ze zo erg gemist…" De tranen springen me in mijn ogen. Ik weet dat ik op moet blijven letten, maar ik wil gewoon naar huis!

"Laat je je ogen echt niet meer genezen?" Dorian probeert me bij het gesprek te houden.

Ik schud mijn hoofd. "Om te zien hoe slecht het eraan toe gaat in district 12? Liever niet. En daarbij, ik ben het leven zonder zicht zo gewend. Ik denk echt niet dat ik nog zou kunnen wennen aan kunnen kijken. Ik denk dat ik thuis niet eens terug zou kunnen vinden als ik weer kijken kon."

Ik slik, maar mijn keel voelt droog. Ik vraag om het water en Dorian geeft me een fles aan. Die voelt bijna leeg aan. "We moeten nieuw water gaan halen," zeg ik.

Dorian maakt een instemmend geluid. "Maar denk je dat je al zo ver lopen kunt?"

Ik haal mijn schouders op. "Geen idee. Maar zo ver is het toch niet, of wel?"

Ik hoor hoe Dorian de zoemende kaart weer tevoorschijn haalt en opent. Een paar tellen later maakt hij hem weer dicht. "Nee, als we op driekwart het bos in gaan, is het inderdaad niet heel erg ver. Maar is het wel verstandig om nu nog te gaan? We willen voor het donker uit het bos zijn, lijkt me."

Ik knik. We hebben bijna alle nachten in het bos doorgebracht, maar omdat de Spelmakers hoogstwaarschijnlijk wachten op het moment dat we kwetsbaar zijn, is het niet slim om in het bos te zijn. Bijna verschijnt er een lach op mijn gezicht, maar het is beter dat Dorian niet vraagt waar dat om is; het is beter om de Spelmakers niet te veel te laten weten van wat er in onze hoofden omgaan. Wat ze ook op ons afsturen, wij gaan ertegen vechten. Maar dat gaan we zo veel mogelijk doen op onze voorwaarden. Niet in het bos, bijvoorbeeld.

"Waar staat de zon dan?" vraag ik.

Dorian pakt mijn hand vast, vouwt alle vingers behalve de wijsvinger naar binnen en trekt mijn hand een bepaalde richting op. "Daar. Denk ik. Er is nog steeds niet echt een zon te zien, maar daar zit een heldere vlek."

Ik moet even denken, vooral ook omdat mijn evenwicht nog steeds niet al te best is. "Dan hebben we onder normale omstandigheden nog ongeveer drie uur zon." Het kan natuurlijk altijd zo zijn dat ze beslissen om de zon opeens onder te laten gaan. Of gewoon te doven. Ze hebben eerder deze Spelen al laten zien dat de zon doet wat zij willen.

We besluiten om het erop te wagen. Na nog geen uurtje wandelen, want doorstappen houd ik nog niet echt vol, zijn we al bij het beekje. We vullen onze flessen, maken het water schoon, drinken wat en vullen daarna onze flessen weer bij. Uiteindelijk zijn we tijdens de schemering weer terug bij de Hoorn, zonder dat er ook maar iets speciaals gebeurd is.

De ring met eten ligt er nog steeds, maar we weten niet goed wat we ermee moeten. Het is zo veel. Met een lach besluit Dorian iets te doen wat nog nooit iemand in de Spelen gedaan heeft.

"We gaan uitgebreid dineren. Zoals in het Capitool. Nu we de laatste twee zijn, hebben we de hele arena voor ons alleen, niemand aan wie we onze locatie verklappen wanneer we vuur maken en niemand waar we voor moeten opletten die onze rust kan verstoren." Dat laatste zegt hij precies goed. Niemand, niet niets. Er kunnen natuurlijk honderden dingen aan het wachten zijn tot we onze ruggen naar hen toe draaien, ergens net voorbij de schaduwen. Maar ik kan nog steeds niets dreigends horen.

Blijkbaar had hij dat idee al langer, want terwijl ik aan het wachten was tot het water schoon was en dacht dat hij gewoon iets verder het bos in liep om te kijken of hij iets levends vinden kon, heeft hij hout gesprokkeld en stiekem in zijn tas geduwd. Ik geef hem een speelse duw waar hij alleen maar meer om moet lachen. "Hah! Er gebeuren dus toch nog dingen die jij niet horen kunt! Ik heb Lissa verrast terwijl ze er met haar neus boven hing!"

We maken een vuurtje en gaan op zoek naar lekkere dingen voor bij het eten terwijl het vuur opwakkert. We zijn nog geen kwart van de ring rond of we hebben al meer dan we ooit op kunnen eten.

Ik snij vlees en groenten in stukken terwijl Dorian door de pan roert, om de rijst op te warmen. Alles gaat samen in het pannetje, tot het warm is. Dan schudden we het eten voorzichtig in een doos, die Dorian bij de ring vandaan heeft getoverd. Wat een doos daar deed, is mij een raadsel, maar we kunnen het goed gebruiken.

Met onze handen eten we van het rijstmengel, dat overigens heerlijk smaakt, tot we allebei onze buik vol hebben. Zo heel veel hebben we niet gegeten aangezien onze magen gekrompen zijn in deze laatste paar dagen, maar dat kan ons niet zo veel schelen. Het smaakte goed.

Dorian komt naast me zitten en ik voel dat hij weer iets van plan is. Wantrouwend kijk ik zijn richting op. "Wil ik het weten?"

Hij grinnikt. "Ik denk het wel. Dit ga je lekker vinden." En hij duwt me een andere, koele doos op mijn schoot.

"Weet je nog, in de trein? Dat we een slagroomtaartstuk kregen en zo veel hadden gegeten dat we hem niet op kregen?" Ik knik. "Nou, dit is een hele taart. En we hebben de hele avond om hem op te eten."

"Is hij dan nog goed? Ik dacht dat Lattea iets zei over dat slagroom snel slecht werd als je het te lang in te warme lucht liet staan."

"Vraag me niet hoe of waarom, maar de doos voelt aan alsof hij net nog gekoeld is geweest, dus ik denk niet dat het zo'n probleem zal zijn. Het ziet er nog lekker uit." Hij buigt zich over de doos heen. "En hij ruikt ook nog steeds lekker."

Ik haal mijn schouders op. Als hij het zegt…

Ik steek mijn hand uit naar de taart. Hij voelt heel raar aan; heel plakkerig en zacht en glibberig zelfs, maar wanneer ik mijn vingers terug trek en proef, maakt me dat allemaal niet uit. Wat is dit lekker! Niet zo lekker als een chocolademuffin, natuurlijk, maar het komt aardig in de buurt.

Dorian maakt ook een goedkeurend geluidje en ik lach.

We snoepen die avond ongeveer de helft van de taart op, maar dan zitten we toch echt propvol. Ik voel me zelfs weer een beetje misselijk worden, maar ik weet niet of dat komt door de taart of door de hoofdpijn. Ik besluit er niet te lang bij stil te staan; sommige dingen gaan weg als je net doet alsof ze er niet zijn. Sowieso is er ook niet veel tijd om erover na te denken. Bijna direct nadat we besluiten te gaan liggen, val ik in slaap en ik word pas wakker wanneer Dorian me wekt om de wacht over te nemen.