Wanneer het verleden je heden wordt.
Terwijl je huisdieren nooit meer zullen wegvliegen.
'Bedankt.' Haar stem klonk schor en Severus keek naar de vrouw voor hem.
'Welkom.' Het woord was zowel een 'alsjeblieft' als een welkomstgroet en de vrouw knikte. Hij wist dat het nu bij haar zou doordringen wie hij was. Ze zou zijn wereld verpesten en hij zou nooit meer in rust kunnen leven. Hij was er net een beetje aan gewend.
'Sorry dat ik alles verpest,' na een paar slokken thee klonk haar stem al een stuk beter en ze glimlachte voorzichtig, 'Bedankt voor de verzorging.'
'Geen probleem.'
'Ik zal zorgen dat ik zo snel mogelijk weg ben.'
Severus bekeek de vrouw nu indringend en hij vroeg zich af of hij haar gedachten nu wel zou willen lezen. Waarschijnlijk niet. Hij wilde ook dat ze weg zou gaan, maar besloot uit gastvrijheid niets te zeggen.
De meeuwen buiten waren geschrokken van het weer en waren in de buurt van de hut blijven cirkelen. Hopende dat ze daar wel iets van voedsel zouden vinden. Hopelijk kwamen ze dat viervoetige beest niet meer tegen, die vonden ze maar raar. De meeuwen waren nu gaan zitten en keken naar de zee, de vorige dag hadden ze al nauwelijks voedsel binnen gehaald en nu waren ze bang dat hun vrouwen boos zouden worden. Hopelijk niet.
Severus bekeek de vrouw op zijn bed en besloot dat ze zeer zeker ouder was geworden, maar ondertussen ook nog veel mooier. Hoewel verschillende gelegenheden zijn tol bij haar hadden geëist. Waarom was ze hier? Het was een vraag die op zijn lippen brandde, maar hij durfde hem niet te stellen. Wat als ze het hem niet aanging of hij haar zou afschrikken, dat wilde hij absoluut niet. Ze moest hem kunnen vertrouwen, dat in ieder geval.
Hij hoorde de meeuwen boven zijn huis cirkelen en opeens vroeg hij zich af, wat die beestjes zouden denken. Zouden ze ook zorgen hebben of juist helemaal niet. Waarschijnlijk niet, aangezien het maar meeuwen waren. Toch?
Severus besloot Richard nogmaals uit te laten en hij dekte de vrouw met een deken toe waarna hij met een hoofd vol vragen de deur uitstapte, het strand op. Eenmaal op het hardere gedeelte van het strand, daar waar de zee het zand raakt, werd hij rustig. Eenmaal daar kon hij zijn gedachten goed ordenen en kon hij bedenken welke keuze hij zou gaan maken. Zou hij met haar spreken voordat ze ging? Zou hij haar vragen waarom ze hier was? Of ze nog wist waarom ze hier verzeild was geraakt? Zou hij aangeven dat hij altijd meer voor haar had gevoeld dan dat zij wist? Zou hij of zou hij niet? Zou hij Severus Sneep zijn, of Samuel Sneep; de arme sloeber die op het strand woonde.
Een eenzame meeuw, zonder eten of enige kans op het vinden van voedsel, vloog langs de eenzame man, die daar helemaal alleen op het strand liep en hij lachte terwijl hij langs de man vloog, omdat hij het een aardige man vond. Zomaar, gewoon.
Severus keek op naar de eenzame meeuw en glimlachte naar de meeuw. De zwarte avond was gevallen en het geruis van de zee was het enige geluid dat hij hoorde. De vuurtoren liet om de zoveel tijd zijn licht over de zee glijden en Severus besloot om uit zijn schijnwerper te blijven. Richard rende voor hem uit en hij bedacht zich dat hij niet meer alleen hoefde te blijven. Niet zoals de eenzame meeuw, die nu op een golfbreker was gaan zitten. Hij zou samen met haar door kunnen gaan of in ieder geval door haar terug kunnen keren. Plots bleef hij staan en weer stond hij in één lijn met de meeuw. Zou hij dat willen? Zou dat niet enorm angstig zijn?
De twijfel was er zeker. Zou hij nog gelukkig kunnen zijn in die wereld? Hij draaide zich weer om naar de zee en luisterde naar diens advies. Misschien was hij al te lang alleen.
Nadat hij was teruggekeerd, de wind zijn haar door elkaar had gegooid en Richard was uitgelaten, stond ze al in de deuropening. Met een glimlach.
'Ik weet waarom je hier bent,' zijn stem was zacht en ze glimlachte nogmaals.
'Het is jouw beslissing, Severus.'
'Dat weet ik,' hij keek haar nu recht in haar ogen aan, 'Dat weet ik Hermelien en voor het eerst in een lange tijd, waag ik het er eens op.'
Haar glimlach veranderde in een grote lach en hij wist dat zijn lot weer opgetekend stond, maar deze keer was het tenminste positief. Nu wel. Hij keek op naar de eenzame meeuw die langs hem vloog en zwaaide naar hem.
