Ik word wakker van een gesis dat langs vliegt. Ik schiet overeind maar duik weer ineen als het gesis net langs me af raast. Er komt een hitte van het projectiel af wat alleen kan betekenen dat het in brand staat. Het vliegt tegen het uiteinde van de hoorn op en stuitert een beetje terug. Dan ruik ik het smeulende ding. Het ruikt niet alleen naar vuur en as, maar ook naar iets zuurs. Ik geloof niet dat ik wil uitvinden wat het precies is.
Ik zoek Dorian en vind hem slapend in de mond van de Hoorn. Natuurlijk jagen de Spelmakers ons juist nu op. Zonder wacht zijn we kwetsbaar. "Dorian! Wakker worden! We hebben een probleem!"
Ook hij schrikt op, maar ik duw hem naar beneden. Als het is wat ik denk dat het is, is de kans klein dat er twee keer op dezelfde plek zo'n ding terecht komt, maar we zitten in de Hongerspelen, dus alles kan.
"Wat is dat?" Vraagt Dorian me.
"Kijk eens naar de vulkaan en vertel me wat je ziet."
De stilte die volgt zegt me al genoeg. "Hij staat op springen, hè?"
Ik voel dat Dorian naast me allemaal spullen bijeenraapt. "Ja. We moeten weg hier, terug naar het bos dan maar. Met de opening van de Hoorn naar de vulkaan toegedraaid, zijn we hier niet veilig meer."
Ik grijp zijn arm vast. "Wat wil je dan doen? Over het open veld naar het bos toe rennen? Met die vliegende, brandende stenen overal? Dat lijkt me niet veel slimmer."
Even houdt Dorian stil.
"Kun jij ze horen aankomen?"
Ik trek een raar gezicht. Wat?
"Kun je die stenen horen vliegen? Met jouw supergehoor?"
Langzaam begint het me te dagen. "Ja maar ons reactievermogen is nooit snel genoeg. Voordat ik naar jou toe reageer en jij daarop reageert, hebben die dingen al lang ingeslagen. En – "
"Dan maken we meer kans om te overleven dan hier blijven zitten. Liss, als ze het willen.."
Hij heeft gelijk. Ze kunnen ons zo vermoorden. Het was stom om te denken dat als we maar samen bleven, alles goed zou komen. Eén van de twee gaat toch eerder dood dan de ander en dan zorgen ze er gewoon voor dat ze de ander nog kunnen redden.
Dus ook ik pak mijn rugzak en wil die omdoen. Dan bedenk ik me dat ik nog een regenjas in mijn tas heb zitten. Die pak ik eruit en ik wil hem aan Dorian laten zien, maar die duwt hem alweer terug.
"Doe hem aan, misschien helpt het een beetje."
Ik doe zoals hij zegt en hang de rugzak op mijn rug. Dan hoor ik weer iets suizend naar ons toe komen.
"Dorian!" roep ik gepanikeerd. Dit is weer zo'n moment waarop ik het haat dat ik niets kan zien. Vluchten zonder zicht maakt me bang; we kunnen net zo goed in een andere val lopen en ik zou het niet eens weten...
Hij grijpt mijn hand en zet het op een sprinten. Ik struikel een paar keer, omdat ik me concentreer op de geluiden. Dorian rent van links naar rechts, zo voelt het voor mij aan. Misschien doet hij dat ook, zodat ze niet goed op ons kunnen richten.
Ik hoor weer iets aan komen vliegen. "Dorian!"
Hij reageert meteen en valt plat op de grond. Hij trekt mij mee. De hitte van het vliegende stuk steen schiet rakelings langs ons door en we staan zo snel mogelijk weer op om verder te rennen. Ergens te lang blijven wachten geeft hun meer tijd om te richten. Het veld voelt ineens eindeloos groot. We lijken al uren te rennen maar nog zitten we niet in het bos.
Af en toe stap ik op zo'n steen en na een paar van die dingen lijken mijn voeten in brand te staan. Ik wil me niet eens voorstellen hoe die dingen zouden branden als ze direct op onze huid zouden komen.
Weer vliegt er een brokstuk op ons af. Dit keer hoeft Dorian me niet neer te trekken, terwijl ik hem laat weten dat er iets aankomt, laat ik mezelf vallen, in de hoop hem mee te trekken.
We rennen, vallen en staan op. Dat is ons ritme voor een tijdje. Ik struikel nog eens af en toe maar meestal weet ik overeind te blijven. Soms komt een projectiel net te dichtbij of val ik met een van mijn armen op een steen waardoor ik vol zit met brandplekken. Aan het veelvuldige gevloek van Dorian te horen, heeft hij ook de nodige brandwonden opgelopen. De stenen zijn gehuld in iets dat veel beter brandt dan steen en dat ook door blijft branden als het iets zoals huid of stof of het plastic van de regenjas raakt, maar ik heb geen tijd om daarbij stil te staan. Ik moet me concentreren op de geluiden.
Het lijkt goed te gaan, tot we bijna bij het bos zijn en een tak weigert om me langs te laten en me laat struikelen. Mijn handen zijn zo zweterig van paniek dat ik mijn grip op Dorian verlies. Dan hoor ik het gesuis weer. Het is veel te dichtbij!
"Dorian!" Terwijl ik roep, grijp ik naar zijn benen en ik probeer hem onderuit te trekken. Beter een beetje hoofdpijn omdat hij zijn hoofd heeft gestoten dan geraakt worden door een van die vuurballen.
Het werkt en ik zucht opgelucht wanneer ik luister en het aankomende gesuis niet meer horen kan. Zo snel ik kan probeer ik op te staan om verder te rennen, maar Dorian staat niet zo snel op. Heeft hij dat toch iets te hard zijn hoofd gestoten?
Een akelig gevoel bekruipt me wanneer ik adem haal en een vreselijke geur ruik. Die geur betekent maar één ding: verbrand vlees.
Ik laat me op mijn knieën vallen, nauwelijks bewust van de afwezigheid van de brandende stenen.
De geur wordt erger en erger En ik hoor nu ook zijn huid sissen van de warmte en het zuur van de steen, die zich blijkbaar in zijn romp geboord heeft. "Dorian?" Mijn stem klinkt als niets meer dan een fluistering.
Ik hoor hem kreunen en hij grijpt mijn hand vast. Mijn andere hand leg ik op zijn schouder. Hij beweegt nog, dat is goed. Dat ik mijn pols verbrand omdat die langs de vuurbal strijkt, voel ik bijna niet.
"Liss..." Dat ene woord betekent zo veel. Ik hoor de pijn erin, maar ook de hoop en opluchting. De Spelen eindigen nu. Eindelijk. Maar tegen welke prijs?
"Zeg me wat ik moet doen. Hoe kan ik helpen?" vraag ik hem.
Hij knijpt geruststellend in mijn hand. "Zorg een beetje voor Kaïan, alsjeblieft. En word gelukkig."
Hoe kan hij dat nu vragen? Hoe kan ik verder gaan wanneer ik mijn anker kwijt ben? Hoe kan hij nu al hebben opgegeven?
De tranen stromen over mijn wangen en mijn ademhaling komt in horten en stoten. "Je kunt... Niet... Gaan," snik ik.
"Sst, Liss. Het is goed. Het is over." Zijn stem wordt steeds zachter en ook zijn greep op mijn hand verzwakt. Dat klopt niet. Dorian was altijd sterk. Dat kan nu niet anders zijn, dat klopt niet.
"Dorian..." weet ik gesmoord uit te brengen. Maar wat moet ik nog zeggen? Ik wil zo veel zeggen, maar ik voel hem steeds verder weg glijden. Zijn ademhaling komt in korte pufjes en ik voel hoe mijn knieën langzaam doorweekt raken. Dauw of bloed, ik weet het niet.
"Dankjewel," zeg ik uiteindelijk maar. "Ik ga je missen."
Ik voel en hoor hoe hij probeert te lachen. "Ik waak over je," antwoordt hij.
Ik leun naar voren en geef hem een kus op zijn voorhoofd. Dan voel ik hoe zijn hele lichaam ontspant. Het kanon klinkt, maar ik hoor het niet. Ik huil en rouw om Dorian, mijn vriend en grote broer. Mijn ademhaling piept en ik hoor allemaal geluiden om me heen, maar het kan me niets schelen. Dorian...
Ik blijf zo zitten tot ik voetstappen achter me hoor. Wat is dat? Hebben we niet goed geteld? Waren wij toch niet de laatste twee? Ik grijp mijn mes, sta op en draai me om.
"Ga weg!" grauw ik. De tranen stromen nog steeds over mijn wangen, maar die kunnen me mijn zicht toch niet belemmeren, dus ik laat ze lopen.
De voetstappen komen nog steeds dichterbij. Het zijn twee paar voeten die op ons af komen lopen. Hoe kan dat? Hebben we ons echt zo erg vergist? En waar zijn ze de afgelopen paar dagen dan geweest?
Ik hef mijn mes op en hoor iets op me af suizen. Ik gris het voorwerp uit de lucht. Het is een klein pijltje, iets wat in mijn geheugen opgeslagen staat als een verdovingspijl. Hoe komen ze daaraan? Lag dat ook bij de hoorn? Waarom zouden de Spelmakers dat als wapen willen zien? Dan kun je een dood pijnloos maken, dat willen ze toch niet?
Ik hoor een dierlijk gegrom en besef vaag dat het uit mijn eigen keel komt. "Laat ons met rust!"
Ik blijf vlakbij Dorian staan, bang dat ze hem meenemen, verminken. Ik hoor gepraat, maar luister niet naar wat ze zeggen. Ik hoef hun onzin niet meer te horen! Ik wil niet weten hoe stom en dom ze me vinden, hoe erg ze me dood wensen. Ik hoor weer een pijl op me af komen, sla deze uit de lucht en gil. Wat een lafaards! Ze durven niet eens dichterbij te komen om me te vermoorden!
Dan dringt er een stem tot me door. Met een schok besef ik dat die stem van Brad is. Mijn ogen worden groot en ik laat mijn mes iets zakken. Brad? Wat doet hij hier? Ik kan niet nog een broer kwijtraken! Hij moet weg!
Het duurt een paar seconden voor ik door heb dat er een ruis in de stem zit, dat de stem door luidsprekers de arena inkomt. Niet heel veel later hoor ik wat de stem zegt.
"Lissa, je bent klaar. Je kunt naar huis."
Huis. Wat wil ik dat graag. Maar Dorian...
De stem van Brad klinkt weer, maar hij klinkt vreemd, vervormd. Alsof Brad huilt. Waarom zou hij huilen? "Alissa, alsjeblieft?"
Mijn benen voelen heel zwaar en ik zak door mijn knieën terwijl er weer een snik door mijn lichaam trekt. Het mes laat ik op de grond vallen. Ik wil naar Brad toe, naar Luc. Ik hoor de stem van mijn oudste broer nu ook. Verbeeld ik het me? Wat doen die mensen tegenover me dan, als ik naar huis toe mag? En waarom hebben ze me nog niet aangevallen?
Langzaam bij beetje wordt het me duidelijk dat die mensen mij natuurlijk komen halen, omdat ik geen idee heb hoe ik deze helse Arena uit kom.
Ik hoor de voetstappen dichterbij komen en hoor nu ook de mensen zacht praten, maar ik versta hun woorden nog steeds niet. Ik luister naar wat mijn broers zeggen. Een van de mensen pakt mijn arm en hij prikt er een naald in, maar eigenlijk is dat niet meer nodig. Nog voor hij de vloeistof mijn lichaam in heeft gespoten, ben ik al bewusteloos. Mijn laatste gedachte voor ik het spreekwoordelijke duister in ga, is dat ik eindelijk naar huis toe kan.
