Ik kon altijd twee wegen kiezen om naar huis te fietsen. Eén was binnendoor, met overal huizen maar die was wat langer. De andere was een verlaten weg, maar wel een beetje sneller. En aangezien het leek alsof het ging regenen nam ik de korte weg. Ik wilde dat ik dat niet had gedaan. Maar ja, toen wist ik nog niet wat ik nu weet.
Ik fietste dus via dat verlaten pad naar huis. Opeens hoorde ik geritsel. De bomen links van me bewogen. Ik besteedde er niet veel aandacht aan. De lucht betrok nog meer. Als het echt gaat regenen moet ik mijn lampen aandoen, bedacht ik me. Daar had ik helemaal geen zin in, dus ik trapte door. Daar was weer dat geritsel, dit keer aan de rechterkant van me. Ik keek om maar zag niets en fietste dus maar weer door. In de verte hoorde ik al gedonder van bliksem. Ik was gelukkig al bijna thuis. Opnieuw geritsel, links van me. Ik keek en zag twee rode ogen. Daar schok ik erg van. Ik probeerde nog sneller door te fietsen maar dat lukte niet; ik fietste al op mijn hardst. Nog meer gerommel. Toen stopte het. Ik wilde omkijken, maar ik werd van mijn fiets geduwd, op de grond. Ik stootte hard mijn linkerelleboog, hoorde het breken en werd misselijk van de pijn. Ik probeerde op te staan maar werd op mijn buik tegen de grond gedrukt. "Eindelijk. Iemand die heerlijk ruikt. Mmmm." Ik probeerde me om te draaien. "Nee! Blijf liggen. Jou laat ik echt niet ontsnappen." Ruw werd ik met mijn gezicht omhoog gedraaid. Ik keek recht in de rode ogen. Ze hadden een zwarte rand, en leken veel donkerder dan eerst. Die ogen kan ik me nog erg goed herinneren. Die waren echt eng, vond ik toen. Nu weet ik stukken beter. Rode ogen betekenen gevaar, maar zwarte mantels, daar moet je pas voor uitkijken. En al helemaal de combinatie van die twee dingen. Maar dat komt later.
De man, of eigenlijk was het meer een jongen, pakte mijn arm. Ik wilde hem lostrekken maar de jongen hield hem zo stevig vast dat ik bang was dat hij zou breken als ik te hard trok. "Mmmm." Hij likte zijn mond af. Toen kwam een andere stem. "Wat moet dat daar? Laat haar met rust." Ik probeerde te kijken wie het was maar mijn ogen wilden de jongen niet uit hun zicht verliezen. De jongen gromde. "Wat moet jij hier? Waarom volg je me? Laat me toch met rust!" "Nee," antwoordde de stem, "niet zolang jij zoveel mensen aanvalt." Ik schrok. Alstublieft, vreemde man, help me, dacht ik. De jongen gromde weer. Het klonk beestachtig. Hij pakte allebei mijn armen en gooide me door de lucht. De andere man zag er ouder uit, maar niet veel ouder. Hij had goudbruine ogen. Toen vloog ik tegen een boom. Even kreeg ik geen adem. De man keek naar me en schudde zijn hoofd. "En waar was dat voor nodig? Wat heeft zij jou misdaan?" "Ze bestaat en ruikt heerlijk. Dat is haar probleem." De jongen lachte. Ik probeerde overeind te komen. Nog voordat dat me was gelukt stond de jongen naast me en pakte me weer vast. "Laat me los!" schreeuwde ik. Zonder resultaat. De jongen wilde, met mij in zijn armen, de boom in springen, maar de man was hem voor. Hij trok de jongen midden in zijn sprong naar beneden. Om te kunnen blijven staan moest die me loslaten, waardoor ik weer op de grond viel. Dit keer bleef ik gewoon liggen. De jongen was nergens meer te zien, maar hij kon niet ver weg zijn. De oudere man knielde bij me neer. "Gaat het een beetje?" Ik keek hem aan en zei niets. Ik was net aangevallen door een jongen die amper drie jaar ouder kon zijn dan ik was. Hoe dacht hij dat ik me zou voelen? Op mijn best zeker. Hij stond op en keek de boom in. Zo bleef hij even staan om me vervolgens bij mijn rechterarm te pakken en een paar meter verderop te zetten. Hij vloog, want zo leek het toen wel, naar de boom terug en duwde die om. Ik keek erg verbaasd toe; het was een oude, dikke boom. De jongen sprong eruit, op mij af. De man vloekte en ging achter hem aan. Maar hij was niet eerder bij me. De jongen pakte me op en legde me over zijn schouder. De oude man greep mijn been beet en onder een zacht "Sorry" trok hij eraan. Ik schreeuwde het uit maar de jongen moest me loslaten om zelf niet om te vallen. Ik viel voor de derde keer op de grond en voelde me een geklutst ei. Ik draaide me zó dat ik kon zien wat er gebeurde. De man had de jongen vast. Maar niet lang want het moment daarop was de jongen nergens te bekennen. De man keek me bang aan. Het volgende moment begon mijn lichaam te bewegen, zonder dat ik iets deed. Ik stond op. Het was niet makkelijk want ik steunde als vanzelf op mijn linkerarm en schreeuwde het weer uit. Toen ik stond voelde ik mijn been tintelen. Ik kon er niet op steunen maar voelde toch de drang om naar een van de bomen te lopen. Mijn been ging al naar voren, maar ik had geen zin in de pijn en hinkelde dus maar naar de boom toe. Daar sprong de jongen uit de boom en hij greep me weer vast. De man kwam weer op ons af. "Richard, denk nu toch na. Het hoeft niet zo. Je hoeft geen moordenaar te zijn. Laat haar los. Kijk naar haar." Richard keek naar me. Ik moet er erg bang hebben gekeken dankzij het woord moordenaar, want hij kreeg meteen een zachtere blik in zijn ogen. "Maar ik kan me niet verzetten. Ik ben niet sterk genoeg. Ze ruikt zo lekker, maar ik wil geen moordenaar zijn." Ik keek naar hem en zag iets van de tweestrijd die in hem woedde. Voor ik ook maar zijn beweging had gezien vloog ik weer door de lucht en belandde weer tegen een boom. Even zag ik niets, maar ik hoorde de man met Richard praten. "Je weet dat het niet op deze manier hoeft. Het kan ook anders. We kunnen je helpen, maar je moet het zelf willen." "Maar ik kan het niet." Hij schudde zijn hoofd. "Ik ruik haar. Ik wíl haar." Hij keek naar me en ik zag het verlangen weer groeien. Ik snapte er niets van. Ik rook lekker? De roodoog vond dat tenminste. Toen duwde hij de man weg en sprong op me af. Ik dook in elkaar. Hoe meer ik de mannen hoorde praten hoe banger ik werd. Richard pakte mijn linkerarm en ik gilde van de pijn. Hij bracht mijn arm naar zijn mond en beet me!
