De dag erna gingen we naar Italië. We vertrokken 's nachts en schoten aardig op. Onderweg kwamen we niet veel problemen tegen. De mensen zagen ons niet en wij trokken ons niets van hen aan. Na een paar dagen kwamen we aan in Volterra, de plaats waar de Volturi verblijft. Ook al zijn daar veel steegjes, de zon komt er overal. Dus moesten we ons de hele dag schuilhouden. En na wat een eeuwigheid leek, konden we eindelijk verder, naar het kasteel van de Volturi. We liepen weer van steeg naar steeg en hielden uiteindelijk stil bij een put. De deksel werd eraf getild en Kim en Roy sprongen erin. Ik keek Lucas aan. Hij knikte en ik sprong ook. Ik kwam neer op een ongelijke grond. Het was niet helemaal donker daar beneden, meer een beetje schemerig. Het licht verdween even en Lucas belandde naast me. Lydia kwam achter hem aan en zij schoof de putdeksel weer terug. We liepen de tunnel door. Die ging langzaam dieper de grond in. En het werd steeds lichter. Uiteindelijk kwamen we bij een hek. Het stond open en we konden er zo doorheen. We liepen een kamer door en kwamen in een hal. Daar wachtte een man met een zwarte mantel op ons. "Eindelijk. We dachten al de we jullie weer op moesten sporen." Lucas knikte. "We weten toch dat jullie ons hoe dan ook zouden vinden, waarom dan nog proberen? Het duurde gewoon lang voordat Richard toe kon slaan." Hij keek me aan. Hij had felrode ogen. "Dat is haar dus? Ze ziet er jonger uit dan ik verwachtte. Ze zal blij zijn haar te zien." Ik keek Lucas vragend aan, maar die hield zijn ogen strak op de man gericht. We liepen richting een lift en stapten in. De lift ging open en we stonden in een goedverlichte kamer, een soort ontvangstruimte. In het midden stond een of andere balie. Er zat een mens achter, een levend persoon met kloppend hart. "Goedendag." zei de vrouw. De man in de mantel knikte afwezig naar haar en liep naar de andere kant van de kamer. Hij opende een stel houten deuren. Daarachter, alsof er geen eind aan kwam, lag nog een kamer. Ik slaakte een zucht toen in die kamer wéér een stel deuren bleek te zijn. De man keek me geërgerd aan en liep naar de gouden deuren toe. Hij klopte en het rumoer dat in de volgende kamer te horen was werd zachter. De deuren zwaaiden open en we liepen een vreselijk grote zaal in. Er waren geen lampen, al het licht kwam van buiten. Alle vampiers die in de zaal stonden, en dat waren er heel wat, glinsterden, waardoor de ruimte zo mogelijk nog meer verlicht werd. De ogen van hen, bijna allemaal rood, waren op ons gericht. Een oude vampier die op één van de drie tronen zat, stond op. "Demetri, je bent er. En je hebt de familie Wemar gevonden. Wat een geluk. We zijn net begonnen met de vergadering." Hij gebaarde naar de linkerkant van de kamer. Daar stonden een paar vampiers verveeld te kijken. Ze hadden geen rode maar donkerbruine ogen. We liepen met Lucas voorop naar hen toe. De oude vampier ging weer zitten. "Waar waren we gebleven?" Terwijl de groep weer verder discussieerde, kwamen er weer twee personen binnen. Met een schok besefte ik dat het Felice en Josef waren. De oude man zuchtte en gebaarde naar een tweede, zo mogelijk, nog oudere man dat hij dit keer maar op moest staan. Die zuchtte ook en kwam van zijn stoel. "Felice, je bent laat." Zijn stem klonk onverbiddelijk. "Wat is er?" Felicia keek hem niet aan. "Mijn excuses, Marcus. Maar ik werd opgehouden." Ze keek kwaad opzij, waar Josef naar de grond stond te kijken. De vampier, Marcus, keek ook naar hem. "Kom de volgende keer op tijd of helemaal niet." Hij ging weer zitten. Lucas probeerde mijn aandacht te trekken. Ik keek hem vragend aan. Hij gebaarde naar een deur die verstopt was tegen de achterste muur. Ik knikte en liep hem achterna. De andere vampiers leken ons niet op te merken. We kwamen in een kleine, slecht verlichte kamer waar de andere bruinogige vampiers al wachtten. Een jong meisje kwam op me af lopen. Ze leek erg veel op Lucas, niet op de manier van de perfecte gelaatstrekken, maar, gewoon, als familielid. Dit moest dus het zusje zijn. Ze keek me vrolijk aan. "Jij bent dus Elisabeth. Welkom." Ze gaf me een knuffel. "Ik ben Elisa." verbeterde ik haar. Ze pakte mijn rugtas zette die tegen een muur en draaide zich naar Lucas. "Waarom duurde het zo lang? Ze waren je bijna komen halen. Je zei dat je er maar maximaal drie maanden zou blijven." Lucas haalde zijn schouders op. "Toen pas begon hij echt te jagen. Daarvoor hield hij haar alleen in de gaten." Hij liep naar me toe. "Elisa dit is Felice, mijn zusje." Ze keek hem kwaad aan. "Hoe vaak moet ik het je nog zeggen. Mijn naam is Felicia. Ik weiger me hetzelfde als die trut te noemen." "En voor mij blijf je altijd Felice, hoeveel tutten zich ook naar jou noemen." Felicia zuchtte. "Lucas, leer het nou. Trut. T. R. U. T. Niet tut. Het is een heel gewoon woord in deze tijd. Het staat zelfs in het woordenboek." Dat heb ik later nog opgezocht. En inderdaad, het staat erin.
Lucas zuchtte. "Whatever." Hij liep door naar een bruinharig meisje. Ze had een buitenlands uiterlijk en hield de hand van een knappe jongen vast. "Dit zijn Aïcha en Owen. Aïcha, Owen, dit is Elisa." "Hoi." Aïcha lachte, liet Owen los en stak de vrije hand naar mij uit. "Welkom hier in Volterra. Fijn dat je er eindelijk bent." Ik keek haar aan. "Hoezo eindelijk?" "Nou," begon ze, "er is al veel over je verteld." "Waarom dat dan?" Maar voordat ze daarop kon antwoorden, trok Lucas me weg. "Na de vergadering roepen ze ons." Ik knikte. "Waarom kent iedereen me al?" Hij schudde zijn hoofd. "Later." Verder werden me veel vragen gesteld over hoe ik het vampiersleven vond en allemaal dat soort dingen. En er werd me uitgelegd over wie wie was in de Volturi. De drie mannen op de tronen zijn de leiders. Die wat tegen ons gesproken had heette Aro, die wat tegen Felice gesproken had heette Marcus en de laatste heette Caius. Demetri en Felix hoorden bij een of andere wacht. Dan had je nog Jane, een jong blond meisje, met de gave om iemand pijn te laten voelen, haar tweelingbroer Alec, die iemand helemaal niets kan laten voelen en nog een paar andere Volturiwachters. Dat was het wel ongeveer. Uiteindelijk nam het kabaal in de vergaderzaal af en kwam iemand ons halen. Het was een man met kort, zwart haar, Felix dus. "Jullie moeten komen." Met z'n negenen liepen we hem achterna. De zaal was leeg op de drie mannen op de tronen en een paar vampierwachters na. Aïcha ging links van me staan, Lucas rechts en de rest om ons heen. Ze keken alsof ze iets verwachtten. Iets slechts.
