Als je dacht dat je nooit meer alleen zou zijn.

Op wat vriendelijke voorbijgangers na.

'Richard,' zijn stem was net hard genoeg om twee meeuwen, vrienden van onze eerdere meeuwen, op te laten vliegen, maar de hond wilde niet luisteren. De man wilde niet opgemerkt worden door de kustwacht, die de laatste paar dagen verdraaid veel uit waren gevaren. 'Bij Merlijn,' mompelde hij. Hij was allang niet meer zenuwachtig, die tijd was voorbij. Al was hij wel bang dat iemand hem was komen opzoeken en hem niet zou hebben gevonden.

De twee meeuwen, vrienden van onze eerdere meeuwen, waren vol schrik opgevlogen en eigenlijk ook op zoek naar voedsel. Ze waren, zonder dat ze het zelf beseften, op zoek gegaan naar hun vrienden en zagen hen bij het ding zitten. Ook zonder voedsel. Dat zouden hun vrouwen niet leuk vinden als ze thuis kwamen, zeer zeker niet.

'Richard, hier!' Hij waagde nog een poging voordat de kustwacht hem zou horen, maar de hond luisterde niet. Hij zuchtte nog een keer en liep in de richting waar zijn dierbare viervoeter naartoe gerend was. Boven hem hoorde hij het gepiep van meeuwen, waar hij geen aandacht aan besteedde. Niet interessant genoeg om nerveus van te worden. Meeuwen zouden hem toch niets doen. Meeuwen waren in zijn visie niet interessant. Beestjes die niet of nauwelijks dachten.

'Richard, kom hier!' Hij liet bijna een vloek aan zijn mond ontsnappen, maar bedacht zich; dat was niet zijn stijl en zette er een stevige pas in. Een pas die leek op zijn oude tred, het was meer voortschrijden dan lopen. Vanuit de verte leek het alsof de man zweefde en was het nauwelijks zichtbaar dat hij zich door het mulle zand verplaatste.

De vier meeuwen hadden al een tijdje niets meer van mensen vernomen, totdat een of ander raar dier langs kwam. Het maakte veel geluid waardoor het leek alsof de wind was toegenomen. Eén van de meeuwen wist dat het een hond was, een beestje dat mensen vergezelde, maar veel interesseerde het hem niet. Het had toch geen eten bij zich. De hond was blijven zitten en liet zijn staart op en neer gaan. Raar beest. Zijn vriend vloog op toen hij het gevaarte van de mens op hen zag afkomen en de andere drie vrienden volgden al snel.

'Richard, stom beest. Wat is er?' De man had de woorden nog niet uitgesproken of hij zag de jonge vrouw op het strand liggen. Er was al veel zand over haar heen gewaaid en vluchtig voelde hij of ze nog leefde. Lichte hartslag en ze ademde nog. Even keek hij om zich heen, maar hij zag niemand anders en besloot haar mee te nemen. Ze kwam hem bekend voor, maar hij had besloten dat hij niemand meer wilde herkennen en dus had zijn geheugen aan dat verzoek meegewerkt. Onbewust haalde hij het bruine haar uit haar gezicht en net zoals zijn hond, wilde ook zijn geheugen vandaag niet meewerken. In een flits herinnerde hij zich heel veel weer en zuchtte hij diep. Heel diep.

'Niet nu.'

Het stormde die avond weer. Heel heftig. Niet zomaar een klein beetje, zoals het dat had gedaan in de avonden daarvoor, maar het was heftiger dan voorheen. Hij had haar op zijn bed gelegd en haar wonden, die ze opgelopen had door het liggen op het strand, verzorgd. Hij was het nog bij lange na niet verleerd.

De stagiaire begon het nu wel eng te vinden in de vuurtoren en hij wist niet of hij nu bang moest zijn of niet. Volgens zijn baas zou het allemaal wel meevallen, hoewel code rood was uitgesproken. Niemand mocht nu nog het water op. Zelfs de reddingsbrigade niet. Dan niet.

Hij keek de jonge vrouw aan. Hij herkende haar nu duidelijk. Ze hadden samen toch veel meegemaakt en hij was bang dat ze daarvoor was gekomen. Misschien om te vragen wat er nu precies aan de hand was, of om hem ervan te verzekeren dat het niet zo slecht was daarbuiten als hij dacht. Hij wilde het gewoon niet geloven. Hij had geen zin om zijn mooie wereld om te gooien, omdat iemand had bedacht dat ze hem kon bezoeken. Aan de andere kant, bedacht hij terwijl hij zijn hond wat te eten gaf, kon het ook puur toeval zijn. Misschien was ze verdwaald, had ze naar het hippe tovenaars uitgaansplaatsje, enkele kilometers verderop, willen gaan. Wie weet. Hij wist het in ieder geval niet. Hij vroeg zich daarbij af of hij het wel wilde weten! Misschien helemaal niet. Misschien bracht hij haar, als ze het wat minder koud had, gewoon naar het ziekenhuis. Of naar de vuurtoren. Dat idee werd echter hevig verstoord door de wind die door alle kieren en hoeken van zijn onderkomen gierde en piepende geluiden achterliet waar Richard nog van schrok. Terwijl Richard bijna nooit ergens van schrok.

Het stormde niet alleen buiten, die avond, het stormde ook binnen. In zijn veilige onderkomen. Ze was namelijk wakker geworden en ze had om water gevraagd. Er had iemand anders dan hemzelf gesproken in dat huisje. Dat huisje van hout, dat soms zo onstabiel leek, terwijl hij nog nooit ergens beter had gewoond. Zijn huis, zijn harmonie. Het was verstoord. Het kon niet meer slechter. Eigenlijk had hij het kunnen verwachten, maar ergens in zijn lichaam had hij het niet over zijn kille hart verkregen om haar te laten liggen. Ze was veranderd. Ze was geen bloemetje meer. Dat had ze toen al aan zich gehad. Ze was een storm. Een storm zonder donder en bliksem, zoals haar vrienden, nee een stille storm. Die alles kon verwoesten op haar weg. Terwijl hun wegen zich nooit hadden gekruist. Op nu na.

Hij nam in zijn kleine keuken een glas water en gaf deze aan haar, terwijl ze haar ogen nog niet had open gedaan. En dat was maar goed ook, want Severus Sneep wenste niet herkend te worden. Nog niet.