In de trein valt mijn lach dan ook meteen weg en ik plof op de dichtsbijzijnde bank neer. Lattea en Lioco laten me gelukkig even met rust. Ik probeer niet te denken aan de laatste keer dat ik hier was, samen met Dorian en dat lukt zo goed dat ik zelfs snel in slaap val. Of ik ben zo moe dat ik niet eens meer de tijd krijg om ergens aan te denken. Hoe het ook zij, ik word pas wakker wanneer de trein even stilstaat.
"Kijk eens wie zich daar opeens weer in de wereld van de levenden meldt."
Normaal gesproken zou Lattea's opmerking heel wat irritatie hebben opgeroepen, maar deze keer niet. Ik voel me weer net zo neerslachtig als eerder.
Lioco komt naar me toegelopen en legt een hand op mijn schouder. "Kom even mee naar buiten, een frisse neus halen." Volgens mij heeft hij me door.
Ik knik en loop met hem mee, nog gapend van de slaap die ik zojuist achter me heb gelaten. Eenmaal buiten merk ik dat de frisse lucht me beter laat voelen. Althans, een beetje.
"Alissa, ik weet hoe je je nu voelt en ik zou zo graag willen dat ik het bij je weg kon nemen. Maar ook al kan ik dat niet, ik kan toch doen wat ik in mijn tijd hoopte dat iemand voor mij deed. Alissa, weet dat ik er voor je ben, oké? Als je iets nodig hebt, wat dan ook, beloof dat je hulp vraagt. Dadelijk heb je een telefoon, dus je kunt me altijd bellen als je het huis niet uit durft. En je kunt me altijd wakker komen maken, al kun je dat wel beter van een afstandje doen." Zijn stem probeert het licht te laten klinken, maar ik merk dat hij het er ook moeilijk mee heeft.
Ik knik en slik door de brok in mijn keel heen. "Gaat het wel weg? Hoe ik me voel?" Ik kan me niet voorstellen dat ik zo de rest van mijn leven door moet gaan brengen.
Lioco haalt diep adem. "Het wordt beter, maar het zal altijd bij je blijven. Het is niet niks wat je hebt meegemaakt en eigenlijk moet je het ook niet willen vergeten. Dan doe je de mensen die achter zijn gebleven geen eer aan. Vergeet hen nooit, maar vergeet ook niet dat jij leeft omwille wat zij hebben moeten opgeven. Die kans weggooien is niet eerlijk tegenover hen.
Ik knik weer en denk aan Dorian, Opéra, Mirano en de anderen. Lioco heeft gelijk. Wat gebeurd is, hoe verschikkelijk dan ook, is gebeurd. Ik kan alleen maar het beste maken van hoe alles er nu voorstaat.
Lioco zucht opgelucht. "Het wordt zeker niet gemakkelijk, maar onthoud alsjeblieft dat je niet alleen bent."
Dit keer knik ik niet maar gooi ik mijn armen om mijn mentor heen. "Dankjewel voor alles." Meer hoeft er niet gezegd te worden.
.
De rest van de treinreis verloopt nogal saai, zo zonder Dorian om me bezig te houden. Lattea is natuurlijk helemaal opgewekt over hoe ze straks ontvangen zal worden en Lioco en ik laten haar maar haar gang gaan. We hebben allebei niet zo veel zin om te doen alsof we de hele poespas leuk vinden nu het even niet hoeft.
De trein vertraagt en mijn zenuwen komen weer een beetje naar oven. Dadelijk zie ik Brad en Luc weer. En Kaïan. Ik weet nog niet zeker of ik ernaar uit kijk of juist ertegenop, al weet ik dat Kaïan me sowieso niets zal verwijten. Ik wrijf nog eens over de armband die ik nog steeds om heb om me wat meer moed te geven.
Juist voordat de deuren van de trein opengaan, brengt Lattea me in herinnering dat ik niet moet vergeten trots te kijken en te lachen. Met veel moeite weet ik mijn gezichtsuitdrukking te veranderen in iets wat vrolijk moet uitzien.
Dan stroomt het een muur van lawaai over ons heen. Het is zo luid dat ik het fysiek lijk te voelen. Ik weet van vroegere Spelen hoe het er ongeveer moet uitzien, maar het voelt onwerkelijk om te bedenken dat iedereen naar mij staat te kijken. En de geluiden klinken allemaal zo positief. Het is zo veel beter dan ik had verwacht, dat ik niet veel moeite meer hoef te doen om de lach op mijn gezicht te houden.
Ik stap uit de trein, richting de mensenmassa, en Lattea en Lioco volgen me. Lioco leunt zelfs naar me toe. "Recht voor je, daar staan ze. Kijk wel uit voor het afstapje op twee passen van waar je nu staat."
Ik knik dankbaar en stap voorzichtig van het afstapje af. Daarna zet ik het op een rennen. Ik wordt opgevangen door Brad, die ronddraait met mij in zijn armen. Wanneer hij me neerzet, valt Luc bijna over me heen. Daarna pakt iemand anders mijn hand en trekt me een beetje van mijn broers weg. Kaïan laat mijn hand los en wrijft over de armband. Hij zegt iets, maar ik versta helemaal niets met de roerige menigte om ons heen. Dat lijkt Kaïan niet te deren. Ik voel dat hij zijn schouders ophaalt om me vervolgens een stevige knuffel te geven.
Dan zijn mijn broers weer bij me en ook zij lijken veel te willen zeggen, maar dat zal nog even moeten wachten. De rest van de menigte wil veel te graag een glimp van me opvangen en vele proberen me ook aan te raken. Ik laat ze hun gang maar gaan en blijf mezelf eraan herinneren dat ik moet lachen, maar het gaat me makkelijker af dan ik had verwacht. Ik vermoed het het iets te maken heeft met de drie jongens die heel dicht bij me in de buurt blijven.
Langzaam wordt de drukte wat minder. Wanneer het geluid zo is afgenomen dat we elkaar weer kunnen verstaan, zeg ik het eerste wat bij me op komt. "Ik ben weer thuis."
